OERA LINDA BOEK - VERTALING J.G. OTTEMA

 

 


[p. 4]

Okke mijn zoon.

Deze boeken moet gij met lijf en ziel bewaren, zij bevatten de geschiedenis van ons geheele volk, en ook van onze voorvaderen. Verleden jaar heb ik die uit den vloed gered tegelijk met u en met uwe moeder. Doch zij waren nat geworden, daardoor gingen zij naderhand bederven. Om ze niet te verliezen, heb ik ze op overlandsch papier overgeschreven. Bijaldien gij ze erft, moet gij ze ook overschrijven. Uwe kinderen desgelijks, opdat zij nimmer verloren gaan. Geschreven te Liuwert, nadat Atland verzonken is, het drie duizend vier honderd negen en veertigste jaar, dat is naar de Christen-rekening het twaalf honderd zes en vijftigste jaar. Hiddo bijgenaamd Over de Linde. Waak.

 

Lieve erfgenamen, om onze lieve voorouderen wille, en om onze lieve vrijheids wille, duizendmaal bid ik u. Och lieve, laat de oogen van een monnik toch nooit over deze schriften weiden. Zij spreken zoete woorden, maar zij tornen ongemerkt, aan alles wat ons Fries betreft. Om rijke prebenden te winnen, heulen zij met de vreemde koningen; deze weten dat wij hunne grootste vijanden zijn, omdat wij hunne lieden toespreken durven over vrijheid, recht en vorstenplicht. Daarom laten zij alles vernielen, wat van onze voorvaderen komt, en wat nog overig is van onze oude zeden. Och lieve, ik ben bij hen aan het hof geweest; wil Wralda het gehengen, en wij ons niet sterk maken, dan zullen zij ons altegader verdelgen. Geschreven te Liudwert, acht honderd en drie jaar, na de Christen meening. Liko bijgenaamd Over de Linde.

 

[p. 5]

Het boek van Adela's aanhangers.

Dertig jaren na den dag, waarop de volksmoeder omgebracht was, door den overste Magy, stond het er erg aan toe. Alle Staten, die er liggen aan de andere zijde der Weser, waren van ons afgescheurd en onder het geweld [onder de macht] des Magy gekomen; en het stond te vreezen, dat hij geweldig zoude worden over het geheele land. Om dat ongeluk te weeren, had men eene algemeene volksvergadering belegd, alwaar vergaderd waren alle manspersonen, die in een goeden roep stonden bij de maagden (priesteressen) . Doch nadat er meer verloopen waren dan drie etmalen, was de geheele Go-raad in de war, en alles even als bij hunne komst. Toen ten laatste vroeg Adela het woord, en sprak: Gij allen weet, dat ik drie jaren burgtmaagd geweest ben; ook weet gij, dat ik gekozen ben tot volksmoeder en dat ik niet volksmoeder wezen wilde, omdat ik Apol tot mijn echtgenoot begeerde. Doch wat gij niet weet, dat is, dat ik alle gebeurtenissen nagegaan heb, evenals of ik een wezenlijke volksmoeder was geweest. Ik heb gestadig heen en weder gereisd, toeziende wat er gebeurde. Daardoor zijn mij veele zaken openbaar geworden, die anderen niet weten. Gij hebt gisteren gezegd, dat onze stamverwanten aan de andere zijde der Wezer tam en laf waren; doch ik mag tot u zeggen, dat de Magy hun niet n dorp afgewonnen heeft door het geweld zijner wapenen, maar bloot door arglistige ranken en nog meer door de hebzucht der hertogen en edelingen. Frya heeft gezegd: wij moesten geene onvrije lieden bij ons toelaten; doch wat hebben zij gedaan? Zij hebben onze vijanden nagevolgd; want in plaats van hunne gevangenen te dooden of vrij te laten, hebben zij Fryas raad veracht en hen tot hunne slaven gemaakt. Omdat zij zulks deden, had Frya geene lust meer langer over hen te waken; zij hebben eens anders vrijheid benomen, en dat is oorzaak, dat zij hunne [p. 7] eigene verloren hebben. Doch dat alles is u zelven ook bekend; maar ik wil tot u zeggen, hoe zij allengs zoo laag verzeild zijn. De vrouwen der Finnen kregen kinderen; deze groeiden op met onze vrije kinderen. Somtijds dartelden en joelden zij te zamen op het hiem, of zij waren met elkander bij den haard. Daar hoorden zij met welgevallen naar de losbandige sagen der Finnen, omdat die slecht en nieuw waren. Zoo zijn zij ontfriesd ondanks de macht hunner ouders. Toen de kinderen groot werden en zagen dat de kinderen der Finnen geene wapenen mochten hanteeren en slechts moesten werken, kregen zij van het werken een afkeer en werden zeer hoogmoedig. De meesters en hunne kloekste zoonen kropen bij de wulpsche meisjes der Finnen; en hunne eigene dochteren, door het slechte voorbeeld van den weg gebracht, lieten zich door de schoonste knapen der Finnen begorden, ten spot van hare verdorvene ouders. Toen de Magy dat in de neus kreeg, toen nam hij de schoonste zijner Finnen en Magyaren, en beloofde hun roode koeijen met gouden hoornen, zoo zij zich door ons volk lieten gevangen nemen, ten einde zijne leer te verbreiden. Maar zijne lieden deden meer; kinderen werden te zoek gemaakt, naar de bovenlanden weggevoerd, en nadat zij opgevoed waren in zijne verderfelijke leer, dan werden zij terug gezonden. Toen de schijn-slaven onze taal machtig waren, klampten zij de Hertogen en Edelingen aan boord en zeiden, dat zij den Magy onderhoorig moesten worden, dan konden hunne zoonen hen opvolgen zonder door het volk gekozen te worden. Diegenen, die om hunne goede daden een vrdeel tot hun huis gekregen hadden, beloofden zij van zijnentwege ook nog een achterdeel er bij; zulken die een voor- en achterdeel gekregen hadden, zeiden zij een ronddeel toe; en die een ronddeel hadden eene geheele State. Waren de ouders te hard Fryasgezind, dan wenden zij den boeg en hielden aan op hunne verbasterde zoonen. Gisteren waren er onder u, die al het volk te hoop roepen wilden [p. 9] om de oostelijke Staten weder tot hare plicht te dwingen. Doch naar mijne eenvoudige meening zou dat verkeerd uitkomen. Denk eens, daar was er eene hevige longziekte onder het vee, en dat die daar nog erg woedde, zoudt gij het dan wel wagen om uw gezonde vee te voeren onder hun ziek vee? Immers neen. Bijaldien nu iedereen beamen en toestemmen moet, dat het dan met de (vee) stapel erg afloopen zoude; wie zoude dan zoo onvoorzichtig wezen om zijne kinderen te wagen onder een volk, dat geheel en al verdorven is? Mocht ik u een raad geven, ik zoude tot u zeggen, gij moest voor alle dingen eene nieuwe volksmoeder kiezen. Ik weet wel dat gij daarmede aan den grond zit, uithoofde dat er van de dertien burgtmaagden, die wij nog overig hebben, wel acht zijn, die naar die eere dingen, maar daar zoude ik geen acht op slaan. Teuntia, die maagd is op de burgt Medeablik, heeft er nooit naar getaald, en toch is zij iemand van wetenschap en helder inzicht en wel zoo sterk op haar volk en onze gewoonten gesteld, als alle andere te zamen. Voorts zoude ik aanraden, gij moest naar de burgten gaan en daar opschrijven alle wetten van Fryas tex, benevens alle geschiedenissen, ja alles wat er te vinden is op de wanden, opdat die alle niet verloren gaan, en met de burgten tevens niet worde vernield. Daar staat geschreven: De moeder en elke burgtmaagd zal hebben buiten helpers en zendboden, eenentwintig maagden en zeven leermeisjes. Mocht ik daar wat bijvoegen, dan zoude ik schrijven, en alzoo veele eerzame dochteren om te leeren, als daar op de burgten wezen mogen. Want ik zeg in trouwe en de tijd zal het bevestigen, bijaldien gij echte Fryas kinderen wilt zijn, nimmer te overwinnen noch door list noch door wapenen, zoo behoort gij er voor te waken, dat uwe dochters echte Fryas vrouwen worden. Den kinderen moet men leeren, hoe groot ons land weleer geweest is, hoe groote mannen onze voorvaderen waren, hoe groot wij nog zijn, zoo wij ons neder liggen [p. 11] (vergelijken) bij anderen: men moet hun vertellen van de zeehelden en van hunne heldhaftige daden, ook over de verre zeetochten. Alle deze verhalen behooren gedaan te worden bij den haard, op het hiem, en waar het wezen moge, zoo in blijdschap, als bij tranen. Maar zal het standhoudend komen in het brein en in het hart, dan moeten alle leeringen over de lippen uwer vrouwen en dochteren daarin vloeijen. Adelas raad is opgevolgd.

