Veiling van de boeken van Cornelis over de Linden, 7 september 1874 te Den Helder.

 

 

         

De boekenlijst van Cornelis over de Linden speelt een belangrijke rol in de literatuur over het Oera Linda Boek, met name omdat degenen, die Cornelis over de Linden voor de schrijver van het boek hielden (zoals J. Beckering Vinckers) daarin het bewijs zagen, dat Over de Linden tot het schrijven van het Oera Linda Boek in staat zou zijn geweest, terwijl anderen er juist op wijzen, dat er titels op wetenschappelijk niveau en in vreemde talen op voorkomen, die ver boven de intellectuele vermogens van Cornelis over de Linden uitstegen.  Zijn zoon Leendert zag daar juist het bewijs in van de echtheid van het Oera Linda Boek. Want wie zou tot zoiets in staat zijn geweest ? Zijn vader niet. De geleerde boeken van voor 1867 werden door zijn compagnon Ernest Stavermann (overleden april 1867) gekocht op de veilingen van Bom in Amsterdam. Tijdens of na de samenwerking met Dr. J.G. Ottema vanaf 1871 heeft Cornelis over de Linden enkele boeken op advies van Ottema aangeschaft of ten geschenke gekregen. Het jaar van verwerving van de boeken is niet bekend. Veel boeken zullen antiquarisch zijn ingekocht. Opmerkelijk is dat er geen Friese boeken op voorkomen, hoewel Cornelis over de Linden prat ging op zijn Friese afkomst. Hij sprak geen Fries. Overigens betwijfelt H.A. Stadermann, kleinzoon van Ernst Stadermann en zelf uitgever in Baarn, in een brief aan het Fries Genootschap d.d. 27 maart 1916 of het wel om boeken van Cornelis over de Linden zelf gaat, omdat zijn grootvader over een mooie bibliotheek beschikte. Zie correspondentie. Het is heel goed mogelijk, dat Cornelis over de Linden de boeken over het Oudfries, enz. na de dood van Stadermann in handen heeft gekregen. Stadermann had een passie voor oude talen en zou zich ook in het Oudfries verdiept hebben.

 

De veilingcatalogus is gepubliceerd door Beckering Vinckers en door G.J. van der Meij. In het onderstaande zijn de titels aangevuld en gedateerd. In enkele gevallen is een biografie of recensie toegevoegd. Boeken, die in of na 1867 gepubliceerd zijn, kunnen geen rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van het Oera Linda Boek, omdat Cornelis over de Linden in mei 1867 met het manuscript naar buiten kwam.

 

 

Boekverkooping van de collectie van Cornelis over de Linden in 't Centrum [te Den Helder] op Maandagavond 7 September 1874.

 

De catalogus bevat de volgende titels:

 

 

1. Bespiegelingen over de Grieken, 2 dln. (1788)

= Wysgeerige Bespiegelingen over de Grieken, door Mr. de Pauw. Uit het Fransch vertaald. In twee Deelen. Eerste Deel. Te Deventer, by L. Leemhorst, 1788. Behalven de Voorreden, 445 bladz. In 8vo. Zie: DBNL  http://www.dbnl.org/tekst/_vad003178901_01/_vad003178901_01_0069.php

 

 

2. Koning Altman, Mackenzie: De vereenigde Staten van N. Amerika. (1872)

= Robert Mackenzie, De vereenigde Staten van Noord-Amerika, eene geschiedkundige schets. Naar het Engelsch van Robert Mackenzie, door C. Koning Altman. Sneek, H. Pyttersen, 1872 8vo ppvii, 260.

 

 

3. Penn, Handboek der schoone bouwkunst. (1840)

= Handboek der schoone Bouwkunst, door J.J. Penn, Architect. Eerste (Theoretische) Afdeeling. Met negen Platen. Breda, F.P. Sterk, Drukker en Uitgever. 1840. 178 blz.

 

Handboek der schoone Bouwkunst, door J.J. Penn, Architect. Eerste (Theoretische) Afdeeling. Met negen Platen. Breda, F.P. Sterk, Drukker en Uitgever. 1840. 178 blz. (Recensie)

In het korte Voorberigt zegt de Schrijver, dat hij onder schoone Bouwkunst dat gedeelte dier kunst verstaat, dat, afgescheiden van de kennis der materialen, en van de eigenlijke constructieleer, eene aesthetische toepassing van beide is. De grondslag tot het leeren hiervan vindt hij ‘in eene vlijtige studie der drie Grieksche ordes, want daarin,’ zegt hij, ‘ligt alles opgesloten, wat de kunstenaar noodig heeft; dat zijn de drie eenige zuivere bronnen, waaruit de Architect de kennis van zijn vak kan putten, de modellen, waarnaar hij zich rigten, welke hij altijd voor oogen hebben moet, en die hem tot gids behooren te verstrekken bij al, wat zijn geest schept en zijne hand uitvoeren wil.’ De Schrijver berigt verder, dat hij het voorregt had, eenige jaren lang in Pruissens hoofdstad, onder leiding van den voortreffelijken bouwkunstenaar wietz, en met de welwillende belangstelling van den grooten schinkel, zijne architectonische studiën voort te zetten en te voltooijen. Van daar teruggekeerd, werd hij door kundige vrienden aangezocht, het te Berlijn in Collegie verhandelde publiek te maken; hij begreep, dat zij gelijk hadden te meenen, dat de mededeeling daarvan voor ons Land eenig belang konde hebben, en althans wel eene plaats zou kunnen vinden bij den niet zeer grooten voorraad onzer oorspronkelijke bouwkundige lectuur. Wij ontvangen dus hier een bouwkundig Handboek, gegrond op de lessen, zoo als die op de bouwkunstige school te Berlijn worden geleerd; wij gelooven, dat dit reeds eene aanbeveling voor het Werk is; die school toch wordt als eene der beste inrigtingen van dien aard beschouwd, en de daar aan het hoofd staande bouwkunstenaar schinkel verdient met regt den roem, die hem ook buiten zijn Vaderland wordt toegebragt. Wij hebben reeds gezegd, dat de Schrijver den grondslag der schoone Bouwkunst meent te vinden in de vlijtige studie der drie Grieksche ordes; wij hooren reeds de vraag opperen: ‘En waar blijven dan de Toscana en de Composita of Romana?’ Wij antwoorden: ‘Dat die zoogenaamde ordes niet Grieksch zijn, maar vindingen van Romeinsche bouwkunstenaars bij het verval der

[p. 29]

kunst, en in het algemeen, dat de leer der ordes, sedert drie eeuwen gevolgd, niets anders is dan een systema, door de Italiaansche Bouwmeesters der 16de Eeuw geleerd, wel is waar, gegrond op de toenmalige kennis der overblijfselen van Romeinsche Bouwkunst en op de voorschriften van vitruvius die, hoe onschatbaar ook, veel van de Grieksche Bouwkunst, als voorbeeld, spreekt, doch de regelen, slechts zoo als die in zijnen leeftijd gevolgd werden, onderwijst.’ Het is bekend, dat de Bouwkunst uit Griekenland naar Rome kwam; dat zij hier verschillende wijzigingen onderging, en, bij eenige weinige aangebragte verbeteringen, hare oorspronkelijke reinheid verloor, hoewel zij steeds haren Griekschen oorsprong verried. Vitruvius beschreef haar, zoo als hij die vond; de Italiaansche Bouwmeesters volgden de bouwvallen uit zijnen en lateren tijd, en aan de door hen gegevene regelen heeft men zich tot nu toe gehouden. Intusschen zijn wij thans beter bekend met de schoone zuivere architectuur der Grieken, welke vitruvius en de Italiaansche meesters meenden te volgen, dan zij. Slechts bijna honderd jaar is het geleden, dat de bouwvallen van Paestum gevonden werden, en men daarin een geheel ander karakter vond dan in de overblijfselen van Rome; en toen de nasporingen van stuart, revett en le roi naderhand de aandacht vestigden op de overblijfselen van Athene, die men haar sedert zeventien eeuwen, om slechts tot den tijd van vitruvius te gaan, geweigerd had, bespeurde men, dat de voornaamste monumenten op de Acropolis, vooral de beroemde tempel van Minerva, tot dezelfde Bouwkunst als die van Paestum behoorden, en echter de Bouwmeester van augustus van deze laatsten geene melding maakt, hoewel de plaats, waar die gebouwen gevonden worden, slechts tachtig uren van Rome verwijderd is. In het kort, de Italiaansche meesters namen de Romeinsche architectuur tot voorbeeld, wel wetende, dat die eene navolging der Grieksche was; vitruvius wist dit evenzeer, maar onderwees de kunst, zoo als die in zijnen tijd werd uitgeoefend, en wij, zullen wij nog steeds slaafsche navolgers zijn van deze navolgers; zullen wij nog steeds bij vitruvius en vignola zweren, terwijl wij het geluk hebben, de oorspronkelijke type te kennen, die voor hen verborgen was? De Berlijnsche bouwkunstige school heeft zich van dezen dwang ontdaan; zij wijst hare leerlingen op de voorwerpen van Grieksche architectuur uit den besten tijd. Het onderhavige Handboek, op dezelfde leest geschoeid, handelt over de algemeene vereischten der gebouwen als inleiding; dan komen de geleden, versierselen, lijst-

[p. 30]

werk, zuilenordes, en derzelver wezenlijke deelen ter sprake; vervolgens worden de drie Grieksche ordes afzonderlijk en uitvoerig behandeld, want aan de Dorische orde zijn 25 bladzijden besteed, aan de Jonische 52 en aan de Corinthische 36; men kan dus niet zeggen, dat er luchtig over heengeloopen is. Na dit alles zal men welligt den Schrijver van vooringenomenheid met de Grieksche architectuur beschuldigen, daar toch de Romeinen, zoo als reeds gezegd is, eenige verbeteringen hebben ingevoerd; dit laatste valt niet te ontkennen, en de Heer penn, zoowel als de school, waar hij opgeleid werd, geven blijken, dit gevoelen te deelen, door het goede ter navolging aan te wijzen, waar het zich, ook buiten Griekenland, mogt bevinden Zoo wordt, bij de beschouwing der Corinthische orde, verwezen naar de meerdere volmaaktheid, welke de Romeinen daaraan gegeven hebben, en de studie dier overblijfselen ten sterkste aanbevolen. Ook wordt er hier en daar over de andere ordes gesproken; doch de Schrijver wenscht, dat men dit meer als eene historische herinnering van de vijf ordes van vignola zal beschouwen, dan wel als eene verdediging in naam der kunst. Uit hetgeen wij reeds gezegd hebben, blijkt het genoegzaam, dat het onderhavige Werk onze goedkeuring wegdraagt; wij vinden toch hier geene bepaalde formulieren, of juiste opgaven van maten, die slaafs behoeven gevolgd te worden; de beoefenaar wordt steeds verwezen naar de schoone overblijfselen der oudheid, welker studie hem onophoudelijk wordt aanbevolen. Dubbel welkom is ons dit Werk, omdat het niet alleen den leerling den weg kan wijzen, dien hij te bewandelen heeft, om de kunst, zoo vaak bij ons tot handwerk verlaagd, te beoefenen, maar ook den bouwkunstenaar, die het opregt met haar meent, tot een bruikbaar Handboek kan verstrekken. Wij hopen, dat het zal kunnen bijdragen, om den lust tot de studie der edele, ware bouwkunst aan te wakkeren, en te beletten, dat die zoogenaamde Grieksche bouwkunst, welke Grieksche vormen aanduidt, maar Griekschen geest mist, of die andere, welke men met den naam van Renaissance bestempelt, doch die eerder het voortbrengsel van verwarde hersenen is, verder bij ons navolgers vinden zal. Wij zullen met genoegen de tweede afdeeling, het practische gedeelte, te gemoet zien, en dan welligt onze Lezers met het geheele Werk uitvoeriger bekend maken.

De Gids 1841, jaargang 5 pag. 28-30 (DBNL)

 

4. Morgenster Meetkunst (1703, 1704, 1820)

= Johannes Morgenster, Werkdadige meetkonst. Leeuwarden 1703. 2e druk Leeuwarden, Ferwerda 1744 Oversien vermeerdert en in kopere platen gebracht door Johann Hermann Knoop. liefhebber der Mathematische Wetenschappen".Van dit laatste werk kwamen een tweede en derde druk in het Iicht, resp.in ,1757 en 1784. Een geheel nieuwe bewerking in 2 deelen verscheen in 1820 van de hand van M. J. S. Bevel (Amsterdam-s-Dordrecht).

 

Werkdadige meetkonst, tonende klaar en beknopt, hoe dat al 't gene een ingenieur en landmeter te meten voorvallen kan, wiskonstig met en zonder hoekmeting, door de minste moeite gemeten word. Hier by is gevoegt een verhandeling van roeden en landmaten, in de voornaamste plaatzen van de seven Vereenigde Provincien, en eenige andere daar omtrent leggende plaatzen, gebruikelyk, http://books.google.nl/books/about/Werkdadi...Gedrukt by Abraham Ferwerda, 1744 - 740 pagina's. (Google eBoek).

 

Johannes Morgenster is een landmeter die zichzelf een "Mathematicus en Gesworen Landmeter der Provincie van Overrijssel" noemde in zijn boek Werkdadige Meetkonst. Aangezien hij dit boek ook opdroeg aan de burgemeester, schepenen en raden van de stad Zwolle, wordt afgeleid dat hij daarvan afkomstig was of er alleszinds werkte. Het werkwoord afleiden is bij Johannes ontzettend van toepassing, want buiten het feit dat hij een toonaangevend leer- en handboek op het gebied van de landmeetkunde had gepubliceerd, is er niets meer over hem geweten. Er is zelfs zo weinig over hem geweten, geen geboorte en sterfdatum, dat er geen foto van hem bestaat. Daar dit feit wordt het boek de Werkdadige Meetkonst vaak aan hovenier Johann Knoop toegezegd, wat niet helemaal correct is. Johannes heeft de eerste druk van het boek geschreven en in 1774 werkte knoop de publicatie verder uit met 400 pagina's extra. http://www.timerime.com/nl/gebeurtenis/339168/Johannes+Morgenster/

 

Johannes Morgenster 91682-1736)dankt zijn bekendheid aan zijn boek Werkdadige Meetkonst, het standaardleerboek voor landmeters in Nederland gedurende de achttiende eeuw.MORGENSTER, Johannes (Joannes/Jannes), landmeetkundige te Zwolle (Zwolle, 1682 -Zwolle, 1736). Zoon van Roelof Morgensterre en Geesjen Jans. Gehuwd omstreeks 1706 te Zwolle met Janna Morre (?-Zwolle 1719). Johannes Morgenster was een leerling van Gilles Bruist (Nijmegen 1640- Zwolle 1725), die tot 1707 lessen in de wiskunde verzorgde te Zwolle. In 1703 verscheen de eerste editie van Morgenster's Werkdadige Meetkonst, een uitgave in eigen beheer. Waarschijnlijk gaf hij toen dus al les in de praktische landmeetkunde. In 1707 volgde Johannes Morgenster Gilles Bruist op als leraar in de "mattesis, landmetrie, astronomie, navigatie, fortificatie en italiaans boekhouden", en verzorgde hij voortaan de lessen in het "collegium Mathematicum", op de zolder van het Broerenklooster. In het boek Werkdadige Meetkonst geeft Morgenster duidelijke uitleg over het praktisch landmeten. Niet alleen de daadwerkelijke uitvoering van het landmeten komt aan bod, maar ook bespreekt hij de "gereedschappen" die een goede landmeter echt bij zich moet hebben. Hij bespreekt onder andere de landmeterketting, de waterpas en een "getrouwe dienaar". Onderwerpen die Morgenster behandelt zijn onder andere "Van 't meten der onmetelyke distantiën, kaarte-maken, en vestingen afsteken". "Longimetria, of 't meten der onmetelyke afstanden" en over "Altimetria en profundimetria, of 't meten der hoogten en laagten". Ook komen in het boek een tweetal hoofdstukken voor met maten en gewichten van vloeistoffen en materialen. Het boek besluit met een aanhangsel dat de titel: "verhandeling over Roeden en landmaten" heeft meegekregen. Dit aanhangsel geeft een overzicht van verschillende maten die gebruikt werden in de Nederlanden in de 18e eeuw. In het boek refereert Johannes Morgenster geregeld aan de Euclidische meetkunde, maar hij laat zich bovenal inspireren door de praktijk. Hoe de ketting gelegd moet worden, waar de dienaar moet gaan staan en dergelijke praktische zaken krijgen vooral de aandacht. Morgenster kende als landmeter uiteraard de praktische beperkingen die het meten in het veld met zich meebracht en doet daarvan uitvoerig verslag. Het boek is gedurende vrijwel de gehele achttiende eeuw gebruikt als introductie in de landmeetkunde . De eerste druk van de Werkdadige Meetkonst verschenen in 1703 te Zwolle in eigen beheer. Succes volgde al spoedig met een Amsterdamse editie in 1707, en later herziene edities in 1744 (Leeuwarden), 1757 en 1784 (beiden 's Gravenhage). Tot slot verscheen nog een uitgave in 1820 te Amsterdam. Die is echter volledig herzien en aangepast aan de smaak van die tijd; daarnaast was het werk aangepast aan het gebruik van het metrieke stelsel. In de tweede druk van 1744 heeft Johann Hermann Knoop het boek van Morgenster voorzien van een uitvoerige introductie in de achterliggende wiskunde. Alle Euclidische stellingen waar Morgenster naar verwees worden in een lange inleiding uitvoerig uit de doeken gedaan, met vooral veel rekenvoorbeelden, zodat de aandacht ligt op de praktische consequenties voor de landmeter. De houtgravures van de druk uit 1703 werden vervangen door de duidelijkere kopergravures. In 1707 verscheen bij Johannes Loots te Amsterdam nog een boek over de vestingbouw van de hand van Johannes Morgenster: Korte en volkome verhandeling van de gefortificeerde linien: midsgaders een verklaring der bovengemeene en konst-woorden die in de vestingbouw gebruykt werden, door dewelke een yegelyk die zal konnen verstaan, die zig nooyt in de fortificatie geoeffend hebben. Ook in dit werk laat Morgenster zich zien als een man van de praktijk. Morgenster kocht in 1723 een huis in de Bloemendalstraat en verhuurde een huis in de Diezerstraat aan de zilversmid Jacobus Berg. Johannes Morgenster moet vermogend zijn geweest; dat blijkt uit zijn huizenbezit, maar ook uit het gegeven dat er 8 gulden en 8 stuivers is betaald voor het luiden van de klok tijdens zijn begrafenis in 1736 in de Broerenkerk te Zwolle. Literatuur J. C. Streng, Zwols Biografisch Woordenboek. Een draagbaar mausoleum. Uitgeverij Verloren, 2004; Johannes Morgenster, Werkdadige meetkonst. Leeuwarden, 1744.

 

Werkdadige meetkonst, [Practical geometry] by Johannes Morgenster (2nd edition)

Title
: Werkdadige meetkonst, tonende klaar en beknopt, hoe dat al 't gene een ingenieur en landmeter te meten voorvallen kan, wiskonstig met en zonder hoekmeting, door de minste moeite gemeten word; hier by is gevoegt een verhandeling van roeden en landmaten in de voornaamste plaatzen van de Seven Vereenigde Provincien, en eenige andere daar omtrent leggende plaatzen, gebruikelyk.

