Halbertsma Biografie

 

 

JOOST HIDDES HALBERTSMA (1789-1869)

 

Joost Hiddes Halbertsma werd op 23 oktober 1789 te Grouw geboren als zoon van Hidde Halbertsma en Ruurdje Tjallings Binnerts. Hij trouwde op 10 mei 1816 met Johanna Iskje Hoekema uit Workum en stierf op 27 februari 1869 te Deventer. Ze zouden samen vijf zoons krijgen in een goed maar niet probleemloos huwelijk. Na zijn studie aan de Latijnse school te Leeuwarden studeerde Halbertsma van 1807 tot 1813 aan de Doopsgezinde Kweekschool te Amsterdam en het Athenaeum Illustre, waar hij zich in theologie en Noordse talen verdiepte. Al tijdens zijn predikantschap te Bolsward (1814-1821) deed Joost van zich spreken. In 1822 vertrok hij naar Deventer, waar hij met grote verwachtingen werd binnengehaald. Het predikantschap bevredigde Halbertsma echter niet, hij was meer litterator en geleerde dan dominee. In 1822, het jaar van zijn beroeping, liet hij op eigen kosten zijn eerste Friese geschrift drukken. Zijn bekendheid werd groter, toen hem vanuit Bolsward verzocht werd bij de grote Gysbert Japicx-hcrdenking in 1823 een rede te houden. Een gevolg hiervan was, dat hij in de Leidse Maatschappij van Letterkunde werd opgenomen. Halbertsma's belangstelling was breed, zijn bibliotheek groeide en zijn huis leek op den duur meer een museum. Een voorstel van Halbertsma in 1853 aan de Gedeputeerde Staten van Friesland leidde in 1855 tot de oprichting van een 'Kabinet van Oudheden' (later 't Fries Museum). Zijn eigen verzameling Friese oudheden, die hij in dat jaar schonk, vormde de basis van dit Kabinet. Met vele tijdgenoten voelde Halbertsma de noodzaak van taal-en dialectonderzoek. Hij was daarin zeer actief en ontwikkelde zich tot de grootste Nederlandse dialectkundige uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Zijn benoeming tot correspondent van het Koninklijk Nederlandsch Instituut van Wetenschappen bracht hem in aanraking met Rasmus Rask, een Deense taalgeleerde en kenner van het IJslands, met Jacob Grimm uit Göttingen, de grondlegger van de Duitse filologie, met Robert Southey, de Engelse romantische dichter, en met Joseph Bosworth, hoogleraar in het Angelsaksisch te Oxford. In 1836 volgden zijn lidmaatschap van de tweede klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut van Wetenschappen en benoemingen tot lid van binnen-en buitenlandse genootschappen. Een professoraat voor de jonge predikant was iets waarop iedereen rekende. Toen hij in 1830 niet in aanmerking kwam voor een professoraat aan het Deventer Athenaeum, ondanks zijn vriendschap met de hoogleraren C. Fransen van Eek en P. O. C. Vorsselman de Heer, trof hem dat -begrijpelijk - diep. Ook benoemingen elders gingen aan hem voorbij, zeer waarschijnlijk overal om dezelfde reden: zijn opvliegende karakter en zijn scherpe pen. Enig eerherstel verschafte hem in 1837 de Leidse hogeschool door de verlening van het zeer begeerde doctoraat honoris causa. Niet alleen het Fries ging Halbertsma ter harte. Ook in Overijssel zou hij veel werk verzetten. Met P.C. Molhuysen werd hij in 1836 redacteur van de 'Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren', waarin hij ook schreef. In 1837 bereisde hij Twente en Munsterland met zijn vriend B. W. A.E. baron Sloet tot Oldhuis die net als Halbertsma een grote oudheidkundige en filologische belangstelling bezat. Resultaat van deze reizen waren de opstellen 'De witte wieven' en 'De weefschool te Goor'. In 1843 verscheen het enige boek dat direct met zijn ambt van doen had: 'De doopsgezinden en hunne herkomst'. Hierin weet hij de sterke daling van het aantal doopsgezinden in Nederland aan de opkomende orthodoxe stroming binnen hun gelederen. Halbertsma meende dat veel vrijzinnig denkende doopsgezinden vooral door die geest van orthodoxie naar de hervormde kerk waren uitgeweken. Deze openlijke waarschuwing aan jonge doopsgezinde predikanten werd hem niet in dank afgenomen. Omdat hij niet meer van harte predikant was, vroeg Halbertsma op 12 januari 1856 zijn emeritaat aan 'op grond van den daarbij omschreven ziekelijken toestand van zijn hoofd'. De kerkeraad nam het verzoek maar al te graag aan en op 26 oktober 1856 nam 'den olden' afscheid. Op een bovenwo-ning in Deventer bracht hij zijn tijd al schrijvend door en raakte steeds meer vereenzaamd. Zijn buitenlandse contacten bleven intact en in 1858 vertaalde hij op verzoek van prins Louis Lucien Bonaparte het Evangelie naar Mattheus in het Fries. Als een soort testament liet Halbertsma een bijtende 'Biografie van Deventer' na, waarin hij noch de stad Deventer noch haar bevolking noch de doopsgezinde gemeente spaart. Halbertsma heeft nooit echt in Deventer kunnen aarden, mede doordat hij in verband met zijn studie van het (oud-)Fries jaarlijks lange tijd in Friesland onderzoek moest verrichten. Zijn verblijf in deze stad versterkte zijn heimwee, zijn romantische hunkering naar zijn geboorteland; een hunkering ook die de motor van zijn werk was geworden en die bij hem de scheidslijnen tussen zijn en schijn vaak deden vervagen. Aan het eind van zijn leven verzamelde hij datgene wat hij belangrijk achtte in het werk van zijn broers en in zijn eigen werk. Dit leidde tot de eerste uitgave van 'Rimen ind teltsjes' (Rijmen en vertellingen). Zijn zoon Tjalling, professor te Groningen, zou het 'Fries Lexicon' - het magnum opus van Halbertsma - voltooien. Op 17 februari 1869 stierf Halbertsma. Zijn grote betekenis ligt verankerd in de harten van de Friezen die door zijn poëtische, soms melancholieke dan weer scherpe, af en toe zelfs harde weergave van hun leefwereld, in hem hun tolk herkenden. Zijn invloed is uitermate groot geweest, voor de Friese cultuur van onschatbare waarde. Zijn directe woordkeus, van pittig tot sarcastisch, houdt zijn werk nog steeds fris en oorspronkelijk.