Deze zijn de grevetmannen onder wier bestuur dit boek is vervaardigd.

1. Apol, Adelas man, driewerf is hij zeekoning geweest, nu is hij grevetman over Oostflyland en over de Lindeoorden, de burgten Liudgarda, Lindahem en Stavia zijn onder zijne hoede.

2. De Saxman Storo, Sytias man, grevetman over de Hoogefennen en Wouden, negenwerf is hij tot hertog dat is tot heerman gekozen; de burgten Buda en Manna-garda-forda zijn onder zijne hoede.

3. Abelo, Jaltias man, grevetman over de Zuiderflylanden, driewerf is hij heerman geweest, de burgten Aken, Liudburg en Katsburg zijn onder zijne hoede.

4. Enoch, Dywckes man, grevetman over Westflyland en Texel, negenmaal is hij tot zeekoning gekozen, Waraburg, Medeasblik, Forana en Fryasburg zijn onder zijne hoede.

5. Foppe, de man van Dunroos, grevetman over de Zeven eilanden, vijf maal is hij zeekoning geweest, de burgt Walhallagara is onder zijne hoede.

Dit stond op de wanden der Fryasburg te Texland geschreven, dat staat ook te Stavia, ook te Medeasblik.

Het was Fryasdag en te dier tijd was het zeven maal zeven jaren geleden, dat Festa was aangesteld als volksmoeder, naar Fryas begeerte. De burgt Medeasblik was gereed en eene maagd was gekozen. Nu zoude Festa hare nieuwe lamp opsteken, en toen dat gedaan was in tegenwoordigheid [p. 13] van het volk, toen riep Frya van hare waakstar, zoodat iedereen het hooren konde: Festa neem uwe stift en schrijf de dingen, die ik niet zeggen mocht. Festa deed alzoo als haar geboden was. Zoo zijn wij Fryas kinderen aan onze vroegste geschiedenis gekomen.

Dit is onze vroegste geschiedenis.

Wralda, die alleen goed en eeuwig is maakte den aanvang, alsdan kwam de tijd, de tijd wrochte alle dingen, en ook de aarde, de aarde baarde alle gras, kruiden en boomen, al het liefelijk gedierte en al het booze gedierte. Alles wat goed en liefelijk is, bragt zij bij dag voort, en alles wat boos en kwaad is, bragt zij bij nacht voort. Na het twaalfde Juulfeest bragt zij voort drie maagden:

Lyda uit gloeijende stof,

Finda uit heete stof, en

Frya uit warme stof.

Toen deze te voorschijn kwamen, spijsde Wralda haar met zijnen adem, opdat de menschen aan hem zouden gebonden wezen. Zoodra zij volwassen waren, kregen zij vermaak en genoegen in de droomen van Wralda. Haat trad tot haar binnen. En nu baarden zij elk twaalf zonen en twaalf dochteren, elke juultijd een paar. Daarvan zijn alle menschen gekomen.

Lyda was zwart, met krullend haar als de lammeren, gelijk starren fonkelden hare oogen, ja de blikken des grijpvogels waren vreesachtig bij de hare.

Scherpe Lyda. Een slang kon ze kruipen hooren, en wanneer er visschen in het water waren, ontging dat hare neusgaten niet.

Snelgebouwde Lyda. Een sterken boom kon zij buigen, en wanneer zij liep brak geen bloemstengel onder hare voet.

Geweldige Lyda. Hard was hare stem, en schreeuwde zij uit verbittering, dan liep ieder schielijk weg. [p. 15]

Wondervolle Lyda. Van wetten wilde zij niet weten; hare daden werden door hare driften bestuurd; om de zwakken te helpen, doodde zij de sterken, en wanneer zij dat gedaan had, weende zij bij het lijk.

Arme Lyda. Zij werd grijs van het dwaze gedrag, en ten laatste stierf zij van hartseer over de boosheid harer kinderen.

Onverstandige Kinderen. Zij betichteden elkander van hunne moeders dood, zij huilden als wolven en vochten evenzoo, en terwijl zij zoo deden, vraten de vogels aan het lijk. Wie mag daarbij zijne tranen weerhouden.

Finda was geel en hare haren gelijk de manen van een paard; een boom kon zij niet buigen, maar waar Lyda een leeuw doodde, doodde zij wel tien.

Verleidelijke Finda, zoet was haar stem en geen vogel kon zingen gelijk zij, hare oogen lokten en lonkten, maar die er inzag werd een slaaf.

Onredelijke Finda. Zij schreef duizende wetten, doch zij volgde er niet eene van op. Zij verfoeide de goeden wegens hunne vrijmoedigheid, maar aan flikflooisters gaf zij bijna haar zelve weg. Dat was haar ongeluk. Haar hoofd was te vol, doch haar hart te ijdel. Zij beminde niemand dan haar zelve, en zij wilde dat elk haar lief zoude hebben.

Valsche Finda. Honingzoet waren hare woorden; doch wie haar vertrouwde, dien was ongeluk nabij.

Zelfzuchtige Finda. Over allen wilde zij heerschen, en hare zoonen waren gelijk zij. Zij lieten zich bedienen van hunne zusteren, en elkander sloegen zij om het meesterschap dood.

Dubbelhartige Finda. Om een schuins woord werd zij gram, en de ergste daden roerden haar niet. Zag zij een hagedis eene spin verslinden, dan werd zij om het hart als ijs; maar zag zij hare kinderen een Fries vermoorden, dan zwol haar boezem van genoegen.