Author
: Johannes Morgenster, second edition by Johann Hermann Knoop.
Publisher
: Leeuwarden, Ferwerda, 1744

The first edition of this work was published in 1703. Johann Hermann Knoop was responsible for the second edition dating from 1744 which is included here. A second and third edition of the revised work followed in 1757 and 1784. Knoop expanded the book considerably and added illustrations and tables. A new, adapted version was published in 1820. In this way, Morgenster’s book on practical geometry was used for more than 100 years. Little is known about Morgenster. The 1820 edition refers to him as a mathematician and recognised surveyor. Knoop was born around 1700 in Kassel, Germany. His father was gardener of the royal court, and Johann followed in his footsteps. He was appointed royal gardener by Marie-Louise of Hessen-Kassel, the widow of Johan Willem Friso, who lived in Leeuwarden. In this capacity, Johann tended the gardens, but also surveyed and mapped them. The knowledge of surveying that he needed for this work was gleaned from Morgenster’s book Werkdadige Meetkunst. With common sense and interests in a wide range of fields, Knoop was able to clearly formulate his ideas on paper. He wrote books and brochures on such subjects as eclipses of the sun, gardening, botany, and sun dials, as well as dictionaries and a historical description of Friesland. As gardener, he was responsible for the first royal meal of potatoes served in 1742. He was fired from his position in 1748, as a result of his addiction to drink. From then on, he supported himself by writing books. He died penniless in 1778. This book on practical geometry treats the following topics: terminology, geometrical figures on paper, decimal calculation, square roots, goniometry, logarithms and trigonometry. A second part addresses the practice of surveying, and includes a description of the instruments used and surface area calculation. Other parts deal with dividing plots of land, cartography and fortification, stereometry, the laying of dykes, and budgets for such projects. The book concludes with two chapters on measuring and weighing liquids and solids. It is not surprising that, in the time of Morgenster and Knoop, a surveyor was also often employed as an inspector of weights and measures. And, finally, this book contained an extensive supplement on the various weights and measures used in different cities and areas, which was very helpful for surveyors.

link
to the paper edition in the Trésor catalogue

CR regionNL, Wysiwyg textNL

Werkdadige meetkonst

 

 

5. Arend, Vaderlandsche geschiedenis, (tot 1581) 2 dln. (1857)

= AREND,J.P. Algemeene geschiedenis des vaderlands, door J.P. Arend na diens overlijden bewerkt door O. van Rees. III,1. Amsterdam, C.L. Schleijer en zoon. 1857.

 

DBNLBiografie(ën) over J.P. Arend

Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1803-1900, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1856 (1856)
A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Bijvoegsel (1878)
F. Jos. van den Branden en J.G. Frederiks, Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde (1888-1891)
P.J. Blok en P.C. Molhuysen, Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 5 (1921)
K. ter Laan, Letterkundig woordenboek voor Noord en Zuid (1952)

Werken van J.P. Arend

Algemeene geschiedenis des vaderlands van de vroegste tijden tot op heden. Eerste deel(alleen scans beschikbaar) (1841)
Algemeene geschiedenis des vaderlands van de vroegste tijden tot op heden (1841-1883)
Algemeene geschiedenis des vaderlands van de vroegste tijden tot op heden. Tweede deel, eerste stuk(alleen scans beschikbaar) (1843)
Algemeene geschiedenis des vaderlands van de vroegste tijden tot op heden. Tweede deel, tweede stuk(alleen scans beschikbaar) (1846)
Algemeene geschiedenis des vaderlands van de vroegste tijden tot op heden. Tweede deel, derde stuk(alleen scans beschikbaar) (1849)
Algemeene geschiedenis des vaderlands van de vroegste tijden tot op heden. Tweede deel, vierde stuk(alleen scans beschikbaar) (1851)
Algemeene geschiedenis des vaderlands van de vroegste tijden tot op heden. Tweede deel, vijfde stuk(alleen scans beschikbaar) (1851)
Algemeene geschiedenis des vaderlands van de vroegste tijden tot op heden. Tweede deel, zesde stuk(alleen scans beschikbaar) (1853)
Algemeene geschiedenis des vaderlands van de vroegste tijden tot op heden. Derde deel(alleen scans beschikbaar) (1857) 

Primaire teksten van J.P. Arend elders in de dbnl

J.P. Arend, ‘Mengelwerk.’, ‘Verhandeling, over Balthasar Bekker. Door J.P. Arend, Lector in de Hoogduitsche en Engelsche Talen en Letterkunde aan de Doorluchtige School te Deventer.’ In: Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1829 (1829)
J.P. Arend, ‘Iets, over de bekendheid van onze letterkunde bij den vreemdeling. Door J.P. Arend, Lector in de Hoogduitsche en Engelsche Talen en Letterkunde aan de Doorluchtige School te Deventer.’ In: Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1831 (1831)
J.P. Arend, ‘Iets, over de bekendheid van onze letterkunde bij den vreemdeling.’ In: Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1831 (1831)
J.P. Arend, ‘Mengelingen.’, ‘De Barden. Fingal. Ossian. Proeve uit eene geschiedenis der dichtkunst en fraaije letteren in Europa. door J.P. Arend.’ In: De Gids. Jaargang 2 (1838)
J.P. Arend, ‘Mengelingen.’, ‘De barden. Fingal. Ossian. Proeve uit eene geschiedenis der dichtkunst en fraaije letteren in Europa. door J.P. Arend.’ In: De Gids. Jaargang 2 (1838)
J.P. Arend, ‘Nicolao, bijgenaamd: de visch.’ In: De Gids. Jaargang 3 (1839)
J.P. Arend, ‘Bibliographisch album.’ In: De Gids. Jaargang 16 (1852)
J.P. Arend en C.L. van Woelderen, ‘Bibliographisch album.’ In: De Gids. Jaargang 16 (1852)
J.P. Arend, ‘Filips II van Spanje.’ In: De Gids. Jaargang 18 (1854)
J.P. Arend, F.M. Cowan, Guillaume Henri Marie Delprat, Willem Doorenbos en Jan Heemskerk Azn., ‘Bibliographisch album.’ In: De Gids. Jaargang 19 (1855)T>

6. Zimmerman, De Wonderen der Voorwereld. ( 2e druk 1866)

= W.F.A. Zimmermann, De wonderen der voorwereld. Een populaire voorstelling van de geschiedenis der schepping. 2e dr. Leyden, Noothoven van Goor, 1866 336p. Half leder. Met 4 steendrukken en 217 afbeeldingen tussen de tekst. Heruitgegeven te Rotterdam bij D. Bolle in 1892 in de bewerking door H. Heukels. Subtitel: Eene populaire beschrijving der schepping en van den oorspronkelijken toestand der Aarde, alsmede van de veranderingen, die hare oppervlakte, hare plantengroei en hare bewoners hebben ondergaan. 589p. ruim 300 afb.

 

7-13. De Aardbol, 7 dln. (ieder op zich zelf compleet). (1850)

= J.H. Witkamp, De Aardbol. Magazijn van hedendaagsche land- en volkenkunde. Vermoedelijk gaat het om deel 1-7 (1838-1850).

1839. De Aardbol. Magazijn van hedendaagsche land- en volkenkunde. Eerste deel. Portugal, Spanje en Frankrijk. Voorafgegaan door eene algemeene beschouwing van den aardbol en van Europa. J.H. Laarman.

1838. De Aardbol. Magazijn van hedendaagsche land- en volkenkunde. Tweede deel. Zwitserland en Italië. J.H. Laarman en H. Frijlink.

1841 De Aardbol. Magazyn van hedendaagsche land- en volkenkunde. Derde deel.: De Nederlanden. Amsterdam: J.H. Laarman, 1841. Koninkrijk der Nederlanden. Hoofdstukken over Noord-Holland (door P. Best en P.H. Witkamp), Zuid-Holland (D. Buddingh), Utrecht (P. Best en P.H. Witkamp), Groningen (T.P. Tresling), Friesland (W. Eekhoff), Drenthe (P.H. Witkamp), Overijssel (P.H. Witkamp), Gelderland (Robidé van der Aa), Zeeland (H.M.C. van Oosterzee), Noord-Brabant (C.R. Hermans) en Limburg (P.H. Witkamp). Het boek is geïllustreerd met een gegraveerde kaart van Nederland, België en Luxemburg en een groot aantal topografische houtgravures door Tollenaar, C., W. B[al], May, G.K., E. Vermorcken, en anderen. Met name deze houtgravures zorgden ervoor dat het boek veelal gesloopt is en dat complete exemplaren zeldzaam zijn. Het boek telt voorts nog twee paginagrote portretten van koning Willem II en "prinses Albert van Pruissen". 4º: Half linnen, 680 p., ill. Bron: van der Steur.

1841. De Aardbol. Magazijn van hedendaagsche land- en volkenkunde. Vierde deel: Luxemburg, België, Groot-Britanje en Ierland. J.H. Laarman. Amsterdam.

 

1845. De Aardbol. Magazijn van hedendaagsche land- en volkenkunde. Zesde deel: beschrijving van Oost- en Noord-Europa. Eerste stuk: Europisch-Turkije, Griekenland, de Ionische-republiek, Galicië, de Hongaarsche-landen, Krakau en Oost-en-West-Pruisen-en-Posen. J.H. Laarman. Amsterdam.

1850. De Aardbol. Magazijn van hedendaagsche land- en volkenkunde. Zevende deel: beschrijving van Azië. J.H. Laarman. Amsterdam.

1852. De Aardbol. Magazijn van hedendaagsche land- en volkenkunde. Achtste deel: beschrijving van Afrika. Met platen en kaarten. J.H. Laarman. Amsterdam

1854. De Aardbol. Magazijn van hedendaagsche land- en volkenkunde. Negende deel: beschrijving van Amerika, Australië en van het Zuid-Poolland. Met platen en kaarten. J.H. Laarman. Amsterdam.

 

 

14. Natuurkunde, 3 deelen.

Onvoldoende informatie voor tracering.

 

15. Obreen, Scheepsbouwkunde 2 dln.

= Obreen (Hendrik Adriaan van der Speck), Verhandeling over de zamenstelling en het verband der zeilschepen (Medemblik 1842); Handleiding tot de kennis van het verplaatsen van zware lasten ('s Gravenh. 1862); Beschrijving van de timmerhoutsoorten, die in Europeesch Guiana wassen (Rotterdam 1864).

 

16. Du Hamel du Monceau, Grondbeg. der scheepsbouw, 1 deel. (1757)

= DUHAMEL DU MONCEAU, Henri Louis. Grondbeginselen van den Scheepsbouw, of werkdadige Verhandeling der Scheepstimmerkunst, S' Gravenhage: by P. de Hondt and H. Scheurleer, 1757, 4°, FIRST EDITION IN DUTCH, engraved frontispiece after Ozanne, title in red and black, 24 folding plates on 23 leaves, 7 folding letterpress tables, contemporary speckled calf gilt (neat repairs, upper joints tender), Scott bookplate. [Scott 282]

 

 

 

 

 

 

 

 

17. Tooneel der vereenigde Nederlanden, 2 dln. (1745)

= Francois Halma, Toneel der Vereenigde Nederlanden, En onderhorige landschappen, Leeuwarden, Hendrik Halma, 1745

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

18. Heine, Reis om de Wereld naar Japan. (1856)

= W. Heine [Perry, Commodore] , Reis om de wereld naar Japan, Rotterdam, Nijgh, 1856.

Rotterdam, Nijgh. 1856, First Dutch. Boards, Large 8Vo. VI-486 PP. 8 lithographed plates, lithographed title. The Dutch translation of the voyage by Heine under Commodore Perry. 1853-1855. Among the plates are Tchan-di-Coo-Sah. Schooy, Napa. With the lithographed titlepage, without the often lacking bathing scene. Boards warpled and unfresh, right hand side margin of the prints [only] cut short, but captions are present, some waterstains. A rather poor copy of a scarce book. See: Cordier pp.517. Not listed in Nipponalia. Poor/No Jacket.

 

 

 

 

 

 

19. Clavel, Geschiedenis der Vrijmetselarij. (1843)

= F.B.T. Clavel, Geschiedenis der vrijmetselarij, versierd en opgehelderd door 25 fraaije Staal-gravures, Gouda, G.B. van Goor, 1843

 

20. Kaarten der provincien van Nederland. (plano.)

Onvoldoende informatie voor identificatie.

 

21. Moll, Vormkracht der Aarde. (1820)

= Christian Friedrich Werner, Anthonij Moll, De vormkracht der aarde, of De wording van het menschelijk geslacht door natuurkrachten, Blusse en van Braam, 1820

 

22. Bijbelsch Magazijn, 1 deel. (2e druk 1869)

= Bijbelsch Magazijn voor alle standen ter verspreiding en bevordering van kennis der Heilige Schrift; zamengesteld door vaderlandsche leeraren. Het Nieuwe Verbond. Met 52 Staalgravuren. Derde deel. Tafereelen uit de Geschiedenis van Jezus na zijne herleving, en van de verrigtingen en lotgevallen zijner apostelen, inzonderheid van Petrus en Paulus. Tweede druk. Amsterdam, Bij G. Portielje & Zoon, 1869.

 

 

 

 

23. Titsingh, Bijzonderheden over Japan, 2 dln. (1824)

= Isaac Titsingh, Bijzonderheden over Japan, behelzende een verslag van de huwelijksplechtigheden, begrafenissen en feesten der Japanezen. 's Gravenhage, De Weduwe J. Allart, 1824

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

24. Beknopte alphabetische beschrijving van Nederland, 1 dl.

Niet geidentificeerd.

 

 

25. J. Barrow, Reizen in China, 2dln. (1804)

= John Barrow (1764-1848), Reizen in China, 1804

 

 

26. Bursieux, Snoeijen der fruitboomen.

Niet gevonden.

 

 

27. Krook Tuinboek. (1872)

= J.C. Krook, Handboek bij het aanleggen, beplanten, onderhouden, enz. van tuinen. 1872 (facsimile 1975)

 

 

28. Album der Natuur, 2 dln. (1853)

= Album der natuur, een werk ter verspreiding van natuurkennis onder beschaafde lezers van allerlei stand, Haarlem, A.C. Kruseman, 1853

 

 

29. v. Lennep, Vermakelijke Spraakkunst (1865)

= v. Lennep, Vermakelijke Spraakkunst (1865) [in DBNL]

 

 

 

 

 

 

 

 

30. Arkstee, Nijmegen de oude hoofdstad der Batavieren (1733, 1738, 1788)

= Hans Kasper Arkstee, Nijmegen de oude hoofdstad der Batavieren: in dichtmaat beschreven en met aantekeningen de oudheden van de stad en het quartier van Nijmegen betreffende, opgehelderd. Verm. & verb. dr. dr. I van Campoen, Nijmgen 1888 (derde druk). Eerder verschenen 1733 te Amsterdam, 1738 te ''s Gravenhage.

 

31. Volksmeetk. en Werktuigk. door de M. tot N. v. 't Alg. 2 dln. (1822)

= J.W. Karsten, Volks-Meetkunde, of onderwijs tot nuttig gebruik. In 1822 met goud bekroond door de Maatschappij: tot Nut van 't Algemeen en door haar uitgegeven, te Amst. 1822. 8o. met pl. Dit werk verscheen in het Fransch vertaald onder den titel van: Géométrie pratique à l'usage du peuple, Brux. 1826. gr. 12o.

 

32. Bernstein, Boven lucht en wolken. (1857)

= Boven Lucht en Wolken; of een Togtje door het Wereldruim. Naar het Hoogduitsch van A. Bernstein, door J.J.A. Goeverneur. Te Groningen, bij M. Smit. 1857. In 8vo. 153 bl. f 1-25.

 

33. G. Bancroft, Gesch. der Ver. St. van Noord-Amerika. (1873)

= George Bancroft, Geschiedenis van het ontstaan ende ontwikkeling der Verenigde Staten van Noord Amerika, vertaald door J.W. Straatman, Amsterdam, G.L. Funke, 1873. Vertaling van: Bancroft, George. History of the United States of America, from the discovery of the American continent. (Boston: Little, Brown, and company, numerous editions in 8 or 10 volumes 1854-78).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

34. Alexander de M. De Bijbel in haar eigenlijke waarde, 2 dln. (1859) (deel 1 en 2 over het Oude Testament)

= Alexander de M. is voluit Alexander de Mey van Alkemade (1828-1864). Hij publiceerde in 1859 het boek De Bijbel beschouwd in zijn eigenlijke waarde in drie delen, deel 1-2 over het Oude Testament, deel 3 over het Nieuwe Testament. Het gaat om bijbelkritiek. Zijn boek verscheen bij uitgever F. Gunst, sympathisant van de Vrijdenkers. Hij wordt genoemd door Multatuli (Edouard Douwes Dekker (1820-1887) in zijn Idee 482 als iemand die de waarheid nastreeft. Zie ook: Reformatorisch Dagblad van 2 juni 2008. Cornelis over de Linden behoorde tot de Orde van de Vrijmetselaars.

 

35. John v. Smit, Beschrijving van Indie Ao 1638.

Mogelijk wordt bedoeld:

Kort relaas betreffende de successen in de handel, enz.Generale beschrijving van Indië [van Johan van Twist, vgl. Begin ende voortgangh der Oost-Indische Compagnie II].Remonstrantie (betoog) aan de gouverneur-generaal en de raden van Indië [door Johan van Twist], 1635Publicatie van Johan Cooper Commandeur over de vloot van defensie op de kust van Indië, etc. 1637Relaas van de opperkoopman en fiscaal Johan van Twist betreffende de reis met de vloot van defensie naar de kust van Indië en zijn legatie aan de koning van Visiapour, 1637Remonstrantie (betoog) van het koninkrijk van Malabar. Notitie betreffende de Bengaalse reis.