 

Toevoeging: Uit een cold case onderzoek bleek, dat Joost en Eeltsje Halbertsma verantwoordelijk zijn voor de mystificatie van het Oera Linda Boek.

 

Over Joost Halbertsma:

 

P. A. Jongsma, Dr. J.H. Halbertsma; een bijdrage tot de kennis van zijn persoon, zijn denkbeelden en zijn arbeid, Sneek 1933 (dissertatie Amsterdam)

Joast Hiddes Halbertsma 1789-1869, brekker en bouwer, Drachten 1969

J.J. Kalma, Halbertsma-bibliografy, Leeuwarden 1969

J.H. Halbertsma, 'Biografie van Deventer' (T.B. Hoekema red.), in: Overijsselse Historische Bijdragen 104 (1989), 152-163

C.P. Hoekema,'Joost Hiddes Albertsma (1789-1869); gevangene in Deventer', in: Overijsselse Historische Bijdragen 104 (1989), 141-151

 

TJALLING HIDDES HALBERTSMA (1792-1852)

 

Tjalling Hiddes Halbertsma, broer van Eetsje en Joost Halbertsma, was boterverkoper in Grouw en schreef daarnaast evenals zijn beide broers verhalen. Hij werd op 21 januari 1792 te Grouw geboren als zoon van Hidde Joostes Halbertsma en zijn vrouw Ruurdtje Tjallings Binnerts. Hij overleed op 12 december 1852 te Grouw. Tjalling werkte met zijn broers samen aan verhalen als de Weagmasters, de Sceerwinkel, de Heiligen en andere en verzorgde bijdragen voor het Friesch Jierboeckjen, de Röeker enz. en had ook deel aan de stukjes der . In 1836 liet hij als eene aardigheid drukken het: Friesk Spjealdeboeck. It libben in de wiersizzerijen fen Maaike Jakkeles oon de Frieske fammen. Hiervan zijn ook exemplaren getrokken op blaadjes in een koker, om in gezelschappen van meisjes als planeten te worden getrokken. Bij zijn overlijden, op den 12 Dec. 1852, op 60-jarigen ouderdom, was hij lid der Staten van Friesland.