[p. 17]

Ongelukkige Finda. Zij stierf in den bloeitijd van haar leven, en het is nog duister hoe zij gevallen is.

Schijnheilige kinderen. Onder een kostelijk gesteente legden zij haar lijk neder. Met hoogdravende opschriften smukten zij dat op, luid weenende om gehoord te worden, maar in stilte weenden zij niet een eenige traan.

Verfoeijelijk volk. De tex (inzetting) , die Finda naliet, was op gouden bladen geschreven, doch de besten, waarvoor zij gemaakt was, was zij nimmer tot nut; de goede wetten werden uitgewischt en zelfzucht schreef daar slechte voor in de plaats. O Finda, toen werd de aarde vol bloed, en de hoofden der menschen maaiden uwe kinderen af gelijk grashalmen. Ja Finda, dat zijn de vruchten van uwe ijdelheid, zie neer van uwe waakstar en ween.

Frya was wit gelijk de sneeuw bij het morgenrood, en het blaauw harer oogen won het de regenboog af.

Schoone Frya. Als stralen der middagzon schitterden hare haarlokken, die zoo fijn waren als spinrag.

Bekwame Frya. Ontsloten zich hare lippen, dan zwegen de vogelen en geen bladeren bewogen zich meer.

Geweldige Frya. Door de kracht harer blikken streek de leeuw voor hare voeten neder, en hield de adder zijn gift terug.

Reine Frya. Hare spijs was honing en haar drank dauw, vergaderd in de boesem der bloemen.

Verstandige Frya. Het eerste wat zij hare kinderen leerde was zelfbeheersching, het tweede was liefde tot de deugd, en toen zij volwassen waren, leerde zij hun de waarde van de vrijheid kennen. Want, zeide zij, zonder vrijheid zijn alle andere deugden alleen goed om u tot slaven te maken, uwe afkomst tot eene eeuwige schande.

Milde Frya. Nimmer liet zij metaal uit de aarde delven om eigen voordeel, maar wanneer zij het deed, was het tot nut van iedereen.

Gelukkigste Frya. Gelijk de sterren de aarde omzwermen, zoo zwermden hare kinderen om haar.

Wijze Frya. Toen zij hare kinderen had opgevoed tot in het zevende lid, toen riep zij ze alle naar Flyland te zamen. Daar gaf zij hun hare tex, en zeide laat die uw wegwijzer wezen, dan zal het u nimmer kwalijk gaan.

Uitverkoren Frya. Toen zij dit gezegd had, beefde de aarde, als Wraldas zee. Flylands bodem zonk allengs onder hare voeten neder, de lucht werd zwart en geelgroen van tranen te storten, en toen zij naar hunne moeder omzagen, was zij al lang opgerezen tot hare waakstar. Toen ten laatste sprak donder uit de wolken en bliksem schreef aan het luchtruim: waak!

Verziende Frya. Het land van waar zij was opgevaren, was nu een stroom, en behalve hare tex was daarin alles bedolven, wat van hare handen gekomen was.

Gehoorzame kinderen. Toen zij tot hun zelven kwamen, toen maakten zij dit hooge terp, bouwden deze burgt daarop, aan diens wanden schreven zij de tex, en omdat iedereen die zoude mogen vinden, hebben zij het land daarom heen Texland geheeten. Daarom zal het blijven bestaan, zoo lang de aarde aarde is. [p. 19]

Fryas tex.

Heil verbeidt de vrijen. Ten laatste zullen zij mij weder zien. Doch hem alleen mag ik als vrij erkennen die geen slaaf is van een ander noch van zijne driften. Hier is mijn raad.

1. Zoo wanneer de nood erg is, en goede raad en goede daad niets meer vermogen, roep dan den geest van Wralda aan; maar gij moet hem niet aanroepen, bevorens alle dingen beproefd zijn. Doch ik zeg u met redenen, en de tijd zal het waar maken: De moedeloozen zullen immer bezwijken onder hun eigen leed. [p. 21]

2. Wraldas geest mag men alleen kniebuigende dank toewijden, ja driewerf, voor hetgene gij van hem genoten hebt, voor hetgene gij geniet en voor de hoop, die hij u laat in angstige tijden.

3. Gij hebt gezien, hoe spoedig ik hulp verleende. Doe al eender met uwen naaste; maar en toef niet tot dat men u gebeden heeft; de lijdende zoude u vloeken, mijne maagden zouden uwen naam uitwisschen uit het boek en ik zoude u als een onbekende moeten afwijzen.

4. Neem nimmer kniebuigende van uwen naaste dank aan, deze behoort aan Wraldas geest. De nijd zoude u bekruipen; de wijsheid zoude u belagchen; mijne maagden zouden u betigten van vaderroof.

5. Vier dingen zijn tot uw genot gegeven, met name lucht, water, land en vuur; maar Wralda wil alleen daarvan bezitter wezen. Daarom raad ik u, gij zult u rechtvaardige mannen kiezen, die den arbeid en de vruchten naar recht verdeelen, zoodat niemand vrij van werken noch van verdedigen zij.

6. Zoo wanneer daar iemand onder u gevonden wordt, die zijne eigene vrijheid verkoopt, die is niet van uw volk, hij is een bastaard met verbasterd bloed. Ik raad u, dat gij hem en zijne moeder uit het land drijft. Zeg dat tot uwe kinderen des morgens en des middags en des avonds, tot dat zij daar van droomen des nachts.

7. Een iegelijk die een ander van zijne vrijheid berooft, al ware de ander hem schuldig, dien moet ik aan den leiband eener slavin laten voeren. Doch ik raad u om zijn lijk en dat zijner moeder op eene kale plaats te verbranden en daarna hunne asch vijftig voet onder den grond te begraven, opdat daar geen grashalm op groeijen moge, want zoodanig gras zoude uw kostelijkste vee dooden.

8. Tast nooit aan het volk van Lyda, noch van Finda, omdat Wralda zoude hen helpen; zoodat al het geweld, dat van u uitging, op uw eigen hoofd zoude terugkeeren.

9. Zoo wanneer het mocht gebeuren, dat zij van u raadgeving of iets anders begeerden, zoo behoort gij hen te helpen. Maar komen zij om te rooven, val dan op hen neder als het bliksemende vuur.

10. Zoo wanneer een van hun eene uwer dochteren tot vrouw begeert, en zij dat wil, dan zult gij haar hare dwaasheid beduiden, doch wil zij toch haren vrijer volgen, dat zij dan met vrede ga.

11. Wil uw zoon eene van hunne dochteren, dan moet gij even zoo doen als met uwe dochter. Maar noch de een, noch de ander mag terugkeeren, want zij zouden uitheemsche zeden en gewoonten medevoeren, en zoodra deze bij u gehuldigd worden, mag ik niet langer over u waken.

12. Op mijne dienares Fasta heb ik al mijne hoop gevestigd. Daarom moet gij haar tot uwe Eeremoeder nemen. Volgt gij mijn raad, dan zal zij namaals mijne dienares blijven en alle vrome maagden die haar volgen. Dan zal de lamp nimmer uitgaan, die ik voor u opgestoken heb. Het licht daarvan zal dan eeuwig uw brein verlichten, en gij zult dan even vrij blijven van onvrij geweld, als uwe zoete rivierwateren van het zoute water der eindelooze zee. [p. 23]

Dit heeft Fasta gezegd.