 

36. Abbe Terson, Het einde der oude en het begin eener nieuwe wereld. (1839)

Het einde der oude en het opkomen eener nieuwe wereld. Strooptogten door het gebied der Rationalisten. Door den Abbé Terson. Naar het Hoogduitsch. Te Groningen, bij J.H. Bolt. 1839. In gr. 8vo. 340 bl.:

Dit boek is, volgens eene aanteekening bl. 287, in Frankrijk als Tijdschrift in losse stukken uitgekomen, en van daar het afgebrokene in vorm en inhoud. Het is, volgens de Voorrede van den Vertaler, uit de Hoogduitsche overzetting overgebragt, om daaruit ook de aanhalingen uit Hoogduitsche en Fransche Schrijvers, waarmede deze verrijkt was, over te nemen: of het om deze reden is, dat het op den titel strooptogten door het gebied der Rationalisten genoemd wordt, of wel om hierdoor dien titel nog des te vreemder te maken en alzoo de aandacht des te meer te trekken, weet Rec. niet; maar wel, dat men bij het gemis van dezen buit even min zou verloren hebben, als bij de terughouding van geheel dit werk. Indien toch ons Tijdschrift eene rubriek had: Boeken, die niet behoorden vertaald of gedrukt te worden, dan zou hij geen oogenblik aarzelen, om dit boek er onder te plaatsen. Bevat het dan volstrekt niets goeds? o ja wel! maar dit is waarlijk niet zoo nieuw of belangrijk, dat men het, als onder eene menigte jammerlijk scheef en eenzijdig voorgestelde dingen

[p. 192]

bedolven, behoeft op te zoeken. Wil men voorbeelden van deze laatste, o! zij liggen overal talrijk voor de hand. - ‘God is,’ volgens bl. 39 en andere plaatsen, ‘het overeenstemmend geheelal, of het algemeene leven, of het oneindige bestaan,’ synoniem met de Natuur, bl. 48, met het leven, bl. 58: ziet daar dus het Pantheïsmus! - ‘Godsdienst is de kennis der overeenstemmende wetten, welke alle wezens en alle persoonlijkheden des algemeenen levens onder elkander vereenigen,’ bl. 36; en, volgens bl. 37, 8, moeten de woorden God en Godsdienst om des volks wille behouden worden. ‘Alle bestaande Godsdiensten vertegenwoordigen niets dan de waarheid van verledene tijden: - de menschheid heeft geen tempel meer, waarin men den waren God prijst,’ enz. (bl. 21, 22.) - De Christelijke Godsdienst. ‘Hare voorbeschikte zending is voleind, wijl ook zij tot het geheel der dingen behoort, die in ons tijdvak eindigen: - haar leerstelsel rust op een valsch grondbeginsel, en hare zedeleer is onvolkomen.’ (bl. 7.) Zij is ‘een Godsdienst der opoffering door verloochening van het verstand en van alle genietingen der wereld.’ (bl. 26.) ‘Nijverheid en handel zijn volgens het Christelijk begrip bloot werken des Satans.’ (bl. 134.) - Van christus wordt, ja, hier en daar veel goeds gezegd; maar bl. 53, 54 lezen wij: ‘Zonder twijfel bereidt zich alles op deze aarde tot de komst van eenen nieuwen even grooten Messias voor,’ enz. ‘hij zal God meer liefhebben, dan jezus christus Hem beminde, die slechts de geestelijke zijde des levens beminde, en deszelfs stoffelijke zijde met een' vloek belaadde’; (foei! welk een heiligschendende laster!!) ‘terwijl de nieuwe Messias alle schijngestalten des levens met gelijke warmte, met dezelfde levendige, dezelfde godsdienstige liefde zal leeren te beminnen.’ - ‘De geest der uitsluiting en onverdraagzaamheid ligt in het wezen des Christendoms,’ enz. (bl. 144, 5): en deze plaats levert ons het bewijs van wat op vele andere plaatsen van dit boek doorstraalt, dat de Schrijver het zuivere Christendom volstrekt niet kent, maar hetzelve met de scholastieke Theo-

[p. 193]

logie niet alleen, maar ook met het Catholicisme, en nog niet eens met het zuiverste en redelijkste, (welks opregte belijders wij achting toedragen) maar met het bigotste en meest Papistische en Jezuitsche verwart, en van daar ook onbepaald laag op de Bedienaars van de Godsdienst valt. - Zoo maakt hij zich ook meermalen aan verdraaijing der heilige Schrift, of aan hatelijke toespeling op dezelve schuldig; b.v. bl. 26: ‘Ieder Christen, die voorbedachtelijk een enkel artikel der Evangelische leer verwerpt, verwerpt de geheele wet. Jezus christus zeide: ‘Wie niet met mij is, die is tegen mij’: hij heeft het oog op jac. II:10 en marc. IX:40; maar hoe ongelukkig! op de eerste plaats wordt van geheel iets anders gesproken; op de tweede staat vlak het tegendeel. - Bl. 41: ‘God beware mij het Christelijk Evangelie te willen nabidden: Gehoorzaamt der over u gestelde Overheid, ook wanneer zij slecht is! Bij God, bij den God der vrijheid der volken, zulk eene taal is goddeloos!’ Men vergelijke I petr. II:18 en rom. XIII:1-5, en zie het onderscheid! - Bl. 56: ‘Ik kom niet, om u het zwaard te brengen, maar den vrede.’ Vergelijk matth. X:34! - De Volken. ‘Het stoffelijk welzijn is hunne dringendste behoefte: - de grootste beschavende kracht bestaat in de inrigting en de voortbrengselen der nijverheid’ (bl. 21.) - Op verscheidene plaatsen wordt van het volk zóó gesproken, alsof dit alleen de armen en de met de handen arbeidende klasse waren; maar is dit dan alleen het volk bij uitstek? zijn er dan onder de andere standen ook geen arbeidende menschen, ook geen lijders? - Zedelijkheid. ‘Alles, wat gewoonlijk met den naam van zonde, misdaad, ondeugd, ongeregtigheid en wanorde bestempeld wordt, verdient al deze benamingen slechts in eenen betrekkelijken zin.’ (bl. 84.) ‘Doet ieder, wat hem behaagt, d.i. volgt hij zijne roeping,’ (zijn dit synonieme spreekwijzen?) ‘dan moet noodwendig het lijden der menschheid en der enkele personen aanmerkelijk verminderd worden; alsdan zal de mensch waarlijk vrij zijn.’ (bl. 165.) - ‘Wetenschappen, liefde en nijverheid zijn de drievoudige uitdruk-

[p. 194]

king des levens,’ bl. 157; maar bl. 166 komt de kunst in plaats van de liefde; en waar blijft dan deze, waar de zedelijkheid? - ‘De oude zedeleer gaat in hare treurige gevolgtrekking zoo ver, dat zij getrouwde personen, wier band zij onverbrekelijk verklaart, wederzijdsche liefde ten pligt maakt. Kunnen dan een man en eene vrouw, wijl zij elkander thans beminnen, daarom ook beloven, dat zij elkander altijd beminnen zullen?’ (bl. 283.) - ‘Egoismus is niets anders dan zichzelven boven alles te beminnen: wie kan of mag dit den menschen verbieden of ten kwade duiden?’ (bl. 174.) - Van een toekomstig leven vindt men in dit boek met geen woord gerept; ja bl. 175 schijnt het met eene magtspreuk weggeredeneerd, en althans liever de eigenliefde als drangreden tot het goede aangeprezen, en bl. 217 en volgg. die toekomst ten minste als vrij problematiek gesteld te worden.

Rec. zou nog veel meer staaltjes van zulke fraaijigheden kunnen aanwijzen; maar hij meent genoeg gezegd te hebben, om te doen zien, dat het goede, ofschoon niet nieuwe, 't welk hij niet ontkent hier en daar in dit boek voorhanden te zijn, zoo zeer onder het slechte bedolven, het bezadigde en het overdrevene, het ware en het valsche, het wezenlijke en het hersenschimmige zoo onder elkander vermengd en verward is, dat het de moeite niet zou beloonen, er zich tot schifting en scheiding langer mede op te houden: en wat de man eindelijk dan nog met zijn einde der oude en opkomen eener nieuwe wereld bedoelt, en van waar, van wien, op welke gronden en door welke middelen hij dit verwacht, dit is door al zijn geschrijf ons niet gebleken. Hoe dit produkt, tegen welks gedreigde voortzetting wij, in naam des Christendoms en des gezonden verstands, ernstig protesteren, in ons verlicht en godsdienstig Vaderland eenen Vertaler en Drukker vond, kunnen wij ter naauwernood begrijpen. Bron: DBNL

 

 

37. Volney, de Ruinen. (1796, 1924)

= Constantin Francois Chasseboeuf comte de Volney (C.F. von Volney) (1757-1820), de ruinen of overdenkingen over de Staatsomwent. Haag en Delft Leeuwenstein en Roelofswaert 1796. [Ook: De puinhopen] Vertaling van: Volney, Les ruines ou Meditation sur les révolutions des Empires. Précédé d'une notice par le comte Daru, Paris, 1826. Réédition (1789, édition princeps).

Zie ook: 92 (oorspronkelijke tekst)

 

Uit de volgende brief blijkt, dat de uitgave niet werd verkocht op de veilingl

 

Brief van J.G. Ottema aan L.F. over de Linden d.d. 19 mei 1877: Dear Sir! The publication of your defence was well received. Whoever I asked thought the booklet was well written and had read it with pleasure. I sent a copy to Dr. Vitringa, trusting that he will mention it in the Deventer Newspaper, just like he discussed Beckering Vinckers' brochure. As always busy researching, rethinking and collecting, I have elaborated a comment these days, that I will explain to you. Concerning the manuscript it is important, specially because Suffridus Petrus, de Scriptoribus Frisiae mentions in his introduction, that Friso left several writings, one of them a travel diary and biography; that he had written them in the Frisian language and with Greek characters, and that his successors wrote just like that, until the times that the Roman script became current in Germania. He did not mention how or where he had learned about that (as was not his habit), but he can not have sucked that out of his thumb. Something must have come to his knowledge of Frisian notes, from the times in which the Ovira Lindas wrote, and that travel diary (about the journey from India to Friesland) may be related to Ljudgert's diary. Informations like this from Suffridus used to be considered as fabulations, but among those fabulations there may turn out to be more truth than was presumed. It is also acknowledged that Suffridus Petrus never lied, but that he would have copied from earlier sources. Recieve this letter in good health and be friendly greeted. P.S. I may have an immodest request: can I keep the copy of Volney, as a souvenir to your father? [Vert. J. Ott].

 

G.J. van der Meij, Kanttekeningen, p.186. Over de Linden was eveneens in het bezit van een Nederlandse vertaling - de Ruïnen - uitgegeven bij Leeuwenstein en Roelofswaert, den Hage en Delft, waarvan het jaartal op de titel pagina gedeeltelijk werd weggescheerd. (nu in de Provinciale Bibliotheek) . Zichtbaar zijn nog twee C's, voorafgegaan door een verminkte D. Aan de andere zijde van de titelpagina vinden we een overgeplakt etiketje, waarop tegen het licht gehouden, heel duidelijk de naam van de veelbesproken ,,Ernst Staderman'' te lezen is, de erudite buurman van C. Over de Linden, die door sommigen voor de auteur van de Kroniek werd gehouden. Onder de naam staan nog twee letters, D - j -, die niets ophelderen.

 

 

 

38. Mercier, Het jaar 2440 in 3 deelen. (1794)

Wordt vermeld in Konst en letterbode, 1794. Het boek inspireerde Betje Wolff tot het schrijven van Holland in het jaar 2440. Het meest bekende werk van Mercier is waarschijnlijk L'An 2440, rêve s'il en fût jamais, uitgegeven vanaf 1770 en uitgebreid met een dertigtal nieuwe hoofdstukken in 1786. Dit werk kan worden beschouwd als de eerste moderne sciencefictionroman. In deze roman vertelt de schrijver dat hij in 1770 in slaap is gevallen en dat hij ontwaakt in 2440, in een Frankrijk dat is bevrijd door een rustige en gelukkige revolutie. De roman speelt zich dus af in de toekomst en toont het contrast tussen het absolutisme en de vrije samenleving. De verteller brengt een bezoek aan Versailles en treft het paleis aan, dat ondertussen een ruïne is geworden. Hij ontmoet er een oude man, die Lodewijk XIV blijkt te zijn. Deze begint te huilen omdat hij zich schuldig voelt. Op het einde van het verhaal wordt de verteller wakker en beseft hij dat het allemaal maar een droom was.

 

 

 

 

 

39. Weiland, Nederduitsche Spraakkunst (1805, 1829)

= P. Weiland, Nederduitsche Spraakkunst, uitgegeven in naam en op last van het Staatsbestuur der Bataafsche Republiek, Amsterdam, Johannes Allart, 1805.

 

 

 

 

 

 

 

 

40. Elsner, Galvanische vergulding en verzilvering. (1856)

= Leonhard Elsner: Die galvanische Vergoldung und Versilberung sowohl Matt als glänzend. 3. Auflage. Amelang, Leipzig 1856.

 

41. Meijer's Woordenschat

Woordenboek, wordt vermeld in de literatuurlijst van het Friese woordenboekje van Mr. de Haan Hettema.

Uit de correspondentie van Ottema en Over de Linden weten wij dat eerstgenoemde heeft geadviseerd over de keuze der Friese boeken en Over de Linden o.a. attent heeft gemaakt op het Friese woordenboekje van Mr. de Haan Hettema.In de literatuurlijst van dit woordenboekje vermeldt Hettema dat hij o.a.‘Meyer's Woordenschat'' heeft geraadpleegd en in de bibliotheek van Over de Linden vinden we datzelfde boekje onder no. 41. Bron: G.J. van der Mey, Kanttekeningen, pag. 195

 

42. De Aarde en hare volkeren (blad 1-52)

Vermoedelijk gaat het om het begin van de reeks De aarde en hare volkeren/volken van Prof. dr. Willi, deel 1 Europa, deel 2 zie en Afrika, deel 3 Amerika, Australie en de Poollanden, die eerst in 1931 werd afgesloten.

 

43-47. Onze Tijd, 22 deelen met 1 Kronijk (gebonden) en 1 jaargang in afleveringen.

Mogelijk gaat het om het tijdschrift Onze Tijd, 1872, deel 1.

 

48. P. Harting, De macht van het kleine zigtbaar. (1849)

 

= Harting, P. (1812-1885), De macht van het kleine, zichtbaar in de vorming der korst van onzen aardbol, of overzicht van het maaksel, de geographische en de geologische verspreiding der polypen, der foraminiferen of polythalamiën en der kiezelschalige bacillariën of diatomeën. Utrecht, Van Paddenburg, 1849.

 

Pieter Harting (Rotterdam, 27 februari1812 – Amersfoort, 3 december1885) was een Nederlands bioloog, arts, farmacoloog, wiskundige, methodoloog en hydroloog. Hij is vooral bekend vanwege zijn biologische werk, zijn verbeterde ontwerpen van microscopen en zijn studies naar de ondergrond van West- en Midden Nederland. Hartings vader was koopman maar overleed al toen Pieter zeven jaar oud was. Omdat hij al op jonge leeftijd geïnteresseerd was in natuur- en scheikunde liet zijn moeder hem privélessen volgen en vanaf 1823 bezocht hij de Van Kinsbergenschool in Elburg. In 1828 begon hij aan de Universiteit Utrechtmedicijnen te studeren, een vakgebied waarin hij in 1835 promoveerde. Na enkele jaren als arts in Oudewater te hebben gewerkt werd hij in 1841 hoogleraargeneeskunde aan het Athenaeum vanFraneker. In 1837 trouwde hij met Catharina Susanna Goetzee. Na de sluiting van het Athenaeum in 1843 vond Harting werk aan de Universiteit Utrecht, eerst als buitengewoon hoogleraar en vanaf 1846 als gewoon hoogleraar in de farmacologie en plantenfysiologie. In 1846 wijzigde hij zijn leeropdracht in wiskunde en proefondervindelijke wijsbegeerte, vanaf 1855 ook dierkunde. In 1856 werd hij directeur van het dierkundig museum. Harting was lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en kreeg een eredoctoraat uitgereikt van de universiteit van Leiden. Hij ging in 1875 met emeritaat en stierf in 1885 aan de gevolgen van een beroerte. Als deskundige had Harting zitting in vele commissies. Samen met Jacob van Breda, Friedrich Miquel en Winand Staring zat hij in de eerste commissie voor het maken van een geologische kaart van Nederland, die in 1852 was ingesteld door Thorbecke. Harting was naast zijn onderzoek ook politiek en maatschappelijk actief, hij schreef een aantal artikelen over het lot van de werkende klasse en het volksonderwijs en steunde de Boeren tijdens de Boerenoorlog. Hij was met Abraham Kuyper mede-oprichter van de Nederland Zuid-Afrika Vereniging (NZAV). Deze vereniging werd in 1881 opgericht en Harting werd vanwege zijn doofheid, die een grotere activiteit verhinderde, erevoorzitter. Door tegengestelde levensbeschouwelijke opvattingen (Harting: agnost en liberaal; Kuyper: streng gereformeerd) is deze vereniging enkele jaren later al opgehouden te bestaan. Harting was agnost, een groot voorstander van crematie en een bestrijder van spiritisme en alcoholisme. Zijn kennis op het gebied van de ondergrond gebruikte hij om aan te geven hoe de drinkwatervoorziening van Amsterdam verbeterd kon worden. Popularisatie van wetenschappelijke kennis beschouwde Harting als een vanzelfsprekende taak van iedere wetenschapper. Hij bracht dit ook in praktijk door veel voor iedereen begrijpelijke artikelen te schrijven over moeilijke onderwerpen. Hij was met Willem Martinus Logeman en Douwe Lubach oprichter van het later populaire tijdschrift Album der Natuur ('Een werk ter verspreiding van natuurkennis onder beschaafde lezers van allerlei stand') waarin hij zeer vele populair-wetenschappelijke artikelen schreef. In hetzelfde licht moeten zijn inspanningen op het gebied van de bestrijding van schoolverzuim gezien worden. Hij zette zich hier samen met zijn broer Dirk Harting sterk voor in. Harting was één van de eerste Nederlandse geleerden die de evolutietheorie aanvaarden. Hij correspondeerde met Darwin en werd beschouwd als één van de vurigste verdedigers van Darwins ideeën in Nederland. Harting publiceerde tijdens zijn tijd in Franeker al enkele artikelen over zijn microscopisch onderzoek van plantaardig en dierlijkweefsel. Harting onderzocht op veel plekken in Nederland de ondergrond en werkte samen met Winand Staring bij het maken van de eerste geologische kaart van Nederland. Hartings onderzoek spitste zich toe op twee gebieden: de diepte van grondwater (hydrologie) en de opeenvolging van sedimentlagen aan de hand van microfossielen en mollusken (biostratigrafie). Hij onderzocht de ondergrond onder oa. Amersfoort en Amsterdam en definieerde het tijdperk Eemien aan de hand van sedimenten en hun fossielinhoud in de Eemvallei. Het hydrologisch onderzoek van Harting ging vooral uit naar de waterkwaliteit en de fysische processen van grondwaterstroming. Zijn poging de stijghoogte van grondwater te verklaren was niet helemaal correct, een paar jaar later zou dit de Fransman Henry Darcy met de naar hem genoemde wet wel lukken. Verder deed Harting onderzoek in de zoölogie, botanie, ethnologie en psychologie. Hij ontwierp naast microscopen een aantal apparaten: een hygrometer, een fysometer, een atmometer en een kefalometer. Hij was de eerste die in 1872 biomineralisatie onderzocht en er in slaagde concreties uit calciumcarbonaat en eiwit te verkrijgen. De microscopie had Hartings speciale aandacht. Hij was heel geïnteresseerd in de historische ontwikkeling van de microscoop en de vervaardiging van lenzen, immersievloeistoffen, etc., en schreef daar verschillende artikelen en boeken over. In Utrecht ontdekte hij de Van Leeuwenhoek microscoop en de Huygenslens. Hij bouwde ook zelf microscopen en groeide uit tot een internationaal expert op het gebied van de microscopie. Zijn boek Het Microskoop, waarin hij naast de techniek zowel biologische, scheikundige als mineralogische toepassingen van de microscoop beschreef, bleef lange tijd een standaardwerk. Het boek werd in verschillende talen vertaald, waaronder het Duits. Als eerste in Nederland voerde Harting in Utrecht voor studenten een microscopie practicum in, waar zij zich met de apparatuur vertrouwd konden maken. Hij richtte daartoe een microscopisch laboratorium op, dat omstreeks 1850 tot het beste van Europa gerekend kon worden. Veel van Harting's publicaties zijn geïllustreerd met tekeningen van zijn eigen microscopische preparaten. Voor metingen aan zijn microscopische studie-objecten voerde Harting in 1845 een nieuwe lengtemaat in: de millimillimeter (mmm). Deze maat werd later omgedoopt tot micron of µm. In de Zuid-Afrikaansche Republiek werd naar Harting een plaats vernoemd: Hartingsburg. Deze plaats werd later door de Engelsen Warmbaths genoemd en tegenwoordig is de naam 'Bela Bela'. In Nederland is één straat die vernoemd is naar Harting (de Hartingstraat in Utrecht). Onduidelijk is echter of deze straat naar Pieter Harting of naar een andere Harting vernoemd is. Zowel in de geologie als in de biologie is Harting vernoemd. In de Nederlandse geologie bestaat de term 'Laag van Harting'. Dit is een organische laag aan de basis van veel mariene afzettingen met een Eemien ouderdom in het typegebied van dit interglaciaal. In de biologie zijn tenminste twee diersoorten naam hem vernoemd: Architeuthis hartingii (Verrill, 1875), een pijlinktvissoort en Spisula hartingi Spaink, 1958. De laatste soort werd beschreven uit mariene lagen uit het Eemien maar wordt nu beschouwd als een jonger synoniem van (Spisula subtruncata (Halfgeknotte strandschelp). Bron: Wikipedia

 

49. Fokke Simonsz. Lucifer. (1799, 1835)

= Arend Fokke Simonsz., Verzameling der werken. Leven van Lucifer. Amsterdam. J.C. van Kesteren, 1835. [deel 4 van 12 delen].