 

Over Tjalling Hiddes Halbertsma:

 

G. Kalff, ‘2. Het Proza. De Halbertsma's. Vosmaer. Geel.’ In: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 7 (1912)

Arnold Hoogvliet, ‘Tsjalling Hiddes Halbertsma (1792-1852)’ In: Nieuw Letterkundig Magazijn. Jaargang 10 (1992)

Klaes Dykstra en Bouke Oldenhof, ‘4. It Nijfryske tiidrek: de 19de ieu’ In: Lyts hânboek fan de Fryske literatuer (1997)

 

Biografie

 

A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Bijvoegsel (1878); idem: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Bijvoegsel. J.J. van Brederode, Haarlem 1878

P.J. Blok en P.C. Molhuysen, Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 10 (1937)

 

EELTSJE HIDDES HALBERTSMA (1797-1858)

 

Dr. Eeltsje Hiddes Halbertsma was een Fries volksschrijver. Hij werd op 8 oktober 1797 te Grouw geboren als zoon van bakker Hidde Joostes Halbertsma en zijn vrouw Ruurdtje Tjalling Binnerts. Hij overleed in diezelfde plaats op 22 maart 1858. Hij was tot 1854 huisarts te Grouw en publiceerde samen met zijn oudere broers Tjalling Hiddes Halbertsma en Joost Hiddes Halbertsma verhalen, die in de bundel Rimen en Teltsjes(1871) werden opgenomen.  Eeltsje Hiddes Halbertsma volgde de Latijnse School in Leeuwarden, waarna hij in Leiden medicijnen ging studeren, waar hij promoveerde. Ook studeerde hij in Heidelberg. Hij vestigde zich aanvankelijk in 1818 als huisarts in Purmerend, maar verruilde die twee jaar later om gezondheidsredenen met een huisartsenpraktijk in Grouw. Naast zijn werk als huisarts was Eeltsje actief als schrijver en letterkundige. Hij verzamelde verhalen uit de Friese mythologie, die door zijn broer Joost werden uitgegeven. In 1854 droeg hij de praktijk over aan zijn zoon en verbleef daarna veelvuldig in Leeuwarden of bij familie in Emden, Deventer en Bolsward. Hij was bevriend met W. Eekhoff, die zijn verhaal De Jonkerbroer uitgaf. Halbertsmaschreef onder andere De âlde Friezen, dat later werd bewerkt tot het Fries volkslied. Hij werd in 1827 lid van het Provinciaal Friesch Genootschap ter Beoefening van Friesche Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, maar zegde in 1834 zijn lidmaatschap op. Hij schreef hierover aan zijn broer Joost: Es gibt Narren aller Art (je hebt allerlei soorten dwazen) en hij wilde er niet een van wezen. Later werd hij lid van het Selskip foar Fryske Taal en Skriftekennisse.Het Selskip liet in 1875 door beeldhouwer Willem Molkenboer een gevelsteen met portret van Halbertsma maken (aan het Halbertsmaplein in Grouw, voor zijn geboortehuis), vier jaar later gevolgd door een van zijn broer Joost.In 1903 gaf het Selskip de opdracht voor een standbeeld ter nagedachtenis aan Halbertsma, dat werd geplaatst aan de Grouwster Parkstraat.

 

Toevoeging: Uit een cold case onderzoek is gebleken,dat hij samen met zijn broer Joost verantwoordelijk was voor de totstandkoming van het Oera Linda Book, de belangrijkste mystificatie van de Friese letterkunde.

 

Verhalen:

 

Ald janom.’ In: Van de Schelde tot de Weichsel. Deel 3: Friesland

De Foärcher Ruen fen Gabe scroar. Ien Brief screaun yn de Moanne foun in opbrocht troch syn omke Doctor E.H. fen Grouwergea mei kântteikeningen fen J.H.H., Dimt. 1836;

De Foarname Uut-fen-huwzers yn Frieslân, troch Dr. E.H., Liouw. 1841;

De Fryske hirdsiler.’ In: Van de Schelde tot de Weichsel. Deel 3: Friesland

De Jonkerboer of Krystyd in St. Steffen yn áld Frieslân. Leste schrift fen Dr. E.H. nei syn dead mei ien oersicht fen syn libben uutjuwn trog ien fen syn fruenen, Liouw. 1858, 2e dr. 1859.

De Lape koer fen Gabe Skroor [De lappenmand van Gabe Snijder], Dimter 1822, 3e dr. ald. 1834; Een verzameling verhalen en liedjes, die door hen zelf waren gedicht of bewerkt in het Fries.

De lieke-blommen.’ In: Van de Schelde tot de Weichsel. Deel 3: Friesland

De reis nei de jichtmasters.’ In: Van de Schelde tot de Weichsel. Deel 3: Friesland ‘Oan in berntsje yn de oare wrald.’ In: Van de Schelde tot de Weichsel. Deel 3: Friesland

De Rimen ind Teltsjes fen de Broarren Halbertsma zijn uitgegeven te Deventer in 1871.