Alle inzettingen die eene eeuw, dat is honderd jaren, mogen omloopen met den Kroder (kruijer) en zijn Juul, die mogen op raad der Eeremoeder en bij gemeene wil op de wanden der burgten gegrift worden; zijn zij op de wanden geschreven, dan zijn zij wetten (ewa) , en het is onze plicht om die alle in eere te houden. Komt nood en dwang ons inzettingen te geven, strijdende met onze wetten en gewoonten, zoo moet de mensch doen gelijk zij eischen; doch zijn zij geweken, dan moet men immer tot het oude terugkeeren. Dat is Fryas wil en dat moet wezen die van alle hare kinderen.

Fasta zeide

Alle dingen die men aanvangen wil, hoedanig zij mogen wezen, op den dag, waarop wij Frya gehuldigd hebben, zullen eeuwig falikant uitkomen. Nadat de tijd nu bewezen heeft, dat zij recht had, zoo is dat eene wet geworden, dat men zonder nood en dwang op Frya haren dag niets anders doen mag dan blijde feesten vieren. [p. 25]

Dit zijn de wetten die tot de burgten betrekking hebben.

1. Zoo wanneer ergens eene burgt gebouwd is, dan moet de lamp aldaar aan de eerste lamp te Texland aangestoken worden, doch dat mag nimmer anders dan door de Moeder geschieden.

2. Elke moeder zal hare eigene maagden kiezen. Eveneens die welke op andere burgen moeder zijn.

3. De Moeder te Texland mag hare opvolgster kiezen, doch bijaldien zij sterft voor dat zij het gedaan heeft, dan moet die gekozen worden op eene algemeene vergadering bij raad van alle staten te zamen.

4. De Moeder op Texland mag eenentwintig maagden hebben en zeven spinmeisjes, opdat er altijd zeven bij de lamp mogen waken des daags en des nachts. Bij de maagden die op de andere burgten als moeder dienen, even zoo vele.

5. Bijaldien eene maagd aan iemand huwen wil, zoo moet zij dat aan de moeder berichten, en op staande voet tot de menschen terugkeeren, eer zij met haar tochtige adem het licht verontreinigt.

6. Aan de Moeder en aan iedere burgtmaagd zal men toevoegen eenentwintig burgtheeren, zeven bejaarde wijzen, zeven bejaarde krijgslieden en zeven oude zeestrijders. [p. 27]

7. Daarvan zullen alle jaren naar huis keeren drie van elk zevental, maar zij mogen niet opgevolgd worden door hunne nabestaanden, nader dan het vierde lid.

8. Ieder mag drie honderd jonge burgtverdedigers hebben.

9. Voor deze diensten zullen zij Fryas tex leeren en de wetten, van de wijze mannen de wijsheid, van de oude heermannen de kunst van den oorlog, en van de zeekoningen de kundigheden die bij het buitenvaren noodig zijn.

10. Van deze verdedigers zullen jaarlijks honderd naar huis keeren; doch zijn er sommigen verlamd geworden, dan mogen zij op de burgten blijven hun geheele leven lang.

11. Bij het kiezen van de verdedigers mag niemand van de burgt eene stem hebben, noch de Grevetmannen, of andere opperhoofden, maar enkel het volk alleen.

12. De Moeder te Texland zal men geven driemaal zeven flinke boden, met driemaal twaalf rappe paarden. Op de andere burgten elk burgtmaagd drie boden met zeven paarden.

13. Ook zal iedere burgt hebben vijftig (land) bouwers, door het volk verkozen, maar daartoe mag men slechts zulken geven, die niet geschikt en sterk voor de krijgsdienst, noch voor buitenvaarders zijn.

14. Iedere burgt moet in haar eigen onderhoud voorzien en geneeren zich van haar eigen ronddeel en van het deel, dat zij van het markgeld ontvangt.

15. Is er iemand gekozen om op de burgten te dienen en wil hij niet, dan mag hij naderhand geen burgtheer worden, en dus nooit een stem hebben. Is hij reeds burgtheer, dan zal hij die eer verliezen.

16. Bijaldien iemand raad begeert van de Moeder, of van eene burgtmaagd, dan moet hij zich melden bij den schrijver. Deze brengt hem bij den burgtmeester. Vervolgens moet hij naar den leetse, dat is naar den heelmeester, die moet zien of hij ook bezocht is van kwade tochten. Is hij goedgekeurd, [p. 29] dan ontdoet hij zich van zijne wapenen en zeven krijgslieden brengen hem bij de Moeder.

17. Is de zaak over ne state, dan mogen er niet minder dan drie boden komen. Betreft zij het geheele Friesland, dan moeten er nog driemaal zeven getuigen bij wezen, daarom, omdat er geen kwaad vermoeden oprijze moge, noch bedrog gepleegd worde.

18. Bij alle zaken moet de Moeder zorgen en hoeden dat hare kinderen, dat is Fryas volk, zoo maatrijk blijven, als het wezen kan, dat is de grootste van hare plichten, en ons aller (plicht is het) om haar daar in te helpen.

19. Heeft men haar bij eene gerechtelijke zaak ingeroepen om uitspraak te doen tusschen een Grevetman en de gemeente, en vindt zij de zaak twijfelachtig, zoo moet zij ten bate der gemeente spreken, opdat er vrede kome, en omdat het beter is dat aan n man onrecht gedaan wordt dan aan velen.

20. Komt iemand om raad en weet de Moeder raad, zoo behoort zij op het oogenblik dien te geven. Weet zij op het oogenblik geen raad, dan mag zij zeven dagen laten wachten. Weet zij dan nog geen raad, dan mogen zij henen gaan en zij mogen zich niet beklagen, omdat geen raad beter is dan een verkeerde raad.

21. Heeft eene Moeder slechte raad gegeven uit kwaadwilligheid, dan moet men haar dooden, of uit het land drijven geheel naakt en bloot.

22. Zijn hare burgtheeren medeplichtig, dan doet men even zoo met hen.

23. Is hare schuld twijfelachtig of bloot vermoeden, dan moet men hier over beraadslagen en spreken, zoo het noodig is, eenentwintig weken lang. Stemt het half deel schuldig, zoo houde men haar voor onschuldig. Twee derde, zoo wacht men nog een vol jaar. Stemt men dan ook nog zoo, dan mag men haar voor schuldig houden, maar niet dooden.

24. Bijaldien er onder het derde deel sommigen zijn, die haar voor zoo onschuldig houden, dat zij haar willen volgen, zoo mogen zij dat doen met al hunne drijvende en tilbare have en niemand behoort hen daarom te minachten, aangezien de meerderheid even goed kan dwalen als de minderheid. [p. 31]

Algemeene wet.

1. Alle vrijgeborenen zijn op gelijke wijze geboren. Daarom moeten zij ook gelijke rechten hebben, even goed op het land als op het ee, dat is water, en op alles dat Wralda geeft.