'Levenvan zijne excellentie (...) Lucifer de Groote' verscheen voor het eerst in 1799. Het is een luchtige verhandeling over de duivel, volgens Fokke in het voorwoord alleen maar bedoeld als ontspanningslectuur. Misschien toch niet helemaal zeker van zijn zaak voegde hij er nog aan toe dat er geen sprake was van "misbruik van gewijde zaken", maar dat kon niet voorkomen dat hij er in de 'Nieuwe Vaderlandsche Biliotheek', een tijdschrift van orthodox-protestantse signatuur, stevig van langs kreeg, omdat men vond dat hij wel degelijk had gespot met gewijde zaken. In deze uitgave is de recensie én Fokkes weerwoord opgenomen. In 1808 gleed hij opnieuw uit tijdens een voordracht in de sociëteit 'Doctrina et Amicitia' over homiletiek [leer van de kanselwelsprekendheid], maar nu waren de gevolgen veel ernstiger: hij werd uit het genootschap gestoten, waarmee hij ook zijn ambt van lector (vaste, betaalde verhandelaar) verloor, en dat was een zware slag voor Fokke die van zijn slecht betaalde baantje bij de gemeente toch al nauwelijks rond kon komen. Bron: Antiquariaat van der Steur.

 

50. Meilink, Lessen over Scheikunde.

= Allereerste Beginselen der Scheikunde. Eene Handleiding voor allen, die eene oppervlakkige kennis dezer wetenschap wenschen te verkrijgen. Door B. Meyink, Phil. nat. Doctor, Apotheker en Chemist te Deventer. Iste Stuk. Te Deventer, bij A. J. van den Sigtenhorst. 1835. In kl. 8vo. 170 bi.  Recensie (Vaderlandsche letteroefeningen): Wanneer men den bloei eener wetenschap in ons vaderland moet afmeten naar het aantal der daarover uitgegevene vertaalde en oorspronkelijke Handboeken van grooteren en kleineren omvang, dan bloeit thans hier te lande geene meer en algemeener, dan de Scheikunde. Verbazend is het aantal van werken over dit deel der natuurkundige wetenschappen, welke in de laatste twaalf jaren bij ons het licht zagen. Als een vademecum voor hen, die met eene oppervlakkige kennis tevreden zijn, geeft Dr. Meilink dit werkje bij den grooten' hoop toe. Dit stukje staat door een tweede gevolgd te worden, en daarmede zal het werk, blijkens het Voorberigt, voltooid zijn. Wij verwachten echter, dat het dan eenigzins lijviger zal zijn dan het eerste, hetwelk slechts een klein gedeelte van het chemische leerstelsel bevat. Het is in veertien Lessen verdeeld, waarvan deze de opschriften zijn: I. Inleiding; II. over de natuurkundige eigenschappen der ligchamen; III. over de benamingen in de Scheikunde, of de scheikundige nomenclatuur; IV. over de scheikundige verwantschap; V. wetten, volgens welke de ligchamen zich onderling verbinden — Aequivalenten — Atomistische theorie; VI. over de scheikundige bewerkingen; VII. over de herkenmiddelen; VIII. over de warmtestof; IX. over de lichtstof; X. over de electrieke stof, galvanische stof en magnetische stof; XI. over de dampkringslucht, de zuurstof en de stikstof; XII. over de verbranding en de ademhaling; XIII. over de waterstof; XIV. over het water. Achter elke les zijn korte vragen gevoegd, welke de hoofdzaken in het geheugen terugroepen en tot oefening van den leerling kunnen dienen. Een oordeel over het geheel kan eerst na voltooijing van het werkje geveld worden. Over het geheel bevat het veel bruikbaars, hoezeer er op enkele zaken aanmerkingen te maken zijn. Het is zeker eene vergissing, wanneer Wij op bl. 30 Cinnaber zwavel' weede-kwikoxyde zien noemen. Dat er, zoo lang de levenskracht bestaat, nimmer eene scheikundige verwantschap plaats kan hebben, bl. 36, is een te algemeen gezegde. De beroemde natuurkundige Euler wordt op bl. 102 tweemalen Uiler genoemd, zoodat wij hier bijkans aan geene drukfout kunnen denken. Ook zijn de bepalingen, in dit boekje voorkomende, veelal gebrekkig. Van de galvanische stof spreekt de Schrijver bl. 119 zoo, dat de lezer nu niet weet, of zij van electriciteit al dan niet onderscheiden is. Hetgeen over de warmte bij de verbranding gezegd wordt, is geheel onvoldoende; ook kan men de zon, als men haar niet als een vuurbol beschouwt, toch niet wel voor eene bewoonbare planeet aanzien (bl. 91). Nog andere zaken, die wij bij het doorlezen opmerkten, zouden wij kunnen vermelden, zoo wij niet verzuimd hadden dezelve op te teekenen.

 

51. De Vries & te Winkel, Woordenlijst der Nederl. Taal. [1872]

Zie afb.

 

52. De Fr.-Eng.-Russ.-Oorlog in 2 deelen (Plaatwerk)

Niet geidentificeerd.

 

53. Bernstein, Het leven der planten, menschen en dieren (1866).

Vaderlandsche Letteroefeningen. L.E. Bosch en zoon, Utrecht 1866, pag. 439 (DBNL). Ter beoordeling ontvangen. Eerder verscheen een recensie van de editie van 1858: Aron Bernstein, Het Leven der Planten, Dieren en Menschen. Naar het Hoogduitsch door G.H. Rissik. 1e afl. Rotterdam, Hendrik Altmann, 1858

Dubbelrecensie in:Vaderlandsche Letteroefeningen. P. Ellerman, Amsterdam 1858

1. Over het gebruik van Baden en hun invloed op het Ligchaam. Door A. Bernstein. Naar het Hoogduitsch. Rotterdam, Hendrik Altmann. 1858. In gr. 8vo. 55 bl. f :-50.

2. Het Leven der Planten, Dieren en Menschen. Door A. Bernstein. Naar het Hoogduitsch door G.H. Rissik. 1e Aflev. Rotterdam, Hendrik Altmann. 1858. In post 8vo. 48 bl. f :-30 per Aflev. Compl. in 8 à 9 Afleveringen.

Bernstein's naam is door de vertaling van verschillende werkjes, van zijne hand afkomstig, bij onze landgenooten reeds zeer gunstig bekend, als die van een Schrijver, die bijzonder de gave bezit om onderwerpen op het gebied der natuurwetenschappen populair te behandelen. Zoowel de wijze van voorstelling - waarbij hij dikwijls aardige beelden gebruikt, die zich

[p. 669]

gemakkelijk in het geheugen prenten, omdat zij gewoonlijk aan het dagelijksch leven zijn ontleend, als de gang van zijn betoog zijn zoodanig, dat de waarheden die hij mededeelt, gemakkelijk ingang vinden, ook bij dengene die alleen met een goed, gezond verstand gewapend, zich aan het lezen van zijne geschriften zet. Daarom evenwel is niet juist alles wat aan bernstein's pen ontvloeit, aanbevelenswaardig, en kan Ref., het tweede der bovengenoemde werkjes ten zeerste aanbevelende, niet anders dan een afkeurend oordeel over het eerstgenoemde vellen. Dat oordeel geldt echter alleen den inhoud der mededeeling, waarin vele onjuistheden zijn op te merken. Wat de wijze van voorstelling zoowel als den gang van de redenering betreft, daarvan geldt wat ik reeds zeide. Dat dit min gunstig oordeel gegrond is, zal uit het een en ander, wat ik hier uit het werkje wensch aan te halen en nader toe te lichten, wel blijken. Wij vinden op bl. 9 vermeld, dat de dood volgt na verbranding van een groot gedeelte der huid, ‘omdat de oppervlakkig(?) verbrande huid de uitwaseming en de inwerking der lucht verhindert.’ Die stelling, zóó voorgedragen, is onhoudbaar, want al mogen we het hier aangeduide niet buiten rekening laten, schijnt het toch bijna niet te betwijfelen, dat de geweldige prikkel, door de verbranding op de huidzenuwen aangebragt, en de schok, daardoor in het geheele zenuwstelsel veroorzaakt, van veel grooteren invloed is. Daarom bezwijken kinderen ook zoo ligt ten gevolge daarvan, en wel gewoonlijk, als bewijs van de overprikkeling, onder stuipen. Daar is dus zeker waarheid in de bewering van den Schrijver, maar hij heeft het voornaamste over het hoofd gezien, en geeft daardoor aanleiding tot eene verkeerde voorstelling. - Op bl. 17 vinden we weêr gesproken van eigenaardige stoffen in het zweet, waarvan het schadelijk zijn zou, als de in het ligchaam bleven. Waarlijk, wel eene voorstelling uit de oude doos! eene voorstelling, die door niets bewezen wordt, en als poging tot verklaring van sommige verschijnselen onwettig is, omdat die verklaring zeer goed buiten deze onbewezene voorstelling om kan geschieden. Geneeskundigen zijn reeds lang hierop gewezen door de beide beroemde Duitsche Hoogleeraren henle en lotze. Voor niet-geneeskundigen, die, al is het dan ook ter loops,

[p. 670]

even aangewezen willen zien, op welken grond die onder hen zoo gangbare voorstelling voor onjuist verklaard wordt, zij gezegd, dat niemand nog die eigenaardige schadelijke stoffen in het zweet heeft kunnen aantoonen, dat de riekende stof in het zweet ook al niet het schadelijke is, en dat vele dieren weinig of geen zweetkliertjes bezitten, hoewel hunne levensuitingen, voor zooveel het er hier op aankomt, gelijk zijn aan die bij den mensch. En toch verheug ik mij, wanneer ik een ernstig zieke in een zoogenaamd weldadig zweet zie liggen. Waarom? het is mij een bewijs, dat de onregelmatige verdeeling van het bloed en de stoornis in de verrigting der huidzenuwen, waarop de ziekte berustte, wijkende is. Niet het zweet, dat ik op de huid zie - water met eenige zoutdeelen en riekende stoffen - heeft den lijder verligting gegeven, maar dat hij zweeten kan, verligt hem. Onjuist is het ook, wat de Schr. op bl. 15 beweert: ‘de weg van binnen naar buiten is in de huid zeer vrijgevig geopend; de weg van buiten naar binnen is veel minder open.’ Als de Schr. zich maar eens aan eene met waterdamp verzadigde lucht van bloedwarmte wil blootstellen, zal hij daar nog al geen klagen over hebben, denk ik. Eene opmerking, als die de Schr. daar maakt, komt zoo ligt in ieder op, en is zóó oppervlakkig, zóó onjuist, dat de Schr. eer daartégen had moeten spreken. En dan krijgen we bl. 20 en 21 een onduidelijk en omslagtig betoog (dat we voor dezen keer niet populair kunnen noemen, evenmin als dat wat op bl. 14 over electriciteit in het ligchaam gezegd wordt), waarvan de uitkomst zeer juist is: dat de zweetkanalen niet voldoende zijn, om te verklaren de groote hoeveelheid water die men door de huid heen verliest. De Schr. maakt eenige bedenkingen tegen de proeven, waarmede men deze uitkomst heeft aangetoond, en neemt dan zonder verder die uitkomst aan, zelfs niettegenstaande het contra-argument, dat hij ten slotte aanvoert: ‘Eindelijk kan ook niet buiten rekening blijven, dat het menschelijk ligchaam zoo is ingerigt, dat het aanhoudend in zich zelf warmte voortbrengt en toch nooit warmer dan 30 graden [wél te verstaan 30or.] kan worden; [juist, maar nu het salto mortale!] de verdamping moet dus vermeerderen, omdat de mensch hierin in zeker opzigt aan eene vloeistof gelijk is, die reeds bij 30 graden

[p. 671]

kookt, en dus nooit hooger dan 30 graden verwarmd kan worden.’ Daarvan begrijpt Ref. niets, letterlijk niets. En als hij dan bedenkt, dat al die omhaal van woorden, nog daargelaten de ongerijmdheid, die er in verkocht wordt, nergens toe dient, en dat het veel beter geweest was als bernstein of de Vertaler, die het werkje ‘naar het Hoogduitsch’ [zegge: niet uit, maar naar] bewerkt heeft, kennis hadden gehad van hetgeen Prof. meissner uit Bazel in het vorige jaar meêgedeeld heeft over de zweetklieren! Meissner heeft namelijk waarschijnlijk gemaakt (zijne onderzoekingen over dat punt zijn nog niet afgeloopen), dat de zweetkliertjes niets met het zweet te maken hebben, dat door de huid algemeen afgescheiden zou worden, maar dat zij de huid - b.v. van de handpalm, de voetzool, die nooit zweeten - inöliën, vettig maken. Toen men het eerst de zweetkliertjes ontdekte, was men, zooals zich begrijpen laat, aanstonds bij de hand om hier de afscheiding van het zweet te doen plaats hebben, en sedert heeft men het op goed vertrouwen, maar zonder nader onderzoek, geloofd. Zoo zeer is den mensch dus het gelooven van nature eigen, dat hij het te naauwernood ter zijde stellen kan op het gebied van eene wetenschap, die het niet gelooven, maar zien, voelen, enz. als eerste regel gesteld heeft. Nu dan! bernstein's geleerd betoog en verdere afleidingen is na die ontdekking, zooals ze zeker weldra zal mogen heeten, van meissner, meer dan overbodig, wat trouwens niet zijne schuld zijn zal.

Op bl. 29 vinden we weêr zoo'n bewering op lossen grond: ‘Wij verzekeren dat het grootste aantal der gewone ziekten zijnen grond in onderdrukte huidwerkzaamheid heeft.’ Wanneer er nu niets meer gezegd werd dat dit, zou Ref. daar vrij wel vrede meê hebben kunnen, maar wanneer die onderdrukking der huidwerkzaamheid blijkens het verband, waarin de zin voorkomt, toegeschreven wordt aan geheel veronachtzaamde of onvoldoende reiniging van de huid, dan moet Ref. tegen die uitspraak opkomen. En dat, niettegenstaande hij zelf, meer dan thans geschiedt, het gebruik van baden ten onzent algemeen zou wenschen te zien. Maar men wete ook wel wat men wil. Waarlijk, niet ligt zal onreinheid een dergelijk gevolg kunnen hebben, want eer het zoover komt, zullen de kleine huidschubjes - die voortdurend als afgeleefde deelen van de oppervlakte afgestooten worden, wanneer die afstooting

[p. 672]

verhinderd wordt door vuil, dat ze op het ligchaam doet kleven - jeuking veroorzaken. En onder die omstandigheden beloont de natuur dengene die aan hare stem gehoor geeft - om het vreemd gewordene te verwijderen - door het aangename gevoel van welzijn, dat ieder wel weten zal, dat met het krabben gepaard gaat. Zij, die nog mogten meenen, dat alles in de natuur tot nut en voordeel van den mensch gegeschapen is, zouden hierin met den Berlijnschen natuuronderzoeker schultz-schultzenstein het nut kunnen zien van de parasiten, die de onreine mensch kweekt. Hierdoor toch wordt deze gedwongen, om, al is het maar voor zooveel hij dat met zijne nagels doen kan, zijne huid van de aanklevende schubjes te reinigen, en zeker is de bewering van den genoemden geleerde niet de meest ongerijmde van die, welke hij verkondigd heeft. Maar genoeg hiervan! Ref. wil het gevoel der lezers sparen meer dan menig romanschrijver, die de verzwelgers van zijne voortbrengselen zelfs huiveringen en rillingen over het lijf doet loopen, en wil hen dus van verdere uitweiding over dit onderwerp verschoonen. Maar ook van verdere uitweiding over het boekje, dat aanleiding gaf tot deze aanmerkingen. En hoewel hem bij het verder doorzien nog overvloed van onjuistheden voorkwam, wil hij alleen uit het hier beschouwde gedeelte de opmerking maken, dat hij niet begrijpt hoe ‘op het water opgeloste vetdruppels ronddrijven’ kunnen (bl. 26). Als vet opgelost is, wat het in water niet kan (ook in zweet niet), drijft het niet in druppels rond, en als het in druppels op eene vloeistof ronddrijft, is het niet opgelost. Hoe de Schr. aan de bewering komt, dat vleesch-etende dieren geene zweetporiën hebben (bl. 14), is ook onbegrijpelijk. Zij komen toch voor zoowel bij den hond, als bij de kat, en de laatste vooral is - met hare naaste verwanten, leeuw en tijger - het meest uitgezochte voorbeeld van een vleesch-etend dier. Voor den Vertaler zij opgemerkt, dat het eerste Hoofdstuk handelt niet over ‘wat het water al niet vermag’, zooals het opschrift luidt, maar over wat het water wel vermag. Verder dat ‘eigendommelijk gewonden’ een vrij krasse Germanisme is, en dat gazen het meervoudig is van gaas. Voor het meervoudig van gaz, waaraan wel niemand ten onzent het burgerregt ontzeggen zal, denk ik dat men wel gassen zal dienen

[p. 673]

te zeggen, als men ten minste het omslagtige gazsoorten vermijden wil, wat billijk schijnt. Van de uitdrukking: ‘zwavelverbinding’, in plaats van zwavelzuurverbinding, weet ik niet, of zij van den Schr. dan wel van den Vertaler afkomstig is. En wanneer de Schr. verzuimd heeft te zeggen, dat zijne opgaven van temperatuur naar de schaal van réaumur genomen zijn, had de Vertaler dat verzuim wel mogen herstellen, of liever nog die graden tot de bij ons in het dagelijksch leven gebruikelijke schaal van fahrenheit mogen herleiden. Na al het aangevoerde zal men, vertrouw ik, het afkeurend oordeel in den aanvang dezes over het eerst beschouwde werkje van bernstein geveld, wel gewettigd vinden. II. Dit werkje verdient zeer aanbevolen te worden, even als het bekende: ‘Boven Lucht en Wolken’, van denzelfden Schrijver, dat door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen in duizende exemplaren verspreid werd. Het bezit de eigenaardigheden van voorstelling en schrijfwijze, die bernstein's andere werkjes zoo geschikt maken voor het volk, en lijdt niet aan zulke grove onnaauwkeurigheden en verouderde denkbeelden als het eerst beoordeelde. Toch vinden we ook hier enkele onjuistheden, hoewel niet van dien aard, om aan het werkje zijne verdiensten te ontnemen. Zoo wordt op bl. 24 gezegd: ‘Er is in de geheele wereld geen enkel niet levend ligchaam, waarin deze drie stoffen (dat wil zeggen: koolstof, waterstof en zuurstof) scheikundig verbonden zijn.’ Als de Schr. hier bedoelde, dat alleen door levende ligchamen verbindingen van die drie stoffen ontstaan, zou zulks geheel onjuist zijn, want reeds lang is het aan de scheikunde gelukt om uit die stoffen, zonder tusschenkomst van planten of dieren, dergelijke verbindingen te doen ontstaan, zooals mierenzuur, zuringzuur, azijnzuur, enz., en laatstelijk zelfs alcohol en suiker. Als de Schr. dit niet bedoelde, wat ik zeer wel geloof, was die uitkomst, die men een tijd lang als boven het bereik der kunst beschouwd had, toch wel der vermelding waard geweest. Op bl. 28 lezen we: ‘Levende wezens bestaan geheel uit - cellen’, wat juister zijn zou: ‘bestaan, of ten minste ontstaan,’ want vooral bij de dieren ondergaan de cellen tot de vorming van volkomen weefsels zoovele veranderingen, dat men bij de beschouwing van die weefsels hun ontstaan uit cellen niet vermoeden zou, en ze ook voor het meerendeel niet vermoedde,

[p. 674]

voordat men ze in hun eerste ontstaan bespiedde. Dat ook niet alle (lees: al) onze huisdieren alleen plantaardig voedsel eten, weet ieder beter van den hond en de kat. Ook zal het zeer weinigen onbekend zijn, dat het hoen wel iets anders tot zich neemt - en zelfs gretig - dan plantenkost. Evenmin is het juist, wat op bl. 91 beweerd wordt, dat de vermeerdering der infusoriën voor het grootste gedeelte een gevolg is hunner paring. Wanneer men dat woord neemt in den zin, die er tegenwoordig aan toegekend wordt, dan mag men integendeel beweren, dat de ontdekking van eene paring, die ook bij deze mikroskopische wezentjes plaats heeft - eene ontdekking, die eerst van den laatsten tijd, en als ik mij niet bedrieg, van dit jaar dagteekent - de natuuronderzoekers zeer verrast heeft. Vroeger meende men, dat bij hen alleen eene geslachtelooze vermeerdering, eene vermeerdering door knoppen, of door deeling, of door kiemen plaats vond, en zij blijft in ieder geval de meest voorkomende wijze. Van verdere opmerkingen - niet zoo zeer aanmerkingen - als over ‘het leven der aarde’, enz. onthoud ik mij. Voor den Vertaler zij nog aangemerkt, dat de uitdrukking: de ingewandsworm, die ‘eene soort van vin vormt’, ten eenenmale onbegrijpelijk is. Althans Ref. herinnert zich niet, dat het woord vin (Duitsch: Finne) ooit op een scolex van ingewandswormen is toegepast. Het werkje is, zooals het verdient, met eene duidelijke letter, op goed papier, net gedrukt. De volgende Afleveringen ziet Ref. met belangstelling te gemoet.
a.s.