De Sceerwinkel fen Joute Baes, Dimt 1845 (hierin vindt men een bijdrage van Tjalling Halbertsma, broeder van Eeltje);

De terp.’ In: Van de Schelde tot de Weichsel. Deel 3: Friesland

De Treemter (it Reventer) fen it Sint Anthoni Gasthuus to Ljouwert of trye leugenaers troch ien greate ljeagen forbettere fen Dr. E.H. mei kantteikeningen fen J.H.H., Dimt. 1836;

Doch dyn plicht, en lit de ljouwe rabje.’ In: Van de Schelde tot de Weichsel. Deel 3: Friesland

Ee quickborn. Plat deutske Rymkes yn it Friesk verbrogt trog Dr. E.H., Liouwerd 1857;

Eölus, Grewa fen storm in onwaer, syn antwird oan Dr. J.H.H. mei oar Grjďmmank. Dimt. 1837;

It ingelgereaunt op Skiermontsjeach.’ In: Van de Schelde tot de Weichsel. Deel 3: Friesland Skink ris yn, myn faem!’ In: Van de Schelde tot de Weichsel. Deel 3: Friesland

Leed in Wille fen E.H. in de Flotgaerzen fen J.H.H., Dimt. 1854;

Minne Jorrits Keis nei et Kollumer oproer bescheruwn troca Dr. E.H., Snits 1851;

Oan Eölus oer it Needwaer fen de 26sten Novimber 1836, ien letter fen J.H.H., Dimt. 1837;

't Forhael fen Dominys neef.’ In: Van de Schelde tot de Weichsel. Deel 3: Friesland

Twigen uwt ien âlde stamme, vwtjown troch Dr. E.H., mei oanteikeningen fen J.H.H., Dimt. 1849. (In 't Ned. vert. door J.J.A. Goeverneur onder den titel van: Twijgen uit een ouden stam opgeschoten, Dev. 1841);

Widzesang.’ In: Van de Schelde tot de Weichsel. Deel 3: Friesland

 

Voorts vindt men bijdragen van E.H. in het Friesche jierboeckjen, de Friesche Volks-Almanak, de Overys. Alm. voor O. en L., in de Swanneblummen, in de Frieske Hűsfrjuen, enz.

 

Over Eeltsje Hiddes Halbertsma:

 

Montanus de Haan Hettema, ‘Twigen uwt ien aldestamme wtjown, troch Dr. E. Halbertsma, mei oanteikeningen fen J.H. Halbertsma. Dimter, bij J. de Lange. 1840. kl. 8o. IV. en 108 bl.’ In: De Gids. Jaargang 1840 (1840)

Wopke Eekhoff, ‘Twijgen, uit een ouden stam opgeschoten. Door Dr. E. Halbertsma, met aanteekeningen van Dr. J.H. Halbertsma. Uit het Friesch vertaald door J.J.A. Goeverneur. Te Deventer, bij J. de Lange. 1841. 113 blz.’ In: De Gids. Jaargang 1841 (1841)

[tijdschrift] Vaderlandsche Letteroefeningen, ‘Twijgen, uit een ouden stam opgeschoten. Door Dr. E. Halbertsma, met Aanteekeningen van Dr. J.H. Halbertsma.’, ‘Uit het Friesch vertaald door J.J.A. Goeverneur. Te Deventer, bij J. de Lange. 1841. In kl. 8vo. 113 bl. f : - 90.’ In: Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1841 (1841)

[tijdschrift] Vaderlandsche Letteroefeningen, ‘De lappekorf van Gabe-Snijër, enz. Schetsen en teekeningen van het Friesche volks- en dorpsleven, door Dr. E. en J.H. Halbertsma. Uit het Friesch, door J.J.A. Goeverneur. Twee deelen. Deventer, bij J. de Lange, 1860.’ In: Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1862 (1862)

G. Kalff, ‘2. Het Proza. De Halbertsma's. Vosmaer. Geel.’ In: Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 7 (1912)

Christina Kroes-Ligtenberg en Jan Prins, ‘Bijlage I: verslagen van de lezingen in de maandelijkse vergaderingen(Behoort bij het Verslag van de Secretaris, afgedrukt op blz. 158)’ In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1947 (1947)

Jan Tjittes Piebenga, ‘VII. It folk oppenearret him’ In: Koarte skiednis fan de Fryske skriftekennisse (1957)

Klaes Dykstra en Bouke Oldenhof, ‘4. It Nijfryske tiidrek: de 19de ieu’ In: Lyts hânboek fan de Fryske literatuer (1997)

 

Biografieen:

 

A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 8. Eerste stuk (1867); idem: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Bijvoegsel. J.J. van Brederode, Haarlem 1878

A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Bijvoegsel (1878)

F. Jos. van den Branden en J.G. Frederiks, Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde, L.J. Veen, Amsterdam 1888-1891.

P.J. Blok en P.C. Molhuysen, Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 10 (1937)

G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse, De Nederlandse en Vlaamse auteurs (1985)

 


 

 

 

 

 

 

Rodinbook