2. Elk manspersoon mag de vrouw zijner keuze vrijen, en elke dochter mag haren heildrank aanbieden aan hem, dien zij bemint.

3. Heeft iemand eene vrouw genomen, dan geeft men hem huis en werf. Is er geen, dan moet het gebouwd worden.

4. Is hij naar een ander dorp gegaan, om eene vrouw en wil hij daar blijven, dan moet men hem aldaar een huis en werf geven, benevens het genot van de hemrik.

5. Aan ieder manspersoon moet men een achterdeel als werf bij zijn huis geven: want niemand mag een voordeel bij zijn huis hebben, veel min een ronddeel. Alleen wanneer iemand eene daad verricht heeft tot gemeenen nutte, dan mag hem dat gegeven worden. Ook mag zijn jongste zoon dat erven. Na dezen moet het dorp dat terugnemen.

6. Elk dorp zal een hemrik hebben naar zijne behoefte en de graaf zal hoeden dat elk zijn deel bemest en goed houdt, opdat de nakomelingen geene schade lijden mogen.

7. Elk dorp mag eene markt hebben ter koop en verkoop, of tot ruilhandel. Al het andere land zal bouw en bosch blijven. Doch de boomen daarin zal niemand vellen, buiten gemeene raad, en buiten weten van den woudgraaf. Want dewouden zijn ten gemeenen nutte, daarom mag niemand er meester van zijn.

8. Als marktgeld mag het dorp niet meer nemen dan het twaalfde gedeelte van den koopschat, noch van de inwoners, noch van den verafwonenden. Ook mag de marktschatting niet eerder verkocht worden als het andere goed.

9. Al het marktgeld moet jaarlijks verdeeld worden, drie dagen voor den Juuldag, in honderd deelen te verdeelen.

10. De grevetman met zijne graven zal daarvan ontvangen twintig deelen; de marktrechter tien deelen en zijne helpers vijf deelen; de volksmoeder een deel; de vroedvrouw vier deelen; het dorp tien deelen; de armen, dat zijn die welke niet werken kunnen of mogen, vijftig deelen.

11. Degene die te markt komen mogen niet woekeren. Komen er sommige, dan is het de plicht der maagden, hen kenbaar te maken over het geheele land, opdat zij nimmer gekozen worden tot eenig ambt, want zulke hebben een gierig hart. Om rijkdom te vergaderen zouden zij alles verraden, het volk, de Moeder, hunne nabestaanden en ten laatsten zich zelven.

12. Is er iemand zoo boos dat hij zuchtziek vee of bedorven waar voor heel goed verkoopt, dan moet de marktrechter hem weren en de maagden hem noemen over het geheele land.

In vroegere tijden huisde Findas volk meest al te gader over hun moeders geboorteland, met name Aldland, dat nu in zee ligt. Zij waren dus ver af. Daarom hadden wij ook geen oorlog. Toen zij verdreven zijn en herwaarts kwamen om te rooven, toen kwam er van zelf landverdediging, heermannen, koningen en oorlog. Voor die alle kwamen inzettingen, en uit de inzettingen kwamen wetten. [p. 33]

Hier volgen de wetten die daaruit zamengesteld zijn.

1. Elke Fries moet de beleedigers of vijanden afweren, met al zulke wapenen, als hij verzinnen, bekomen en hanteren mag.

2. Is een knaap twaalf jaar, dan moet hij de zevende dag missen van zijn leertijd om vaardig te worden met de wapenen.

3. Is hij bekwaam geworden, dan geve men hem wapenen en hij wordt tot krijgsman geslagen.

4. Is hij drie jaren krijgsman, dan wordt hij burgtheer en mag hij helpen zijn hoofdman te kiezen.

5. Is hij zeven jaren kiezer, dan mag hij helpen een heerman of koning te kiezen en dan zelf ook gekozen worden.

6. Alle jaren moet hij herkozen worden.

7. Behalve de koning mogen alle ambtmannen wedergekozen worden, die recht doen en naar Fryas raad.

8. Geen koning mag langer dan drie jaren koning blijven, opdat hij niet bestendig moge worden.

9. Heeft hij zeven jaren gerust, dan mag hij weer gekozen worden.

10. Is de koning door den vijand verslagen, dan mogen zijne nabestaanden ook naar die eer dingen.

11. Is hij op zijn tijd afgetreden of binnen zijn tijd gestorven, dan mag geen bloedverwant hem opvolgen, die hem nader bestaat dan het vierde lid.

12. Die welke strijden met de wapenen in hunne handen, kunnen niets verzinnen en wijs blijven, daarom voegt het geen koning wapenen te hanteren in den strijd. Zijne wijsheid moet zijn wapen wezen en de liefde zijner krijgslieden moet zijn schild wezen.[p. 35]

Dit zijn de rechten der moeder en der, koningen.

1. Zoo wanneer er oorlog komt, zende de Moeder hare boden naar den koning, de koning zende boden naar de grevetmannen om de landweer.

2. De grevetmannen roepen alle burgtheeren te zamen en bespreekt hoe vele mannen zij zullen zenden.

3. Alle besluiten van dezen moeten dadelijk naar de Moeder gezonden worden, met boden en getuigen.

4. De Moeder laat alle besluiten verzamelen en geeft het guldengetal, dat is het middengetal van alle besluiten te zamen. Hiermede moet men vooreerst vrede hebben, en de koning eveneens.

5. Is het leger te velde, dan behoeft de koning slechts met zijne hoofdmannen te raadplegen, doch daarbij moeten altijd de drie burgtheeren der Moeder vooraan zitten zonder stem. Deze burgtheeren moeten dagelijks boden naar de Moeder zenden, opdat zij weten moge of er iets gedaan wordt, strijdende met Fryas raadgeving.

6. Wil de koning iets doen, en zijne raden niet, zoo mag hij het niet onderstaan.

7. Komt een vijand onverwacht, dan moet men doen, zooals de koning gebiedt.

8. Is de koning niet op het pad, dan moet men zijn volger gehoorzaam wezen, of die op dezen volgt, tot den laatsten toe.

9. Is er geen hoofdman, dan moet men een kiezen.

10. Is daar geen tijd toe, dan werpe zich een tot hoofdman op, die zich sterk gevoelt.

11. Heeft de koning een gevreesd volk afgeslagen, dan mogen zijne nakomelingen zijnen naam achter hun eigen naam voeren. De koning mag, zoo hij wil, op eene onbebouwde plaats eene plek uitkiezen tot een huis en erf. Dat erf mag een ronddeel zijn, zoo groot, dat hij naar alle zijden zeven honderd treden van zijn huis af loopen mag, eer hij aan zijn grensscheiding komt.

12. Zijn jongste zoon mag dat goed erven, na hem diens jongste zoon, dan zal men het terug nemen. [p. 37]

Hier zijn de rechten aller friesen om veilig te wezen.

Zoo wanneer er wetten gemaakt worden, of nieuwe inzettingen zamengesteld, alsdan moet het ten gemeenen nutte geschieden, maar nimmer ten bate van enkelde menschen, noch van enkelde geslachten, noch van enkelde staten, noch van iets dat enkeld is.