 

54. Cremer, Hanne de freule. (1873)

= Jacob Jan (J. J.) Cremer (1827-1880), Hanna de freule, G.L. Funke en P. van Santen, Amsterdam, 1873. Gebonden 279 p. Premie van Het Nieuws van den Dag voor 1873. Het boek behandelt het stakingsrecht van fabrieksarbeiders.

J.J. Cremer, Hanna de freule (1873), genre: proza, subgenre: roman

Beschikbare tekst in de dbnl: Hanna de freule(alleen scans beschikbaar) (1873); Primaire tekst(en) in de dbnlJ.J. Cremer, Romantische werken. Deel X (1880); Secundaire literatuur in de dbnl: J.T. Buys, Johan Hermann Christian Heyse en Jérome Alexandre Sillem, ‘Bibliographisch album.’ In: De Gids. Jaargang 37 (1873); J.J. Backer Dirks, Dionys Burger, Marius Buys en H.M.C. van Oosterzee, ‘Binnenlandsche letterkunde.’ In: Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1873 (1873). Jacob Jan Cremer wist niet zo goed wat hij moest worden. Zijn vader, een landeigenaar die vooral in de tabakshandel zijn geld verdiende, wilde hem eigenlijk in een intellectueel beroep hebben en stuurde hem naar een goede kostschool. Toen hij daar niet uitblonk, nam zijn vader een gouverneur voor hem in dienst. Cremer zelf aarzelde tussen toneelspelen en schilderen, waar hij beide talent voor leek te hebben. Het werd een schildersopleiding. In Oosterbeek, in de buurt van zijn woonplaats, hadden zich belangrijke schilders gevestigd, die daar in de buitenlucht de beboste Veluwse heuvels en Betuwse dalen schilderden. Cremer nam op zijn zeventiende les bij Frederik Hendriks. Toen bleek dat hij op die weg verder wilde, stuurden zijn ouders hem naar Den Haag, waar hij zich als zelfstandig schilder vestigde en waar hij vriendschap sloot met andere kunstenaars. Toen bleek dat schilderen alleen niet genoeg voor hem was. Hij begon in de avonduren te werken aan een historische roman, De lelie van ’s Gravenhage, die in 1851 uitkwam. Hierin sluit hij aan bij wat er vroeger van een historische roman verwacht werd: ingewikkelde en geheimzinnige intriges met vondelingen, schakingen, aanrandingen, schurkachtige monniken en lugubere vondsten. Het boek werd in de kritiek gekraakt, omdat er inmiddels een andere smaak ontstaan was. Cremer trouwde in 1852 en vestigde zich toen in Loenen aan de Vecht. Hij bleef schilder-schrijver, maar in het schrijven richtte hij zijn belangstelling niet meer op het verleden. Hij begon verhalen uit het dagelijks leven te publiceren. In 1856 verscheen zijn tweede roman, Daniël Sils. De hoofdpersoon is een eenvoudige jongen die naar Amerika emigreert – een gegeven dat actueel was in die jaren – en rijk terugkeert. Echt succes kreeg hij met zijn dorpsverhalen, die voor het merendeel in een vereenvoudigd Betuws dialect waren geschreven. Over het dialect schreef hij: `In de aanwending van ons dialect ben ik zonder strikten regel te werk gegaan, maar gebruikte toch immer de boerentaal waar de handelende personen sprekend worden ingevoerd’. De verhalen staan in Betuwsche novellen (1856), Overbetuwsche novellen (1865) en Nieuwe Over-Betuwsche novellen (1867). Alle verhalen spelen in de buurt van Driel, waar de ouders van Cremer een buitenhuis hadden. Hoofdfiguren zijn meestal een boerenjongen en boerenmeisje die elkaar door omstandigheden niet kunnen krijgen, en vervolgens komt het toch goed. De zeven hoofdzonden, zelfingenomen hoogmoed, hebzucht, hitsige lust, jaloezie, onmatigheid, woedende razernij en vadsige luiheid, komen in de Overbetuwsche novellen aan de orde. Cremer werd een geliefd schrijver. Dat kwam ook door zijn voordracht. Zijn oude voorkeur voor toneel kon hij uitleven wanneer hij zijn Betuwse verhalen in het publiek voorlas. Dan imiteerde hij de ruwe stemmen van de boeren en de timide dorpsmeisjes, dan hield hij zijn publiek in spanning door van het podium te springen en het rechtstreeks aan te spreken en te vragen hoe het verhaal zou aflopen. Voor zijn literaire carrière vestigde hij zich opnieuw in Den Haag, waar hij lid werd van het bekende literaire genootschap Oefening kweekt kennis. Daar kwamen veel schrijvers voorlezen. Geen stoel bleef onbezet als Cremer optrad. Nicolaas Beets dichtte over hem:

 

Wie Cremer leest, kent slechts zijn twintigst deel;
Alleen wie Cremer hoort, kent hem geheel.
Men kan door ’t oog niet dan een weinig hooren
Van ’t geen hij ons te aanschouwen geeft, door de ooren.
 

Hij ontwikkelde zich tot een van de eerste beroepsschrijvers in Nederland, en hij onderhandelde goed over de prijs voor zijn voordrachten. Toch bleef Cremer zich schilder voelen, hoewel hij aan een vriendin schreef `Inkt vloeit beter dan verf’. Tot 1865 bleef hij deelnemen aan schilderijententoonstellingen, pas daarna draaide hij het werk om, en schreef hij overdag, terwijl hij ’s avonds bleef schilderen. In toenemende mate stelde hij zich op als een sociaal bewogen schrijver. Hij signaleerde onrecht en schreef daarover. Of hij stelde zich achter initiatieven voor de verbetering van de maatschappij. Zijn bekendste novelle is Fabriekskinderen (1863), geschreven als aanklacht tegen de kinderarbeid. Daarnaast schreef hij de roman Hanna de Freule (1873), waarin het recht van staking door fabrieksarbeiders bepleit wordt. In Anna Rooze (1868) gaat het over ongewenste zwangerschap, en de manieren die jonge dorpsmeisjes vinden om het kind kwijt te raken. De opbrengst van de novelle Een winternacht (1854) was voor de armen. In zijn visie had de arme recht op steun. De `canapé-christenen’ zouden mee moeten helpen aan hervorming van de maatschappij, niet door af en toe een aalmoes te geven, maar door werkelijke veranderingen. Cremers romans vormen een reservoir voor kennis van de negentiende-eeuwse Nederlandse maatschappij. Juist omdat er weinig schrijvers waren die de eigen tijd tot onderwerp namen, is hij belangrijk. Dat geldt voor zijn sociale romans en verhalen, maar ook voor zijn schetsen van de toneelwereld in De tooneelspelers (1876), en voor zijn psychologische roman Dokter Helmond en zijn vrouw (1870) over een wispelturige en veeleisende vrouw die haar man naar de ondergang drijft. Cremer stierf nog voor zijn 53ste aan een leverziekte waarmee hij al jaren tobde.

Bron: http://www.literatuurgeschiedenis.nl/lg/19de/auteurs/lg19027.html

 

55. Atlas door Geerling. (1859)

= W.J. Geerling, Ambtenaar aan het Ministerie van Binnenlandsche Zaken,Nieuwe Atlas voor Gymnasiën en Instituten. Opgedragen aan den Wel Edelen Hooggeleerden Heer Dr. A.A. van Heusden, Hoogleeraar in de Taal- en Letterkunde aan de Kon. Milit. Akademie te Breda. Te Arnhem, bij H.A. Tjeenk Willink, 1859. Prijs f 2,50.

 

56. De Haan Hettema, Emsiger Landregt. (1830)

= Hettema (Montanus de Haan), Het Emsiger Landregt van 1312 (Leeuw. 1830);

 

57. Hoeufft, Taalk. aanwijz. op Oudfriesche woorden 2 dln.

Zie ook: 68.

Biografie [DBNL]:

 

HOEUFFT (Jacob Hendrik), taal- en letterkundige, vermaard als latijnsch dichter en als stichter van het naar hem genoemde legaat ter aanmoediging van de beoefening der latijnsche poëzie. Hij werd geb. 29 Juli 1756 te Dordrecht en overl. 14 Febr. 1843 te Breda. Zijn ouders waren Jan Hoeufft, luit.-admiraal, gest. 1793, en Louise Margaretha baronnesse van Diest, overl. 1758, toen Jacob Hendrik nog geen twee jaar was. In zijn vroege jeugd toonde de knaap veel neiging voor den zeedienst, doch werd door zijn vader, wiens eenig kind hij was, overgehaald om een andere loopbaan te kiezen. Zoo bezocht hij eerst de latijnsche school van zijn geboortestad, later die in den Haag; op beide legde hij een bijzonderen aanleg aan den dag voor taalstudie en voor het maken van latijnsche verzen. Reeds op zijn 16de jaar werd hem het getuigschrift van toelating tot de academische lessen uitgereikt, maar hij wachtte tot 1773, eer hij zich te Leiden als student in de rechten liet inschrijven. Tot zoolang bleef hij privaatles ontvangen van den geleerden Petrus van Dorp te Dordrecht, hoofdzakelijk in Latijn en Grieksch. Na een vierjarig verblijf aan de leidsche hoogeschool promoveerde Hoeufft 21 Juni 1777 tot Jur. Utr. Dr., op een dissertatie: de Imperio eminenti, d.i. over het recht der hooge overheid om bij nood en ten behoeve van het algemeen belang over personen en rechten van ingezetenen te beschikken. Tot 1780 vestigde hij zich als advocaat te 's Gravenhage, minder met het doel om zich op den duur aan de rechtspraktijk te wijden, dan wel om zich te bekwamen voor 't bekleeden van regeeringsposten in de stad zijner geboorte, waarop zijn aanzienlijke afkomst hem uitzicht gaf. Naar Dordrecht teruggekeerd, werd hij hier in 1784 lid en drie jaar later voorzitter van het ‘Collegie van achten’. Treurige omstandigheden drongen hem, in 1793 zijn woonplaats naar Breda over te brengen. Hier leefde hij voortaan geheel voor zijn geliefkoosde studiën, zonder eenige openbare betrekking dan die van lid van den stedelijken raad; de waardigheid van burgemeester, hem in 1814 aangeboden, wees hij van de hand. Vele jaren stond hij te Breda ook aan 't hoofd van het Armbestuur, waarin hij met zijn groot vermogen en zijn zin voor milddadigheid zeer nuttig werkzaam is geweest. In de laatste 20 jaren van zijn leven leed H. aan gezichtsverzwakking, die ten laatste in volslagen blindheid overging. Niettemin hield hij volijverig en met opgewektheid zijne studie bij, daarin bijgestaan en voorgelicht door jeugdige geleerden, die zich om zijn aangenamen omgang gaarne aan hem verbonden. In zijn goede jaren had H. ook vlijtig de numismatiek beoefend. Toen hij op meer dan 86-jarigen leeftijd stierf, liet hij een kostbaar penningkabinet na, waarin tal van zeldzame stukken; verder een aanzienlijke bibliotheek, die uitmuntte door kostbare uitgaven van classieke schrijvers en door een voortreffelijke verzameling van zeldzame bijbeluitgaven. Bij uiterste wilsbeschikking had hij aan

[p. 596]

het Kon. Ned. Instituut (thans Kon. Akad. v. Wetensch.) bovenbed. legaat vermaakt, met het doel, daaruit jaarlijks uit te loven - tot opwekking van den toen reeds verflauwden lust voor de beoefening der latijnsche poezie - een gouden of zilveren eereprijs voor het beste latijnsche dichtwerk. De beoordeeling van dezen wedstrijd op te dragen aan geleerden, hiertoe door genoemd Instituut aan te wijzen. Nog vele andere maatschappijen en instellingen werden door den ‘Nestor der Nederl.-Latijnsche dichters’ rijkelijk bedacht.H. was gehuwd, sedert 1780, met Marg. Jeanne van den Brandeler, doch liet bij zijn dood geen kinderen na. De geschriften van Hoeufft bewegen zich uitsluitend op 't gebied der taal- en letterkunde, oude en nieuwe beide. Reeds als 22-jarig jongeling gaf hij, in vereeniging F.P. Burman, een proeve van latijnsche gedichten, Carmina juvenilia getiteld (1778), die met grooten bijval ontvangen werd. In 1805 verscheen een nieuwe bundel, get. Jacobi Henrici Hoeufft, Icti, Carmina, waarvan het ‘zoetvloeiend en rhythmisch Latijn’ door bevoegde beoordeelaars nog meer bewonderd werd. In 1820 volgde zijn Parnassus Latino- Belgicus, waarin de dichter de verdiensten van vroegere landgenooten, die eveneens latijnsche verzen maakten, in herinnering bracht. Op ruim 80-jarigen leeftijd gaf hij nog als toegift: Carminum Epidosis (1839). Middelerwijl had hij belangrijke studiën over Anacreon e.a. in het licht gegeven: Anacreonti quae tribuuntur carminum paraphrasis elegiaca (1795); Tentamen Anacreonteum alterum, sive Anacreontis quae dicuntur Odaria, Latine reddita (1797); Pericula Critica (1808) en Anacreons gezangen in Nederlandsche versmaat overgebracht (1816). Geschriften, die van grondige en uitgebreide studie der Nederl. taal getuigen, zijn: Taalkundige aanmerkingen op eenige Oud- Vriesche spreekwoorden (1816); Taalkundige bijdragen tot de naamsuitgangen van eenige, meest Nederlandsche plaatsen (1817); Proeve van Bredaasch taaleigen, of lijst van eenige in de stad en den lande van Breda gebruikelijke en in sommige oorden van ons vaderland min gewone woorden en spreekwijzen verzameld en toegelicht (1836 en 37, 4 stukken; in 1838 door een Aanhangsel gevolgd); ten slotte een Verzameling van Fransche woorden uit de Noordsche talen afkomstig of door sommigen afgeleid (1840; 3 stukken). Een onuitgegeven handschrift Over de overeenkomst van Nederl. woorden met het Bas-Bretonsch of Keltisch en een uitgebreider Over de overeenkomst van vele Wallische en Bas-Bretonsche woorden met het Nederlandsch en het Platduitsch of Nedersaksisch werden door H. aan de Maatsch. der Ned. Letterk. te Leiden vermaakt. Zijn portret is gelithographeerd door P.v.d. Eynde. Zie: Levensber. Letterk. 1843, 28; Bredasche Cour. v. 19 en 28 Febr. 1843; v. Kampen, Gesch. der Kunsten en Wetensch. II, 565; Collot d'Escury, Hollands roem (reg.); Peerlkamp, De vita .... Nederlandorum qui carmina lat. comp. i.v. eindelijk voor het geslacht Hoeufft: Annuaire généal. des Pays- Bas 1876, 68 en Adelsarchief 1900, 37 e.v.

Zuidema

 

58. Epkema, Woordenboek op Gijsbert Japicx (1821).

http://books.google.nl/books/about/Woordenboek_op_de_gedichten_en_verdere_g.html?id=oalSRAAACAAJ&redir_esc=y .

Cornelis over de Linden: 'Geleerde vrienden, welke mij bij mijn verder onderzoek konden helpen, had ik niet, en om door middel van de pers iemand op te roepen, die het voor zekeren som zou willen vertalen, daartoe ontbrak mij geld. Zodra ik de handen een weinig ruim had, ging ik naar den boekhandelaar Bakker en verzocht hem om een oude Friesche Dictionaire. Hij verschafte mij een woordenboek op de gedichten van Gijsbert Japiks. Nu ging ik met drift aan den gang en bragt het zoover, dat ik de 'lape koer fen gabe schroer' [J.H. Halbertsma] vrij wel lezen kon, en daarmede was het uit.' Boekhandelaar Bakker is Cornelis Baltusz Bakker (1812-1870) in Den Helder. Hij was ook wethouder en lid van Provinciale Staten van Noord-Holland. Hij was getrouwd met een Friezin, met wie hij twaalf kinderen kreeg. Zijn zoon Augustus Albertus Cornelisz Bakker (1842-1907) nam zijn boekdrukkerij en uitgeverij over. Vermoedelijk bestaat er ook een familierelatie met Boekhandel Bakker in Hoorn (1879-2008). 

Genealogie: http://members.chello.nl/pdeboe01/3215.htm .