2. Zoo wanneer er oorlog komt en daar worden huizen vernield of schepen, hoedanig het ook wezen mogen, hetzij door den vijand, hetzij bij gemeenen rade, zoo behoort de gemeene gemeente, dat is al het volk te zamen, dit weder te vergoeden, daarom opdat niemand de algemeene zaak zal helpen verliezen, om zijn eigen goed te behouden.

3. Is de oorlog voorbij gegaan, en zijn er sommige zoodanig verminkt, dat zij niet langer werken kunnen, dan moet de gemeene gemeente hen onderhouden, bij de feesten behooren zij vooraan te zitten, opdat de jeugd hen zal eeren.

4. Zijn er weduwen en weezen gekomen, dan moet men haar ook onderhouden, en de zonen mogen de namen hunner vaderen op hunne schilden schrijven tot eere van hun geslacht.

5. Zijn er sommigen door den vijand gevangen genomen en komen zij terug, dan moet men hen verre van het kamp wegvoeren, want zij mochten vrij gelaten zijn onder kwade beloften, en dan mogen zij hunne beloften niet houden en toch eerlijk blijven.

6. Indien wij zelve vijanden gevangen nemen, dan voere men die diep in het land weg, en leert hen onze vrije zeden.

7. Indien men hen naderhand vrijlaat, dan laat men dat met goedheid door de Maagden doen, opdat wij makkers en vrienden winnen in plaats van haters en vijanden. [p. 39]

Uit Minno's geschriften.

Zoo wanneer daar een man is dermate boos, dat hij onze naburen berooft, doodslagen pleegt, huizen in brand steekt, maagden schendt, wat het ook zij dat boos is, en onze landgenooten willen dat gewroken hebben, dan is het recht, dat men den dader vatte en in hunne tegenwoordigheid doode, opdat daar over geen oorlog kome, waardoor de onschuldige zoude boeten voor den schuldige. Willen zij hem zijn lijf laten behouden en de wraak laten afkoopen, zoo mag men dat gedoogen. Is de schuldige een koning, grevetman, grevet, wie dat het zij, die over de zeden moet waken, zoo moeten wij het kwaad herstellen, maar hij moet zijne straf hebben. Voert hij een eernaam op zijn schild van zijne voorvaderen, dan mogen zijne nabestaanden dien naam niet langer voeren, daarom dat de eene bloedverwant zorgdragen zal over de zeden des anderen. [p. 41]

Wetten voor de stuurlieden. stuurman is een titel voor de buitenvaarders.

1. Alle Fryas zonen hebben gelijke rechten, daarom mogen alle flinke knapen zich als buitenvaarders aanmelden bij den olderman, en deze mag hen niet afwijzen, ten ware dat er geen plaats is.

2. De stuurlieden mogen hun eigen meesters benoemen.

3. De kooplieden moeten gekozen en benoemd worden door de gemeente, aan wie het goed toebehoort, en de stuurlieden mogen daarbij geen stem hebben.

4. Als men op reis bevindt, dat de koning slecht of onbekwaam is, dan mogen zij een ander nemen. Komen zij weer thuis, dan mag de koning zich beklagen bij den olderman.

5. Komt de vloot weder thuis, en zijn er baten, dan moeten de zeelieden daarvan een derde deel hebben, aldus te deelen. De witkoning twaalf mansdeelen, de schout bij nacht zeven mansdeelen, de bootsmannen elk twee deelen, de schippers elk drie deelen, het overige scheepsvolk elk een deel, de jongste scheepsjongens elk een derde deel, de middelste jongens elk een halfdeel en de oudste jongens elk een tweederde deel.

6. Zijn er sommigen verlamd, dan moet de gemeene gemeente zorgen voor hun onderhoud, ook moeten zij vooraan zitten bij de algemeene feesten, bij huisselijke feesten, ja bij alle feesten.

7. Zijn er op de tocht omgekomen, dan moeten hunne naasten hun deel erven.

8. Zijn daar weduwen en weezen van gekomen, dan moet de gemeene gemeente die onderhouden; zijn zij in een zeestrijd gesneuveld, dan mogen hunne zonen de namen hunner vaderen op hunne schilden voeren.

9. Zijn er ligtmatrozen verongelukt, dan moeten zijne erven een geheel mansdeel hebben.

10. Was hij verloofd, dan mag zijne bruid zeven mansdeelen eischen om aan haar bruidegom een steen te wijden, maar dan moet zij voor deze eer weduw blijven haar leven lang.

11. Bijaldien eene gemeente eene vloot uitrust, moeten de reeders zorgen voor de beste leeftocht en voor vrouwen en kinderen.

12. Indien een zeeman afgeleefd en arm is, en heeft hij huis noch erf, dan moet hem dat gegeven worden. Wil hij geen huis en erf, zoo mogen zijne vrienden hem in huis nemen en de gemeente moet dat vergoeden naar zijn staat, tenzij dat zijne vrienden dit voordeel weigeren. [p. 43]

Nuttige zaken uit de nagelaten schriften van Minno.

Minno was een oude zeekoning, een ziener en wijsgeer; hij heeft aan de Kretensen wetten gegeven. Hij is geboren aan de Lindeoord, en na al zijne omzwervingen heeft hij het geluk genoten om te Lindahem te sterven.

Zoo wanneer onze naburen een stuk land hebben of water, dat ons goed toeschijnt, zoo voegt het ons dat te koop te vragen; willen zij dat niet doen, zoo moet men hun dat laten behouden: dat is naar Fryas tex en het zoude onrecht wezen dat afhandig te maken.

Wanneer er naburen te zamen kijven en twisten over eenige zaak (anders) dan over land, en zij ons verzoeken een oordeel uit te spreken, zoo behoort men dat liever achterwege [p. 45] te laten; doch als men daar niet buiten kan, zoo moet men dat eerlijk en rechtvaardig doen.

Komt er iemand en zegt: ik heb oorlog en nu moet gij mij helpen. Of een ander komt en zegt: mijn zoon is minderjarig en onbekwaam en ik ben oud, nu wilde ik u tot voogd over hem en over mijn land stellen, totdat hij meerderjarig is, zoo behoort men dat te weigeren, opdat wij niet in twist mogen komen over zaken strijdende met onze vrije zeden.

Wanneer een buitenlandsch koopman komt op de toegelatene markt te Wyringen of te Almanland en hij bedriegt, zoo wordt hij terstond in de marktboete geslagen en door de maagden kenbaar gemaakt over het geheele land. Komt hij dan terug, dan zal niemand van hem koopen, en hij mag vertrekken gelijk hij gekomen is. Dus wanneer er kooplieden gekozen worden om ter markt te gaan, of met de vloot te varen, dan behoort men alleen dezulken te kiezen, die men door en door kent en in een goeden roep staan bij de maagden. Gebeurt het desniettemin, dat er een slecht man onder is, die de menschen bedriegen wil, zoo behooren de anderen dat te weren. Heeft hij het reeds gedaan, dan moet men dat herstellen, en den misdadiger uit het land verbannen, opdat onze naam overal met eere genoemd mag worden. Maar zoo wij ons op eene buitenlandsche markt bevinden, hetzij nabij of ver af en het volk ons leed doet of besteelt, dan behooren wij met een haastigen aanval toe te slaan, want ofschoon wij alles behooren te doen om des vredes wille, mogen onze halfbroeders ons nimmer minachten of wanen dat wij bang zijn. In mijne jeugd heb ik wel eens gemord over de banden der wetten, achterna heb ik Frya dikwijls gedankt voor hare tex, en onze voorvaderen voor de wetten, die daaruit zamengesteld zijn. Wralda of Alvader heeft mij vele jaren gegeven, en over vele landen en zeen heb ik rondgevaren, en na alles wat ik gezien heb, ben ik overtuigd, dat wij alleen [p. 47] door Alfader uitverkoren zijn, om wetten te hebben. Lydas volk vermag geene wetten te maken, noch te houden, zij zijn te dom en onbeschaafd daartoe. Velen gelijken op Finda, zijn schrander genoeg, maar zij zijn hebzuchtig, hovaardig, valsch, onkuisch en moordzuchtig. De padde blaast zich op en zij kan slechts kruipen. De kikvorsch roept werk, werk, en zij doet niets als huppelen en grappenmaken. De raven roepen spaar, spaar, maar zij stelen en verslinden al wat onder hun snavel komt. Aan die allen gelijk is het Findas volk, zij spreken luide altijd over goede wetten, elk wil inzettingen maken om het kwaad te weren, maar zelf wil niemand daaraan gebonden wezen. Diegene wiens geest het listigste is en daardoor sterk, diens haan kraait koning en de andere moeten allerwege aan zijn wil onderworpen wezen, totdat een ander komt die hem van den zetel verdrijft. Het woord ewa is te heilig om eene gemeene zaak te benoemen, daarom heeft men ons evin leeren zeggen. Ewa beteekent inzettingen, die bij alle menschen gelijkelijk in hun gemoed geprent zijn, opdat zij weten mogen wat recht en onrecht is, en waardoor zij in staat zijn hunne eigene daden en die van anderen te beoordeelen, dat wil zeggen: alzoo verre zij goed en niet misdadig opgevoed zijn. Ook is er nog een andere zin aan vast: Ewa (effen) beteekent ook gelijk, vlak als water, recht en slecht gelijk water dat door geen hevige wind of iets anders verstoord is. Wordt het water verstoord, dan wordt het oneffen, onrecht, maar het neigt altijd om weder effen te worden. Dat ligt in zijn wezen, even als de neiging tot recht en vrijheid in Fryas kinderen ligt. Deze neiging hebben wij door den geest van Wralda onzen vader, die luide spreekt in Fryas kinderen. Daarom zal die ook eeuwig beklijven. Ewa (eeuwig) is ook het andere zinnebeeld van Wralda, die eeuwig recht en onverstoord blijft, ofschoon het in zijn ligchaam erg toe gaat. Eeuwig en onverstoord zijn de kenmerken der wijsheid en rechtvaardigheid die door alle vrome menschen gezocht en door alle rechteren moeten bezeten worden. Willen dus de menschen inzettingen en bepalingen maken, die steeds goed blijven en aller wege, zoo moeten zij gelijk wezen voor alle menschen. Naar deze wetten behooren de rechteren hun oordeel uit te spreken. Is er eenig kwaad bedreven, waaromtrent geene wetten gemaakt zijn, zoo moet men eene algemeene vergadering beleggen, daar oordeelt men naar den zin, dien Wraldas geest in ons spreekt, om over alles rechtvaardig te oordeelen. Zoo doende zal ons oordeel nimmer falikant uitkomen. Doet men geen recht, maar onrecht, dan rijst er twist en tweespalt onder de menschen en staten; daaruit ontspruit binnenlandsche oorlog, waardoor alles in de war gebragt en in 't verderf gestort wordt. Maar o domheid. Terwijl wij bezig zijn elkander te schaden, komt het nijdige volk Findas met zijne valsche priesteren om uwe have te rooven, uwe dochteren te schenden, uwe zeden te verderven, en ten laatste sluiten zij slavenbanden om een ieders vrijen hals. [p. 49]

Uit Minnos schriften.