 

59. Worp van Thabor, Kronijk van Friesland 2 dln. Zie ook 62 (handschrift).

Thaborita (Worperus Tyaerda), Worperus, Vorper van den Geest, - gewoonlijk Worp van Thabor genoemd, werd te Rinsumageest geb., was pastoor in zijn geboorteplaats, werd later Regulier kanunnik te Thabor bij Sneek, waar hij in 1523 prior werd en daar 26 Febr. 1538 overleed. Het Friesch genootschap heeft zijn historischen arbeid uitgegeven onder den titel van: Worperi Tyaerda ex Rensumageest, prioris in Thabor, Chronicorum Frisiae libri tres, [tot 1397] Leov. 1848; Kronijken van Friesland 4de boek, bevattende de geschiedenis van de 15e eeuw, Leeuw. 1850; Vijfde boek bevattende de geschiedenis van het begin der 16e eeuw, 1499-1523, Leeuw. 1871; bezorgd door Dr. J.G. Ottema, die een kort levensbericht daarachter heeft geplaatst, met de noodige opheldering, hoe de kroniekschrijver eerst in 't Latijn schreef, en voor de latere tijdvakken, waarin hij oorkonden moest gebruiken in de landstaal, zich in 't Ned. uitdrukte. Over den auteur en deze jaarboeken liepen de vroegere berichten uiteen.


Voorwoord bij de uitgave van het vierde boek van Worp van Thabor d.d. 1850:Bij deze uitgave van het IV. boek der Kronijken van Worp van Thabor is de tekst gevolgd van een handschrift, aanwezig op het Provinciaal Archief, waaromtrent wij verwijzen naar de vermelding, daarvan gedaan in De vrije Fries, [1843] deel III, stuk 2, blz. 108, onder letter B. De tegenwoordige aflevering bevat de helft des boeks, tot aan het jaar 1486, van waar af de andere helft in een volgend jaar ter perse zal kunnen worden gelegd. Namens het Bestuur des Genootschaps, J.G. Ottema, Secretaris.

Voorwoord bij de uitgave van het vijfde boek van Worp van Thabor d.d. 1 februari 1871*: Na een langen tijd de Kronijk van Worp van Thabor te hebben laten rusten, heeft het Friesch Genootschap de nodige middelen gevonden, om ook het vijfde boek dier kronijk uit te geven. De uitgave van dit vijfde boek is te belangrijker, omdat er wel van de drie eerste en ook van het vierde boek een vrij aanzienlijk getal afschriften bestaat, maar voor zooverre wij hebben kunnen gewaar worden, slechts twee exemplaren van het vijfde boek aanwezig zijn. Het oudste, dat bij de uitgave gevolgd wordt, komt voor in een H.S. op de Provinciale Bibliotheek, en aldaar bekend onder den naam van zijn vroegeren bezitter J. de Kempenaer. Naar het schrift en de band te oordeelen moet het afkomstig zijn uit het midden der zestiende eeuw. Een ander afschrift, in het bezit der familie van Beijma thoe Kingma, is van veel minder hoogen ouderdom, minder volledig en voor de uitgave van geringere waarde. Twee fragmenten, beide afbrekende midden in de procedure tegen Gerbrant Mockema en Jemma Heer Juwsma Ao. 1512, worden aangetroffen in een Handschrift bij de Stedelijke Bibliotheek van Amsterdam, en in een dergelijk bij het Provinciaal Archief van Friesland. Over deze vier kopien vindt men meer vermeld in een verslag voorkomende in de Vrije Fries, deel III, no.2, van het jaar 1843. Dit vijfde boek omvat de geschiedenis van slechts vijf en twintig jaren, 1499-1523, dat is de geschiedenis van Friesland onder de Heerschappij van de Saxische Hertogen en vervolgens gedurende den strijd tusschen den Hertog van Gelderland en Keizer Karel den vijfden, tot aan de geheele onderwerping van Friesland aan den laatste als Heer van de gezamentlijke Nederlanden. De uitvoerigheid van deze behandeling is dan ook de oorzaak, dat de inhoud van dit boek door de latere geschiedschrijvers op vewrre na niet uitgeput is. Schotanus b.v. haalt dit boek van Worp van Thabor meermalen aan, doch heeft betrekkelijk er slechts weinig uit kunnen overnemen. Dit deel is zeer rijk aan officiele stukken, waaronder veele, die niet in het Groot Placaat en Charterboek zijn opgenomen. Onder de stukken die wel in 't Charterboek voorkomen, zijn er twee van vrij grooten omvang, die ook bij Schotanus en Winsemius gelezen worden, en daardoor meer dan andere van algemeene bekendheid kunnen geacht worden te zijn. Om die reden heb ik gemeend ze bij dezen druk achterwege te kunnen laten, te meer dewijl de afschriften daarvan in dit Handschrift buitengewoon slordig en vol fouten, ja op veele plaatsen volkomen onverstaanbaar zijn. Ik heb mij dus vergenoegd met daarvoor naar de genoemde werken te verwijzen. Zie bladz. 61. In vergoeding daarvoor heb ik eenige van elders nog onbekende stukken als een aanhangsel bij dit deel gevoegd, welke belangrijke bijzonderheden behelzen, betreffende den overgang van Bolsward in September 1523, waarmede de onderwerping van Friesland aan Keizer Karel V voltooid is geweest. Die stukken zullen te meer de belangstelling wekken, omdat daaruit blijkt, welk aanzienlijk aandeel de vermaarde Mr. Bucho van Aytta gehad heeft in de onderhandeling over de erkenning van de Bourgondische Suprematie. Zij zijn afkomstig uit een Archief van Bucho van Aytta, voor het meerendeel betrekking hebbende op het Proces gevoerd tusschen Keizer Karel den vijfde en Karel Hertog van Gelder voor den Koning van Frankrijk als scheidsrechter. Die aanzienlijke verzameling van stukken bevindt zich in het Rijks-Archief, terwijl kopien daarvan genomen berusten bij het Friesch Genootschap. Leeuwarden, 1 Februari 1871. J.G. Ottema, Secretaris.

*Het handschrift van Cornelis over de Linden wordt hierin niet genoemd.

 

WORP VAN THABOR

Levend Verleden van maart 2005 bevat een passage, die interessant is voor toetsing van mijn opvattingen over de ontstaansgeschiedenis van het Oera Linda Boek, geschreven door drs. J.T. Bremer. Het gaat om deze passage:

'‘En het is eveneens denkbaar dat HaverSchmidt, na Foudgum predikant te Den Helder (1862-1864) het handschrift aan Cornelis Over de Linden bezorgd heeft. Maar waarom zou hij dat gedaan hebben ? De excentrieke Over de Linden was antikerks en het is mogelijk dat ds HaverSchmidt de bezitter van het handschrift niet gekend heeft. Waarom zou hij ook zo dwaas zijn zich te compromitteren ? Of koos HaverSchmidt daarentegen heel bewust Over de Linden ? Want HaverSchmidt mocht dan wel beweren dat hij hem niet kende, Over de Linden was wel hervormd en juist die zeldzame figuren die 't verdomden een keer naar de kerk te komen, waren veelbesproken. Zeker Over de Linden, die in 1869 zelfs formeel brak met de kerk (13). En Haverschmidt kon Over de Linden ook via een omweg benaderen, via de met hem bevriende marine-officier Binnert Halbertsma bij voorbeeld, de zoon van Joost Halbertsma, die op zijn beurt tot de vriendenkring van Verwijs behoorde. Haverschmidt, Verwijs, Halbertsma. Hebben ze wellicht alle drie aan deze vervalsing bijgedragen ? (14) En Over de Linden ? Had die alleen maar overgeschreven ? Want Floris Over de Linden, de jongste kleinzoon van Cornelis, beweerde later met grote stelligheid dat hij opa aan het boek had zien schrijven... Met die opmerking was de rest van de familie dan weer niet blij geweest. Maar hoe zat dat dan ?’

De kernvraag in deze passage is: Hoe is Cornelis over de Linden aan het handschrift van het Oera Linda Boek gekomen ? Voor de volledigheid zou de vraag moeten zijn: Hoe is Cornelis over de Linden aan de handschriften van het Oera Linda Boek en de Kroniek van Friesland van Worp van Thabor gekomen.

Hoewel beide boeken aan de orde komen in de correspondentie van Cornelis over de Linden met zowel Dr. E. Verwijs als met Dr. J.G. Ottema, is er nog niemand geweest, die daarnaar onderzoek heeft gedaan. Dat de beide manuscripten in het bezit waren van Cornelis over de Linden is boven elke twijfel verheven. Het manuscript van Worp van Thabor komt voor op de veilinglijst van de boeken van Cornelis over de Linden samen met een gedrukte uitgave van Dr. J.G. Ottema. Cornelis over de Linden zelf beweert, dat hij beide boeken (in 1848) uit handen heeft gekregen van zijn tante Aafje Reuvers/Meyloff.

Hij schrijft op 7 oktober 1867 aan Dr. E. Verwijs: ‘Een jaar of 18 geleden, mijne familie eens bezoekende, heeft mijne tante mij twee manuscripten (*) ter hand gesteld, die zij mij gedurende haar mans leven niet had mogen geven, ofschoon mijn grootvader het bevolen had. Vooral het kleinste had hij gezegd moest ik als een heiligdom bewaren, het grootste is dikker dan een Statenbijbel; het begin is latijn en het grootste gedeelte is oud Hollandsch. Het kleinste moet een of ander tongval van het oude friesch wezen en is geschreven met een soort letter die mijns inziens veel van groote romeinse letters hebben. Aan het groote heb ik iets, aan het kleinste niets. […]Met alle eerbied neem ik daarom de vrijheid mij tot u te wenden en een paar blaadjes over te sturen, waarbij ik voor de aardigheid ook een paar blaadjes uit het dikke boek ter inzage heb gevoegd.’ Dr. E. Verwijs herkent daarin het (echte) manuscript van Worp van Thabor en stelt zich de vraag, of dan ook niet het andere boekje (Boek van Adela, Oera Linda Boek) dan niet ook echt zou zijn. Cornelis over de Linden is bereid om het manuscript van Worp van Thabor af te staan, zodra hij een vertaling heeft van zijn familiekroniek. Op 21 november van dat jaar brengt Dr. E. Verwijs een bezoek aan Den Helder op doorreis naar Leiden. Hij brengt daarvan op 28 november 1867 mondeling verslag uit aan het Fries Genootschap en stuurt op 17 december 1867een schriftelijk verslag naar Gedeputeerden van Friesland (Afgedrukt bij J.T. Eekhoff: Nog iets nieuws. ... Ts. v. boek- en bibl. wezen 1908, en bij Boeles a.a.): ‘Uit een folio van de van de dikte van een Statenbijbel, waarin een gedeelte in het Latijn, het begin eener kroniek is, en het eerste hoofdstuk over den naam Friezen en hunne vrijheden, over Karel de Groote enz. handelt. Verreweg het grootste deel is in het Nederlandsch en bevat het vervolg der kroniek tot ongeveer het midden der XVIe eeuw. Van een los blad, dat mij reeds vroeger werd toegezonden, is afschrift genomen en de inhoud mede door de Heeren Buma en Eekhoff onderzocht. Het behelst bijzonderheden uit het Saksische tijdperk, die bij geen andere Friesche geschiedschrijvers zijn opgenomen. Het schrift en papier zijn uit de XVIe eeuw, en aan onechtheid bij geen mogelijkheid te denken. De nadere kennis dezer tot nu toe, naar het schijnt, geheel onbekende kroniek, kan misschien zeer belangrijk zijn.* Ik trachtte beide Hss. in hun geheel van den eigenaar mede te krijgen, doch daartoe liet hij zich niet vinden. Hij eiste bepaaldelijk dat het oude Hs. eerst in zijn geheel voor hem vertaald.’

Op 12 april 1868 schrijft Dr. E. Verwijs aan Cornelis over de Linden: ‘Uw groote handschrift is zeer waarschijnlijk, naar de mij toegezonden bladen te oordelen, een kopie van de Friesche Kroniek van Worp van Thabor, waarvan een deel is uitgegeven, een ander deel nog niet.’’

Op 11 november 1869 schrijft Dr. E. Verwijs aan Dr. Johan Winkler: ‘Doch, zooals gij weet, heeft hij (Cornelis over de Linden] mij een Hs. van Worp van Thabor beloofd, zoodra ik hem de vertaling heb geleverd. 't t Is nu van belang dat zoo spoedig mogelijk in handen te krijgen.’ Op 13 december 1869 schrijft Dr. E. Verwijs aan Dr. Johan Winkler: ‘Hij [Cornelis over de Linden] heeft niets geen verstand van zijn beide Hss., het eerste de Worp van Thabor, een bepaald echt Hs. uit de XVde en XVIde eeuw. Hoe is dit bij hem verzeild ? Hij vertelde mij als jongen meermalen van zijn grootvader [Andries over de Linden] te hebben gehoord dat zij van Friesche afkomst waren, en dan liet de oude man zich enigszins geheimzinnig uit over papieren nog onder hem berustende. Ik heb geen reden om aan de geloofwaardigheid van dit verhaal te twijfelen, daar hij een ronde ruwe kerel is. Het aanwezig zijn van een Hs. van Worp maakt mij de zaak aannemelijker. […] Doch ik durf er ook niet recht aan om het als een bedrog, als een knutselwerk van later tijd te beschouwen. 1. De aanwezigheid er bij van den codex van Worp; 2. Wie zou of in deze of in vorige eeuw in staat zijn geweest zoo'n literarisch bedrog te plegen ?’ Op 24 april 1870 schrijft Dr. E. Verwijs aan Dr. Johan Winkler: ‘Kunt gij er wat voortgang mee maken, 't zal ook in het belang zijn van het Friesch Genootschap, daar dan de aan mij toegezegde Worp van Thabor ook gauwer in ons bezit komt.’ Op 28 april 1870 schrijft Dr. E. Verwijs aan Dr. Johan Winkler: ‘Zooals ik u vroeger schreef, had ik geen vermoeden van kwade trouw op den Heer Over de Linden en het Hs. Van den Worp ook in zijn bezit gaf dan ook de zaak een meer eerlijk voorkomen. Want dat is zoo onvervalst als goud. […] Het lokaas van dat Hs. Van den Worp, dat mij is toegezegd, dat ik weder aan het Friesch Genootschap heb beloofd, zoo het de onkosten van het kopieeren wilde bekostigen, maakt voor mij de zaak moeilijk.’

Toeval ?

De vraag, die gesteld moet worden, is of er sprake van toeval is, dat Cornelis over de Linden juist deze twee manuscripten in eigendom heeft gekregen. Toeval lijkt mij uitgesloten, want de Kroniek van Friesland van Worp van Thabor behandelt in het eerste boek de opvattingen over de voorgeschiedenis van de Friezen en in het bijzonder het vraagstuk van hun Aziatische herkomst en kan dus gezien worden als een verantwoording (of inspiratiebron) voor wat het Oera Linda Boek daarover schrijft. De Kroniek behandelt vervolgens de Friese koningen, die we eveneens in het Oera Linda Boek tegenkomen. De beide manuscripten horen m.i. bij elkaar. Dat betekent per definitie, dat een afzonderlijke route via Haverschmidt of Binnert Halbertsma uitgesloten is en dat de beide boeken afkomstig moeten zijn uit de betwiste nalatenschap van boekhandel Jan over de Linden en erven in Enkhuizen. Cornelis over de Linden had in het geheel geen verstand van oude boeken en manuscripten. Ernst Stadermann wel. Het lijkt me dan ook, dat Cornelis over de Linden hem in 1845 meegevraagd heeft naar Enkhuizen om hem te laten adviseren. Stadermann's advies is opgevolgd. In 1848 wist Cornelis over de Linden precies welke boeken hij wilde hebben. Van een zorgeloze oude dag was geen sprake. Dr. J.G. Ottema helpt hem op 25 juli 1871 uit de droom: ‘Onder terugzending van de bladen uit W[orp] v[an] T[habor] kan ik U berichten dat uw Handschrift wel een afschrift is van de Kronijk van Worp van Thabor. Er zijn echter zoo veele afschriften van dit boek verspreid, bv. het Friesch Gen. heeft 4, de Prov Bibl. 5, De Gron. Akad. Bibl en Stads Bibl. 3 enz. dat het HS weinig waarde bezit. Slechts indien het vijfde Boek er geheel in voorkomt heeft het waarde voor eene Bibliotheek als de Amsterdamsche, waar men van dit vijfde Boek slechts een klein gedeelte bezit.’ Uiteindelijk belandt het manuscript van Worp van Thabor op de veiling van de boeken van Cornelis over de Linden. Wie het boek op de kop getikt heeft, is onbekend. Het is sindsdien spoorloos.

 

60. Van Richthoven, Alt Friesisch Woerterbuch. (1840)

= Karl von Richthofen, Altfriesisches Woerterbuch, Goettingen: Dieterische Buchhandling, 1840

 

61. Wilh. Gesenius, Palaeographische Studien Ueber Phoenicische und Runenschrift. (1835)

= Wilhelm Gesenius, Paläolographische Studien über phönizische und punische Schrift. (1835) De titel is onjuist geciteerd.

 

62. Worp van Thabor, Kronyk van Friesland (1 deel in handschrift.) Zie ook: 59 (Uitgave).

Dit handschrift is verdwenen.

Het handschrift gold voor Cornelis over de Linden als 'wisselgeld' voor het verkrijgen van een vertaling van het Oera Linda Boek.

Brief van Cornelis over de Linden aan Eelco Verwijs d.d. maandag 7 oktober 1867: Een jaar of 18 geleden, mijne familie eens bezoekende, heeft mijne tante mij twee manuschripten (*) ter hand gesteld, die zij mij gedurende haar mans leven niet had mogen geven, ofschoon mijn grootvader het bevolen had. Vooral het kleinste had hij gezegd moest ik als een heiligdom bewaren, het grootste is dikker dan een Statenbijbel; het begin is latijn en het grootste gedeelte is oud Hollandsch. Het kleinste moet een of ander tongval van het oude friesch wezen en is geschreven met een soort letter die mijns inziens veel van groote romeinse letters hebben. Aan het groote heb ik iets, aan het kleinste niets.

Brief van J.G. Ottema aan Cornelis over de Linden d.d. 25 juli 1871: Onder terugzending van de bladen uit W[orp] v[an] T[habor] kan ik U berichten dat uw Handschrift wel een afschrift is van de Kronijk van Worp van Thabor. Er zijn echter zoo veele afschriften van dt boek verspreid, bv. het Friesch Gen. heeft 4, de Prov Bibl. 5, De Gron. Akad. Bibl en Stads Bibl. 3 enz. dat het HS weinig waarde bezit. Slechts indien het vijfde Boek er geheel in voorkomt heeft het waarde voor eene Bibliotheek als de Amsterdamsche, waar men van dit vijfde Boek slechts een klein gedeelte bezit.

49ste Verslag der Handelingen van het Friesch genootschap, enz. over het jaar 1876-1877 d.d. 26 september 1877 p. 40. In de laatste [derde] bijeenkomst [d.d. 18 januari 1877] deelde de Heer Dr. J.G. Ottema eenige opmerkingen mede over het Oera Linda Bok, naar aanleiding van enkele bemerkingen in den Spectator geplaatst. De Heer Mr. J. Dirks vindt daarin aanleiding in herinnering te brengen, dat bij denzelfden man, bij wien het Oera Linda Boek is gevonden, mede aanwezig was een onbekend afschrift van het vijfde boek van den kroniek van Worp van Thabor, een afschrift waarvan de echtheid zelfs nimmer is betwijfeld. Hij meent dat bij den strijd over de echtheid van het Oera Linda Bok aan dit feit te weinig gewicht wordt gehecht.

NB. De mededeling van M.J. Dirks, dat het handschrift het vijfde boek van Worp van Thabor zou betreffen is in tegenspraak met de mededeling van Eelco Verwijs hierna:

Eelco Verwijs schrijft in een brief aan Gedeputeerde Staten van Friesland: 'Uit een folio vand van de dikte van een Statenbijbel, waarin een gedeelte in het Latijn, het begin eener kroniek is, en het eerste hoofdstuk over den naam Friezen en hunne vrijheden, over Karel de Groote enz. handelt. Verreweg het grootste deel is in het Nederlandsch en bevat het vervolg der kroniek tot ongeveer het midden der XVIe eeuw. Van een los blad, dat mij reeds vroeger werd toegezonden, is afschrift genomen en de inhoud mede door de Heeren Buma en Eekhoff onderzocht. Het behelst bijzonderheden uit het Saksische tijdperk, die bij geen andere Friesche geschiedschrijvers zijn opgenomen. Het schrift en papier zijn uit de XVIe eeuw, en aan onechtheid bij geen mogelijkheid te denken. De nadere kennis dezer tot nu toe, naar het schijnt, geheel onbekende kroniek, kan misschien zeer belangrijk zijn.'

 

63. Rask, Angelsaksisk Sproglaere. (1817)

= R.K. Rask, Angelsaksisk Sproglaere tilligemed en kort Laesebog ved R.K. Rask. Stokholm, 1817. Trykt paa Mag. Wiborga Forlag i det Hedmansker Bogtrykkeri.

Zie ook: 70, 71

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

64. De Haan Hettema, Proeve van Friesch en Nederlandsch woordenboek. (1832)

= Mr. Montanus [Haan] Hettema, Proeve van een Friesch en Nederlandsch Woordenboek, bevattende de moeijelijkste woorden der eerstgenoemde taal, met derzelver uitspraak, en aanwijzing der plaatsen, waar dezelve voorkomen; voorafgegaan door eene beknopte schets der Friesche taal. door Mr. Montanus Hettema, lid van de ridderschap van Friesland en Advokaat bij de Regtbank te Leeuwarden. Leeuwarden, L. Schierbeek, 1832.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

65. Bemaerkningen om en steenoxe med Runeneinskrift.

Cornelis over de Linden (testament): 'Iemand zeide mij, dat de letters die in mijn boek stond runnenschrift was; daarop zocht ik een boek over het runnenschrift en kreeg een boekje hetwelk tot titel voerde: Bimerkingen, om en steenoxe med runeinskrift ti hoerende H.M. Kongen of Danmerk.'

 

66. Asega Buch, ein Altfris. Gesetsbuch der Ruestringer (1805).

Dit boek is van belang voor het totstandkomen van het Oera Linda Boek, omdat dat gesteld is in het (pseudo)Rustringisch dialect van het Oudfries. Het Rustringisch maakt gebruik het voegwoord men in plaats van mer, van de uitgang -on voor -en, van het partikel nawet, navt = niet en maakt een ruim gebruik van participia na to in plaats van infinitieven.

 

 

 

 

 

 

67. Wisdom, Handbook of Anglo-Saxon Rootwords.

= Literary Association, A., A handbook of Anglo-Saxon Rootwords, 1854. Introduction by Lionel Wisdom. Reprinted 2007 by Kessinger Publishing Company.

 

 

68. Hoeufft, Oudfriesche spreekwoorden.

= Jacob Hendrik Hoeufft, Taalkundige aanmerkingen op eenige Oudfriesche Spreekwoorden, Breda 1812.

Zie ook: 57.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

69. Goldschmidt, Der Oldenburger in Spraeke & Spreeckwort.

= Jonas Goldschmidt (1806-1900) & J. Goldschmidt, Oldenburger in Sprache und Spruechwort, Skizzen aus dem Leben. Ollnburg 1847. Reprint 1980, Nabu Press.

 

Jonas Goldschmidt (* 1806; † 1900) weer en düütsch-jüüdschenDokter in Ollnborg.

He hett welk Böker över dat Plattdüütsche schreven un sik för dat Utrotten vun de Spraak utspraken. He höll ehr för ungebildet un see, dat se de Bildung hemmen dee. Ut Sicht vun de Opklärung müss de Spraak dorüm utrott warrn. He hett sik dorbi ok op de Ansichten vun Ludolf Wienbarg beropen. In’n literarisch-geselligen Verein zu Oldenburg hett he blangen medizinsche Vördrääg ok welk över dat Plattdüütsche hollen.

Warken

  • Über das Plattdeutsche als ein großes Hemmniß jeder Bildung. Ollnborg 1846
  • Kleine Lebensbilder. Aus der Mappe eines deutschen Arztes. in dree Bänn, Schulze, Ollnborg 1844-1847
  • Der Oldenburger in Sprache und Sprüchwort. Ollnborg 1847, 1980 nee druckt mit ISBN 978-3796301407

 

70. Rask, Friesische Spraakleer. (1825)

= Rasmus Christian Rask (1787-1832), Frisisk Sproglære, Kopenhagen, 1825 Zie ook: 63, 71.

Piebenga, Gryt Ans, Een studie over het werk van Rasmus Rask, in het bijzonder over zijn Frisisk Sproglaere (dissertatie) Universiteit van Groningen, 1971.

In 1825 verscheen van de hand van de Deense taalkundige Rasmus Rask (1787-1832) te Kopenhagen een oudfriese grammarica, de Frísisk Sproglaere. Een gedenkwaardige gebeurtenis, omdat hiermee voor de eerste keer in de geschiedenis een samenhangende beschrijving van het oudfries, die bovendien in het Deens geschreven was, werd gepubliceerd. ln de hier volgende verhandeling wordt deze "Sproglaere" aan een nader onderzoek onderworpen: de door Rask gebruikte methode van taalbeschrijving, de wordingsgeschiedenis van het werk, de invloed die ervan is uitgegaan, de kvvaliteit van de Nederlandse en de Duitse vertaling en de beoordeling door tijdgenoten zijn de belangrijkste van de ter sprake komende onderwerpen. Speciale aandacht wordt geschonken aan de recensie van Jacob Grimm, die een felle antikritiek van Rask uitlokte en een eind maakte aan hun reeds in 1811 begonnen briefwisseling en aan hun vriendschappelijke verhouding. Voor een goed begrip en juiste verklaring yan de door Rask in de Frísisk Sproglaere toegepaste methode is het noodzakelijk deze systematisch met zijn andere grammatica's te vergelijken en vooral met die, waarin hij het Oudijslands en het Oudengels, dus eveneens Oudgermaanse talen, heeft behandeld. Noodzakelijk, in de eerste plaats, omdat er een duidelijke ontwikkeling in zijn werkwijze en theorieën is waar te nemen, zodat dus de vroegere werken moeten worden bestudeerd om cle hoedanigheid van de latere, waartoe ook de Frisisk Sproglaere behoort, goed te kunnen beoordelen. En in de tweede plaats, omdat Rask niet in ieder werk opnieuw, maar slechts hier en daar een verklaring heeft gegeven van zijn wijze van indeling van de stof en van opstelling van de paradigmatische categorieën. Er was nog een andere reden om Rasks oeuvre als geheel te bestuderen. Deze vloeit voort uit de omstandigheid, dat Rask zijn vele grammatica's niet zozeer geschreven heeft om de behandelde talen op zichzelf als wel om te onderzoeken of de grammaticale structuren van deze talen onderlinge overeenkomst vertoonden, - dus niet in de eerste plaats uit belangstelling voor iedere taal afzonderlijk als wel uit een verlangen om na tegaan of de indeling van nomina en verba die hij als de juiste beschouwde en die hij gevonden had aan de hand van het lJslands, ook voor andere talen gold. Een dergelijke grammaticale overeenkomst was voor hem, naast gelijkenis in woordenschat en het bestaan van klankcorrespondenties, belangrijk om taalrelaties te kunnen bepalen en aangezien dit een voornaam, zo niet het voornaamste doel van zijn taalkundige studie was, besteedde hij veel aandacht aan het onderzoek van deze criteria.

 

71. Rask, Oud-Noordsche spraakleer.

Zie ook: 63, 70

 

72. Fischer & Lipmason, Spraakleer, Deutsch & Schwed.

Niet geidentificeerd.

 

73. Hettema, Handleiding tot het lezen der Friesche taal. (1829)

= Hettema (Mr. M.), Beknopte handleiding om de oude Friesche taal gemakkelijk te lezen en te verstaan. gr. 8vo, Leeuwarden, G.T.N. Suringar, 1829. 0,40.

 

74. Oelrichs, Helgolands Woordenboek.

Peter Andresen Oelrichs (1781-1869) was born on Helgoland and published a small Helgolandish dictionary. From his early youth he was a seaman, starting at the (smuggling) trade with England. He had a varying career, traveling all over the world, becoming captain and afterwards administrator at Batavia (now Jakarta, Indonesia). At the end of the manuscript O. presents himself as a settled (and wealthy) man, head of administration of the Entrepôt at Batavia, content with the letters from old friends. The meeting at Batavia of captain Van Swieten, the man who helped him in his international career, forms the somewhat akward end, leaving room for a (possibly never written) sequel for the rest of his life. At 52, he probably imagined it a good time to write his memoirs, but he would finally reach the age of 88, returning to Helgoland and finding his final resting place in Holland, and marrying twice more. This is a unique copy for limited circulation. O. asks in a small foreword discretion of his friends, not to show his life-description to strangers, as they could possibly mock him. Indeed, Oelrichs shows no hesitation to tell the reader his unusual life in a captivating story full of witty details. The precise and neatly numbered watercolours, start with a view of Helgoland but else show more exotic destinations, especially many rarely depicted islands. In order of appearance they show: Cabo Verde, St. Maarten, dangerous breakers near Cabo Frio, Cabo Frio, the Pao de Aucar at Rio de Janeiro, San Sebastian (fold-out), Tristan D'Acunha, Java, the harbour of Batavia (fold-out), Table Mountain, St. Helena, Ascension, Flores and Corvo (Azores). Many plates also show befriended ships, partly also with a description in the text. The highly readable text, starting at his youth, tells a vivid story of practical shiplife, with many encounters with higher ranked people, and the subsequent advancement of his career. Tales of fighting, partying and the safe return from dangerous trips are elaborately described, but also the troubles of his family life (he marries twice in the book) are never avoided.

Biografie: http://www.helgoland-genealogie.info/biografien/peter-andresen-oelrichs-1781-1869/

 

75. Frederiksen, IJslandsch leesboek.

Einar Frederiksen

http://www.dbnl.org/tekst/_gid001193001_01/_gid001193001_01_0032.php

 

76-77. Kramers Woordentolk (2. ex.)

1848 Kramers' woordentolk verkort. Bevattende de vertaling en verklaring van vele duizenden vreemde woorden, waarvan de kennis voor den ambtenaar, koopman, fabrikant, kunstenaar, dagbladlezer, enz. van dagelijksche behoefte is.

 

78. Streckfuss, Gesch. der Wereld. 75 afl. (1866)

 

= Adolf Streckfuss, De Geschiedenis der Wereld aan het volk vertaald naar het Hoogduitsch bewerkt door B. Ter Haar Bz., Leiden, Firma van den Heuvel & van Santen, 1866. id. Van den Heuvell, Leiden, Netherlands, 1866. 1 ed. Ca.5200 p. large 8vo. Dutch, standaardwerk over de geschiedenis der wereld. met Index. Ornam. & verguld half-leer met orig. gemarmerde boards. 10 delen. 

 

 

 

 

 

 

 

79. Jaarboekje voor de leden van het Koninkl. inst. voor Ingenieurs.

Jaar niet aangegeven. Het Koninklijk Instituut voor Ingenieurs bestaat nog.

 

80. Erdbrink, 3-tal merkw. tafereelen uit de Geschiedenis: Amsterdam in 1535, Enkhuizen in 1572, Beemster in 1612. (1854).

Onjuist geciteerd: merkwaardige in plaats van gedenkwaardige.

= ERDBRINK,D.R., Drietal gedenkwaardige tafereelen uit de geschiedenis van Noord-Holland, Dordrecht, Lagerweij 1854, 2+182 pag., Amsterdam in 1535; Enkhuizen in 1572; Beemster in 1612.

 

81. Revue des familles 1831.

Frans tijdschrift.

 

82. Agron, Fransch leerboek. (1834)

AGRON (Antoine Nicolas) was een zeer verdienstelijk Fransche kostschoolhouder te Zierikzee, die in September 1793 werd aangesteld tot Stads Fransche kostschoolhouder te Gorinchem en in September 1796 als Rector der Latijnsche kunst- en kostschool te Elburg, werd beroepen, waar hij omstreeks het begin dezer eeuw moet overleden zijn. Hij heeft zich vooral bekend gemaakt door zijne Verzameling van Opstellen, om de jeugd tot de kennis der Fransche taal op te leiden, waarvan de achtste druk, door den Heer H. Scheerder bezorgd, in 1834 het licht zag. Voorts bestaat er nog van hem: Eenvoudige leertrant voor kinderen, om binnen weinig tijds bedreven te worden in het declineren en conjugeren, Gron. 1799. Zie Alphabetische Naaml. van Boeken, welke sedert 1792 tot 1832 zijn uitgekomen; Aanh. op het Woordenb. van Kunst. en Wetens. van G. Nieuwenhuis.

 

83. Le Rollin de la Jeunesse 2 dln. (1816)

= LE ROLLIN DE LA JEUNESSE.( 2 TOMES)., Paris, Delaunay, 1816.**, Relié de l' époque, demi - maroquin brun, plats marbré, dos orné de fil. doré, pièce de titre doré sur maroquin rouge, frontispice, 10,5x17cm, 475pp + 492pp, illustré n/b. Morceaux choisis des Histoires Ancienne et Romaine, précédée d' un abrégé de la Vie de Rollin, et accompagnés des courters réflexions. Deuxième édition, revûe et augmentée, avec 32 gravures.

 

84. Les aventures de Telemaque. (1808)

Les Aventures de Télémaque est le titre d'un roman didactique de Fénelon, publié en 1699. Adrian Moetjens en publia également une version clandestine en 1699 de Fénelon, la même année que sa première publication par Pierre Marteau[1]. Fénelon y raconte les pérégrinations de Télémaque, accompagné de Mentor, avatar de Minerve — prétexte d'un enseignement moral et politique qui fut également vu, à l'époque, comme une satire du règne de Louis XIV, représenté sous les traits d'Idoménée. Elles furent publiées en 1699 sans l'aveu de l'auteur, et réimprimées en 1717 par les soins de sa famille. Cet ouvrage, qui est à la fois une épopée et un profond traité de morale et de politique, a eu une foule d'éditions, a été traduit dans toutes les langues et a même été mis en vers latins (une première fois à Berlin, 1743, une seconde fois à Paris, par Étienne Viel, 1808) Les Aventures de Télémaque est aussi un récit en sept chapitres de Louis Aragon paru en 1922. Il est à noter également que le Télémaque de Fénélon fut utilisé par Joseph Jacotot comme livre de base de son enseignement universel.

 

85. Caspard, Dict. fr. allem. & allem-fr. (2 dln.)

Gerard Caspar, Nouveau dictionnaire portatif francais-allemand, allemand-francais. Paris, Lefevre 1868. 2. part. en 1 vol. in 16.

 

86. Emile v.d. Burgh, Le roi Margot (voor 1838)

Emile vander Burch, Le Roi Margot, Episode de la fin du XVI siecle 1589-1599. Deux volumes in 8o, ensemble de 48 feuilles 1/2. Imp. de Baudouin, Paris, Mame, rue Guenegaud n.23. Prix 15-0. Jaartal ontbreekt. In het Nieuwsblad voor de Boekhandel (543) is te lezen, dat boekhandelaar G.M.P. Londonck te Amsterdam op den 28sten Augustus 1838 het boek aan het Gemeentebestuur van Amsterdam, ter vertaling, heeft vertoond. Alexandre Dumas publiceerde in 1860 een persiflage op het boek onder de titel 'La reine Margot'. Le roi Margot is de musicus Villars.

 

87. Bomhoff, Ned-Eng. en Eng-Ned. Woordenb. (2 dln.)

Dirk Bomhoff Hz., Complete English-Dutch and Dutch-English Pocket-Dictionary, Zutphen (1840, 1857)

 

88. Calisch, Brievenboek in 4 talen.

= Nieuw Brievenboek in vier talen t.w. Hollandsch, Fransch, Duitsch en Engelsch, door Isaac Marcus Calisch en Frederic Martin Cowan, 1864, 2e druk 1871.

 

89. Lacroix, Elemen[t]s de Geometrie (1799)

= Silvestre Francois de Lacroix (1765-1843) , Élémens de géométrie (Paris, 1799,; 19th ed., 1874);

 

90. P. Massuet, Elements de la philosophie 1752

= Pierre Massut, Elements de la Philosophie moderne VI (1752)

 

91. Eliahum (sic) l'Evangile primitif.

Eliakim, L'evangile primitif, Amsterdam, R.C. Meyer 1860). Franse tekst. [Google-tekst].

 

92. Volney, les Ruines (1826,1839)

= Constantin Francois Chasseboeuf comte de Volney (C.F. von Volney) (1757-1820), Les ruines ou Meditation sur les révolutions des Empires. Précédé d'une notice par le comte Daru, Paris, 1826. Réédition (1789, édition princeps).

De ruinen van Volney wordt nadrukkelijk in verband gebracht met het Oera Linda Boek. Gallee schrijft in De Gids, 1878, pag. 22: 'Juist in die Jesus-geschiedenis komt eene merkwaardige verwarring voor. ‘Sin forme nôm wêre Jesus, de priesters noemden hem Fo, dat is valsch, het volk heette hem Krisen, dat is herder, en zijn vriend uit de Frijalanden gaf hem den naam van Buda. Klaarblijkelijk is het doel van den schrijver om de Indische traditie met de N. Testamentische in verband te brengen, terwijl zijn samenbrengen van de onderscheiden namen berust op een plaats bij Volney, Les Ruines, p. 114 en 204. Hier vindt men ook: Jesus, le fils de Marie, dont vous Indiens avez fait votre Dien Christ ou Chrisna, et vous chrétiens, votre Christos; e.a.l.: Le Chinois l'adore dans Fôt, l'habitant de Ceylon dans Boudah etc.'

Zie ook: 37 (vertaling in het Nederlands)

 

 

 

 

 

93. Polyglotte, Jaarg. 1861-63. (ongebonden) 1864 in afleveringen.

Niet geidentificeerd.

 

Vergelijk:

 

94. Revue des deux Mondes, 12 afl. (1829 en later)

La Revue des deux Mondes fut fondée le 1eraoût1829 par François Buloz pour donner une tribune aux idées en France en relation avec les autres pays d'Europe et avec le continent américain en particulier. Elle est la revue française vivante la plus ancienne en Europe.

 

95. Callet, Logar. tafelen (1795)

Tables Portatives de Logarithmes. Contenant les Logarithmes des nombres depuis 1 jusqu'à 108.000; Les logarithmes des sinus et tangentes, de seconde en seconde pur les cinq premiers degrés, de dix en dix secondes pur tous les degrés du quart de cercle; Et, suivant la nouvelle Division centésimale, de dix-millième. Callet, Francois. Buchbeschreibung: Paris, Ddot, 1795 (Tirage 1857)., 1857. Edition Stéréotype. 24,5x16 cm. VI, S. 7-118, 1 Bl., 680 S. Tafeln. Hldr. d.Zt. mit Rückengoldprg. Ecken/Kanten stärker bestoßen, Rck. beschabt. Ein Kurs zur Erklärung, dem Gebrauch und der Addition der Logarithmen von Sinus und Tangens von 1 - 108.000 und deren Anwendung bezüglich der Astronomie, der Navigation und des Gebrauchs in der Geometrie. Mit zahlr. Formeln und Tafeln, 1 2-fach gef. Rechenbeispiel sowie einer Tafel mit Winkeln nach Callet.

 

96. The History of Rasselas, Prince of Abyssinia. (1759)

= Samuel Johnson (1709-1784), Rasselas, Prince of Abyssinia, 1759. Ook aangeduid als: The history of Rasselas, prins of Abessinia. (wijsgerige novelle).

Vertaling: Samuel Johnson, De geschiedenis van Rasselas, prins van Abessinië, 143 p. Uitgeverij Het Spectrum, 1983, Oorspr. The history of Rasselas, prince of Abissinia (1759), Aangevuld met De ijdelheid van het menselijk verlangen, Oorspr. The vanity of human wishes (1749), Vertaald door Wim Tigges.

Het verhaal van Jessos in de Pundjab in het Oera Linda Boek herinnert aan het verhaal van prins Rasselas, die tegen de zin van zijn koninklijke ouders de afschermende paleismuren verliet om het echte leven in de buitenwereld te ervaren.

 

97. Murray, Eng. Spraakkunst. (1816)

= Engelsche Spraakkunst , door Lindley Murray; naar de zes-en-twintigste Engelsche uitgave. Bewerkt volgens de leerwijze van Agron [zie: 82]; ten dienste der Scholen , en dergenen , die de Engelsche taal , op eene spoedige wijze , grondig willen leeren. Te Haarlem , bij F. Bohn. 1816. In kl. 8 vo. f 1-5-.

Vertaling van: Lindley, Murray, English Grammar Adapted to the Different Classes of Learners. With an Appendix, Containing Rules and Observations, for Assisting the More Advanced Students to Write with Perspicuity and Accuracy. 1795

 

98. Londen [sic] in the Olden Time (1827)

Mogelijk betreft het London in the Olden Times, or Tales intended to illustrate the Manners and Superstitions of its Inhabitants, diir H. Laurence (1827)

Epub. beschikbaar op internet.

 

99. Roorda van Eijsinga, Maleische Spraakkunst.

= Philippus Pieter Roorda van Eijsinga (1796-1856), Maleische Spraakkunst, Chrestomathie en Woordenboek. Breda 1839.

ROORDA VAN EYSINGA (Philippus Pieter), geb. 1 Dec. 1796 te Kuinre, overl. 14 Oct. 1856 te Utrecht, zoon van Sytze R.v.E. en Yda Catharina Piers. Hij ging in militairen dienst en streed in 1815 als jong officier bij Waterloo tegen de Franschen. Daarna kwam hij in garnizoen te Grave, waar hij toen reeds buiten zijn diensttijd letterkundigen arbeid verrichtte. Spoedig besloot hij zijn vrij eentonig leven te verwisselen voor een verblijf in Oost-Indië. Hij vertrok daarheen in 1819 (zijn ouders waren daar reeds eerder aangekomen). Zoodra hij in Indië was, begon hij met de studie van het Maleisch. In 1820 nam hij ontslag als officier en werd kweekeling voor de inlandsche talen te Batavia. Behalve Maleisch studeerde hij hier Perzisch, Arabisch en Hindostani. Daarna legde hij zich toe op de studie van het Javaansch. In 1822 werd hij eerste commies bij het departement van inlandsche zaken. In hetzelfde jaar trad hij in het huwelijk met Andrisa Wilhelmina Amalia Thilo, die hem twee zoons en zes dochters schonk. Roorda's eerste groote wetenschappelijke prestatie is de uitgave van een Nederduitsch-Maleisch en Maleisch-Nederduitsch Woordenboek, 2 dln. (Batavia 1824, 1825). De regeering, die hem dit werk had opgedragen, bracht hem daarvoor haar hulde. Als translateur bewees hij het gouvernement goede diensten. Van het Javaansch gaf hij een spraakkunst en een woordenboek. Verder deed hij uitgaven en vertalingen van maleische en javaansche werken verschijnen of maakte die voor de pers gereed. Na het vervullen van allerlei andere functies in regeeringsdienst vertrok Roorda in 1830 om gezondheidsredenen naar Holland. In de navolgende jaren hield hij zich bezig met litterair werk van uiteenloopenden aard en gaf o.a. uit zijn groot gedicht Neerlands roem in Oost-Indië (1835). In 1836 werd hij docent voor de indische vakken aan de Koninklijke militaire akademie te Breda. Hier verschenen o.a. Aardrijksbeschrijving van Nederlandsch Indië (1838) en Maleische Spraakkunst (1839), terwijl hij een aanvang maakte met zijn Handboek der land- en volkenkunde enz. van Nederlandsch Indië, waarvan het laatste deel in 1850 te Amsterdam verscheen. In 1843 vertrok hij weer als indisch ambtenaar naar Java. Hier kreeg hij van het gouvernement de opdracht een nieuw maleisch-nederlandsch woordenboek samen te stellen. Dit werk, waaraan hij vier jaar bezig is geweest, is niet uitgegeven. Nadat hij in 1848 met recht op pensioen in Nederland was teruggekeerd, schreef hij nog een Algemeen Nederduitsch-Maleisch Woordenboek, in de Hof-, Volks- en Lage Taal ('s Grav. 1855). Dit was zijn laatste groote werk. Zijn portret verscheen als prent van P.W. v.d. Weyer. Zie: Levensbericht (door Dr. Wap) in Handel. Mij. der Nederl. Letterk. (1857) (hierachter lijst van geschriften); J. Nat, De studie van de Oostersche talen in Nederland in de 18e en de 19e eeuw (1929), 172, 173. Nat Bron: van der Aa.

 

100. Schlosser, Alg. Gesch. (7 afl.). (1856-1860)

= Friedrich Christoph Schlosser (1776-1861) + Kriegk, G.L. - Algemeene Geschiedenis. Deel 3 - Deel 18 Met Register En Voorberigten. 8 Banden. Rotterdam, Otto Petri, 1856. 1ste, 1856-1860. Uit het Hoogduitsch vertaald door D. van Hinloopen Labberton en J.L. Terwen.

Band 2, deel 3 (369 pag.) + deel 4 (395 pag.) Oude Geschiedenis Grieken-Romeinen;
Band 3, deel 5 (288 pag.) + deel 6 (301 pag.), Middel-Geschiedenis;
Band 4, deel 7 (320 pag.) + deel 8 (382 pag.), Middel-Geschiedenis;
Band 5, deel 9 (315 pag.) + deel 10 (330 pag.), Nieuwe-Geschiedenis;
Band 6, deel 11 (310 pag.) + deel 12 (315 pag.), Nieuwe-Geschiedenis;
Band 8, deel 15 (415 pag.) + deel 16 (327 pag.), Nieuwe-Geschiedenis;
Band 9, deel 17 (324 pag.) + deel 18 (312 pag.), Nieuwe-Geschiedenis + Register En Voorberigten (219 pag.),

 

101. Wereldkaart van v. Wijk-Roelandsz.

= Jacobus van Wijk Roelandsz (1781-1847). De Wereldkaart is vermoedelijk afkomstig uit zijn Algemeen Aardrijkskundig Woordenboek (Dordrecht 1821-1826, 7 deelen 8o.),

WIJK ROELANDSZ. (Jacobus van), den 28sten Januarij 1781 te Woerden geboren, werd opgeleid voor een stand, van welken hij geen luister ontleende, maar dien hij zelf vereerd en verhoogd heeft. Reeds op zijn dertienjarigen leeftijd was hij ondermeester op de stadsschool te Oudewater, maar had het geluk op zijn vijftiende jaar onder de kweekelingen te worden aangenomen der toen juist door het Amsterdamsche departement der maatschappij: tot nut van 't algemeen opgerigte kweekschool voor onderwijzers. Hier vooral legde hij de grondslagen voor hetgeen hij later geworden is. Eerlang werd hij ook hier ondermeester en kort daarop als hoofdonderwijzer geplaatst bij eene door dat departement ingerigte school voor jongelingen. In 1809 werd hij, op verzoek der Amsterdamsche vrijmetselaars-loge, stichter van het eerste instituut voor blinden. De meerdere uitbreiding echter noopte hem zich uitsluitend weder tot zijne eigene school te bepalen. Doch in het ongelukkig tijdsgewricht, dat nu volgde, werd het departement door gebrek aan fondsen genoodzaakt deze school op te heffen, en van Wijk, sedert 1800 met Amelia Godefrida Brunner gehuwd, geraakte met zijn gezin buiten bestaan. Nu nam hij een tijdlang in zijne vaderstad, als voorlezer, den kerkedienst waar, werd kort daarop huisonderwijzer bij een deftige familie, en liet zich, na de herstelling des vaderlands, door den kapitein ter zee H.M. Dibbetz overhalen, om, als gouverneur van diens zoon, met hem een reis naar de Middelandsche zee te ondernemen. Met de Kenau Hasselaer verliet hij in het najaar van 1814 het vaderland, bezocht de voornaamste Spaansche en Italiaansche zeehavens, nam aan boord ook den post van godsdienstleeraar waar, en keerde in 1814 behouden in het vaderland terug. Ruim een jaar daarna verwierf hij den eersten onderwijzersrang en werd kostschoolhouder te Hattem en in 1828 te Kampen. Hij bewees door een menigte geschriften groote diensten. Maar niet minder groot was zijn lust inzonderheid voor aardrijkskundige studien. Zijn Algemeen Aardrijkskundig Woordenboek (Dordrecht 1821-1826, 7 deelen 8o.), gevolgd door een Supplement in 4 deelen (1835-1839); zijne met aanm. en bijv. voorziene overbrenging van Vollrath Hoffmann's Aarde en hare bewoners, 3 dn. (Amst. 1835-1839) en zijne, in gemeenschap met dr. R.C. Bennet geschreven en in 1828 bij het provinciaal Utrechtsch genootschap bekroonde verhandeling Over de Nederlandsche ontdekkingen, waren daarvan belangrijke vruchten. De maatschappij van letterkunde en andere genootschappen benoemden hem tot lid. Z.M. verhief hem in 1842 tot broeder der orde van den Nederl. Leeuw. Hij overleed den 25sten Sept. 1847. Bron: Van der Aa.

 

102. Het nieuws van den dag. 1870-'71-'72.

Onbekende inhoud.

 

103. De Friesche Courant.

Onbekende inhoud.

 

104. Een pakje Fransche lectuur.

Onbekende inhoud.

 

105.Een pakje Hollandsche lectuur.

Onbekende inhoud.

 

106-107. 2 Photographische afbeeldingen van Schepen.

Onbekende inhoud.

 

108. Wassenbergh Friesche tongval (1802, 1806).

= Everwinus Wassenbergh, Bijdragen tot den Frieschen tongval;, 2. st. Leeuwarden 1802, 1806.

 

Everwinus Wassenbergh (Lekkum, 25 september1742 - Franeker, 3 december1826) was een Nederlandseclassicus en neerlandicus. Hij was hoogleraarGrieks aan de Universiteit van Franeker en doceerde vanaf 1797 ook Nederlands aan deze universiteit. De taalkundige werken die Wassenbergh schreef, betroffen niet alleen de talen waarin hij vaak schreef (het Latijn en Nederduitsch), of de talen waarin en/of waarover hij college gaf, namelijk het Grieks en later ook Nederduitsch, maar zeker ook het Fries. Hij staat dan ook bekend als de man van de Wassenberghse Renaissance. In 1774 kwam de Verhandeling over de eigennamen der Friesen: met ses bijlagen daar toe betrekkelijk en eene toelage van friesche spreekwoorden uit. Er is een handschrift van Wassenbergh overgeleverd met de titel Bijdrage tot een Idioticon Frisicum, of verzameling van woorden en spreekwijzen, den Friezen in het bijzonder eigen (ca. 1780). Veel van zijn taalkundige werken stammen uit de tijd dat hij aan de Franeker universiteit doceerde. Wassenbergh werd geboren als zoon van ds. Abraham Wassenbergh (predikant te Lekkum en Miedum) en Clarissa Maria Langenhert. Naast zijn ouders heeft ook zijn rector van de Latijnse school in Leeuwarden, Henricus Johannes Arntzenius, een belangrijke invloed op zijn voorliefde voor de Griekse en Latijnse letterkunde gehad. In 1761 studeerde hij in Franeker bij de geleerden Schrader en Valckenaer en in 1767 volgde hij laatstgenoemde professor naar Leiden teneinde daar zijn studie te vervolgen. Vanuit zijn Leidse tijd stamt het contact met de jurist en classicus Laurens van Santen (1746-1798), de latere curator die de benoeming van Siegenbeek heeft bewerkstelligd. Een andere jeugdvriend is de Amsterdamse classicus en Neolatijnse dichter Jeronimo de Bosch (1740-1811). De Bosch werd in 1798 curator van de Leidse universiteit en zorgde er in 1799 voor dat Siegenbeek werd bevorderd tot gewoon hoogleraar. Zijn contacten met Leiden dateren dus uit de tweede helft van 1760, toen hij een aantal maanden in Leiden studeerde voordat hij tot hoogleraar aan het Athenaeum in Deventer werd benoemd in 1768. Hij bleef in Deventer tot 1771. Van 1771 tot zijn overlijden in 1826 was hij verbonden aan de Franeker universiteit, alwaar hij enkele jaren rector-magnificus was, en vanaf 1797 ook Nederlands doceerde. Onder zijn studenten bevonden zich onder meer Bosscha, Van Ommeren en Camper. Op 25 oktober 1772 huwde de Franeker hoogleraar met de Amsterdamse Maria Ratelband. Op 30 juli 1774 werd hun zoon Hieronymus geboren (de latere rector Latijnse school Lochem, Franeker) en op 13 augustus 1785 hun dochter Clarissa Maria. De geleerde overleed in 1826 te Franeker, nadat zijn vrouw Maria, in 1809, zijn schoondochter Anna Henrica Wilhelmina Viëtor en zijn zoon Hieronymus, en zijn dochter eerder reeds waren heengegaan. De professor en zijn vrouw, zijn dochter en andere familie zijn in Lekkum op het kerkhof begraven, naast zijn vader, ds. Abraham Wassenbergh en naast de pastorie "De Weeme", hun oude huis. Wassenbergh is meer dan 40 jaar lid geweest van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. De taalgeleerde is door zijn colleges, oraties en geschriften van grote betekenis geweest voor het Nederlands en voor de continuering van de hernieuwde belangstelling voor het Grieks (hij volgde hierin de Franeker classici L. Bos en T. Hemsterhuis). Hij behoorde tot de Schola Hemsterhusiana, de groep classici die naar vernieuwingen in de studie van Griekse taal en cultuur heeft gestreefd. De Franeker geleerde wordt geroemd vanwege zijn interesse voor de Friese taal en cultuur. Wassenbergh richtte zich op 27 februari 1790 tot curatoren van de Franeker universiteit, met het verzoek om een college in de Nederlandse taal- en letterkunde te geven. Hij vond namelijk dat de ‘beschaafde kennis onser moederspraake’ onder de studenten te wensen overliet. De curatoren reageerden positief op dit verzoek en vonden het een goed idee om de jonge studenten kennis te laten nemen van hun eigen moedertaal. Tijdens de Bataafse Republiek had de Nederlandse taal een belangrijke plaats gekregen aan de Friese universiteit. Maar pas in 1797, met het decreet ‘tot herstel der Academie’ van 9 juni, werd de leeropdracht van Wassenbergh uitgebreid met Nederlandse taalkunde. Hij was daarmee de eerste hoogleraar die officieel Nederlands doceerde. (Cf. neerlandistiek). Er zijn een heel aantal colleges en dictaten van Wassenbergh in deze functie overgeleverd. Bron: Wikipedia.

 

109. Dict. Fr-Nederl. & Nederl-Fr.

Woordenboek.

 

110. Schroeder Steinmetz, algem. Aardrijksk. (1835)

= Algemeene Grondbeginselen der Aardrijkskunde, door L.A. Schroeder Steinmetz, Praeceptor aan de Latijnsche School te Groningen. Te Groningen, bij W. van Boekeren. XII en 381 bl. f 2-90. 1835.

 

111. 1 Pakje diversen.

Onbekende inhoud.

 

112. 1 id. id.

Onbekende inhoud.

 

Bron: J. Beckering Vinckers, Wie heeft het Oera-Linda-Boek geschreven ?, Kampen, Laurens van Hulst, 1877.

 

Opmerkingen (van de heer Beckering Vinckers): Ziedaar de bibliotheek van den Heer C. over de Linden aan den Helder, in leven, eerste Meesterknecht bij 's Rijks Marine-werf. (C. o. d. L. I). Bij een vlugtige lezing zal de goedgunstige lezer moeten uitroepen dat dit al heel raar soort van een bibliotheek was voor een man die volgens de verzeekering van zijn zoon geen vreemde talen, ja zelfs geen Friesch verstond. Op deze lijst toch vindt men Fransche, Engelsche, Hoogduitsche, Angelsaksische, Oud-Friesche, Oud-Noordsche, Zweedsche en Deensche werken. Wat deed C. I toen met die schat van taalboeken? Dat zal ons later blijken. . . '' Uit de correspondentie van Ottema en Over de Linden weten wij dat eerstgenoemde heeft geadviseerd over de keuze der Friese boeken en Over de Linden o.a. attent heeft gemaakt op het Friese woordenboekje van Mr. de Haan Hettema.In de literatuurlijst van dit woordenboekje vermeldt Hettema dat hij o.a.‘Meyer's Woordenschat'' heeft geraadpleegd en in de bibliotheek van Over de Linden vinden we datzelfde boekje onder no. 41. We kunnen dus zeggen dat de boekerij van Over de Linden althans de werken die hem ten behoeve van het samenstellen van een Friese familiekroniek zouden kunnen dienen en dat zullen merendeels de Friesche boeken zijn, vermoedelijk pas tot stand kwam nadat Ottema in het spel werd betrokken. Dat voert Cornelis Over de Linden definitief af van de lijst van kandidaat auteurs.*

 

*De conclusie is nogal voorbarig. Niet alleen Ottema heeft Cornelis over de Linden geadviseerd bij zijn keuze van boeken, maar zoals bekend werden ook boeken voor hem ingekocht door Ernest Staderman op veilingen van Bom.

 

De aankoopdatum van deze boeken die soms in de pub. aanwezig zijn kan niet steeds worden nagegaan, zodat alleen de inhoud iets kan vertellen. Enkele geven sterke aanwijzingen dat bepaalde zinsneden in de Kroniek zijn overgenomen, maar zoals betoogd veel zegt dat niet, want derden waaronder Halbertsma waren in het bezit van de meesten dezer uitgaven. Als regel blijkt de paragraaf te pleiten voor Halbertsma's auteurschap omdat er verbindingen met andere zinnen - gedachten of woordvormen uit voortvloeien waarmee Cornelis c.s. onmogelijk van doen kon hebben. Wij zullen besluiten met een aantekening over no. 5 uit de Catalogus - de Vaderlandsche Geschiedenis van I. P. Arend) - een werk dat zoals we op p. 46 stelden vrijwel zeker door de schrijver werd gebruikt, maar omdat het zo'n populaire geschiedschrijvers was en velen ter beschikking stond levert de onderlinge afhankelijkheid nog geen duidelijke relatie met een of andere schrijver of bezitter op. Bron: G.J. van der Meij, Kanttekeningen, 1978.

 

         

 

 

 

 

breedte 1506 px

 

  

Rodinbook