Toen Nyhalennia, die van haar eigen naam Min-erva heette, goed gezeten was, en de Krekalanders haar soms evenzeer lief hadden als ons eigen volk, toen kwamen daar eenige vorsten en priesteren op hare burgt en vraagden Min-erva, waar hare erven gelegen waren. Hellenia antwoorde mijne erven draag ik om in mijn boezem, 't gene ik gerfd heb is liefde tot wijsheid, rechtvaardigheid en vrijheid. Heb ik die verloren, dan ben ik gelijk aan den minste van uwe slaven. Nu geef ik raad om niet, maar dan zoude ik die verkoopen. De heeren gingen heen en riepen al lachende, uwe gehoorzame dienaren, wijze Hellenia. Doch daarmede misten zij hun doel, want het volk dat haar beminde en volgde nam dezen naam als een eernaam op. Toen zij zagen, dat [p. 51] hun schot gemist had, toen gingen zij haar belasteren, en zeiden dat zij het volk behekst had; maar ons volk en de goede Krekalanders beweerden allerwege dat het laster was. Eens kwamen zij en vroegen: als gij dan geen tioenster (heks) zijt, wat doet gij dan met de eijeren, die gij altijd bij u hebt. Minerva antwoordde: Deze eijeren zijn het zinnebeeld van Frya's raadgevingen, waarin onze toekomst verholen ligt en die van het geheele menschelijk geslacht. De tijd moet ze uitbroeden, en wij moeten waken dat er geen leed aan komt. De priesteren (zeiden) : goed gezegd, maar waartoe dient de hond aan uwe rechter hand. Hellenia antwoorde: Heeft de herder geen schaapshond om zijne kudde bijeen te houden? wat de hond is in de dienst des schaapsherders, dat ben ik in Frya's dienst. Ik moet over Frya's kudde waken. Dat komt ons goed voor zeiden de priesters, maar zeg ons wat is de beteekenis van de nachtuil, die altijd boven uw hoofd zit; is dat lichtschuwende dier soms het teeken van uw helder zien? Neen, antwoorde Hellenia, hij helpt mij herinneren dat er een slag van menschen over de aarde omdwaalt, dat even gelijk hij in kerken en holen huist, die in duister omwroeten, doch niet als hij, om ons van muizen en andere plagen te bevrijden, maar om ranken te verzinnen, andere menschen hunne wetenschap te rooven, opdat zij hen des te beter mogen vatten om er slaven van te maken, en hun bloed uit te zuigen even als de bloedzuigers doen. Eens kwamen zij met eene bende volks (de pest was over het land gekomen) , zij zeiden: wij alle zijn bezig de goden te offeren, opdat zij de pest mogen weren, wilt gij dan niet helpen hunne gramschap te stillen, of hebt gij zelve de pest over het land gebracht met uwe kunsten. Neen, zeide Minerva, maar ik ken geene goden die kwaaddoende zijn, daarom kan ik niet vragen of zij beter willen worden. Ik ken slechts een goede, dat is Wralda's geest, maar omdat hij goed is, doet hij ook geen kwaad. Waar komt het kwaad dan weg, vroegen de [p. 53] priesteren. Alle kwaad komt van u en van de domheid der menschen, die zich van u laten vangen. Indien uwe godheid dan zoo bijster goed is, waarom weert hij dan het kwaad niet, vroegen de priesters. Hellenia antwoorde: Frya heeft ons op den weg gebracht, en de Kroder, dat is de Tijd, die moet het overige doen; voor alle rampen is raad en hulp te vinden, doch Wralda wil dat wij die zelve zullen zoeken, opdat wij sterk zullen worden en wijs. Willen wij niet, dan laat hij onze verbijstering uitrazen, opdat wij zullen ervaren, wat na verstandige daden en wat na dwaze daden volgt. Toen zeide een vorst: Ik zoude wanen, dat het beter ware, die te weeren. Wel mogelijk, antwoorde Hellenia, want dan zouden de menschen blijven gelijk makke schapen, gij en de priesters zoudt hen willen hoeden, maar ook scheren en naar de slachtbank voeren. Doch zoo wil het onze godheid niet, hij wil, dat wij elkander helpen, maar hij wil ook dat iedereen vrij zij en wijs worde. En dat is ook onze wil, en daarom kiest ons volk zijne vorsten, graven, raadgevers en alle bazen en meesters uit de wijsten der goede menschen, opdat alle man even zeer zijn best zal doen, om wijs en goed te worden. Zoodoende zullen wij eens weten en aan het volk leeren, dat wijs zijn en wijs doen alleen leidt tot zaligheid. Dat schijnt wel een oordeel, zeiden de priesters, maar als gij nu meent dat de pest door onze domheid ontstaat, zoude Nyhellenia dan wel zoo goed willen wezen, om ons wat van dat nieuwe licht te leenen, waarop zij zoo trotsch is. Ja, zeide. Hellenia, de raven en andere vogelen komen alleen af op bedorven aas, maar de pest bemint niet alleen bedorven aas, maar ook bedorven zeden en gewoonten en booze lusten; wilt gij nu dat de pest van u zal wijken en niet terugkomen, dan moet gij de booze lusten wegdoen, opdat gij alle rein wordt van binnen en van buiten. Wij willen gelooven, dat de raad goed is, zeiden de priesters, maar zeg ons, hoe zullen wij daar alle men- [p. 55] -schen toe krijgen, die onder onze heerschappij zijn? Toen stond Hellenia op van haren zetel en sprak: De musschen volgen den zaaijer, de volken hunne goede vorsten, daarom betaamt het u te beginnen met u zelven alzoo rein te maken, dat gij uwe blikken naar binnen en naar buiten moogt richten zonder schaamrood te worden voor uw eigen gemoed. Doch in plaats van het volk rein te maken, hebt gij vuile feesten uitgevonden, waarop het volk alzoo lang zuipt, dat zij ten laatsten, gelijk de zwijnen in het slik wroeten, omdat gij uwe lusten boeten moogt. Het volk begon te joelen en te spotten, daardoor durfden zij geen strijd weder aan te spinnen. Nu zoude ieder wanen dat zij overal het volk te hoop geroepen hadden, om ons allen te zamen het land uit te drijven. Neen, in plaats van haar te beschimpen gingen zij allerwegen, ook naar het heinde Krekaland tot aan de Alpen uitroepen: dat het den Oppersten God behaagd had zijne verstandige dochter Minerva, bijgenaamd Nyhellenia, onder de menschen te zenden van over zee met eene wolk, om de menschen goede raad te geven, en opdat alle menschen die haar hooren wilden rijk en gelukkig zouden worden, en eens meester zouden worden over alle koningrijken der aarde. Zij stelden haar beeld op hunne altaren, zij verkondigden of verkochten aan de domme menschen allerwegen raadgevingen die zij nimmer gegeven had, en vertelden wonderen die zij nooit gedaan had. Door list wisten zij zich meester te maken van onze wetten en inzettingen en door listen en drogredenen wisten zij alles te bewijzen en te verbreiden. Zij stelden ook priesteressen onder hunne hoede, die schijnbaar onder de hoede van Festa onze eerste eeremoeder (waren) om over het heilige licht te waken, maar dat licht hadden zij zelve ontstoken, en in plaats van de priesteressen wijs te maken en naderhand onder het volk te zenden om de zieken te verplegen en de jeugd te onderwijzen, maakten zij ze dom en duister, en zij mochten nimmer buiten komen. Ook werden zij als raadgeefsters gebezigd, maar die raad was voor den schijn uit hare monden, want hare monden waren niet anders dan de roepers, waardoor de priesters hunne begeerten uitspraken. Toen Nyhellenia gestorven was, wilden wij eene andere moeder kiezen. Sommigen wilden naar Texland om aldaar eene te vragen; maar de priesters die bij hun eigen volk het rijk weder in hadden, wilden dat niet gedoogen, en kreten ons bij het volk als onheilig uit. [p. 57]

Uit de schriften van Minno.

Toen ik aldus weggevaren was met mijne lieden van Athenia, kwamen wij ten laatsten aan een eiland, door mijne manschappen Kreta geheeten, wegens de woeste kreten die het volk aanhief bij onze komst. Toen zij echter zagen, dat wij geen oorlog in het schild voerden, werden zij gedwee, zoodat ik ten laatsten voor een boot met ijzer gereedschap eene havenmond en een plek grond inruilde, doch toen wij daar eene poos gezeten waren, en zij bespeurden dat wij geene slaven hadden, toen waren zij daarover versteld. Maar toen dat ik hun nu verteld had, dat wij wetten hadden om gelijk recht te doen over allen, toen wilde het volk ook zulke hebben, doch nauwlijks hadden zij die, of het geheele land kwam in de war. De vorsten en priesteren kwamen en gaven voor dat wij hunne onderdanen oproerig gemaakt hadden, en het volk kwam tot ons om heul en schut te vragen. Doch toen de vorsten zagen dat zij hun rijk zouden verliezen, toen gaven zij aan het volk vrijheid en kwamen bij mij om een Asegaboek. Doch het volk was aan geen vrijheid gewoon, en de heeren bleven heerschen, naardat hun goed dacht. Nadat die storm over was, begonnen zij tweespalt tusschen ons te zaaijen. Zij zeiden aan mijn volk, dat ik hunne hulp had ingeroepen, om bestendig koning te worden. Eens vond ik vergif in mijne spijs. Doch als er eens een schip van Flyland bij ons verzeilde, ben ik daarmede stilletjes weggetogen. Doch mijn eigen wedervaren daarlatende, wil ik met deze geschiedenis alleen zeggen, dat wij ons niet moeten inlaten met Finda's volk, van waar het ook zij, omdat zij vol zijn van valsche ranken, even te vreezen als hunne zoete wijnen met doodend vergif.

Einde van Menno's schriften.

[Vervolg]

[p. 59]

Hieronder zijn drie beginselen, daarnaar zijn deze inzettingen gemaakt.

1. Iedereen weet dat hij zijn nooddruft moet hebben, maar wordt aan iemand zijne nooddruft onthouden, dan weet niemand wat hij doen zal, om zijn lijf te behouden.

2. Alle volwassen menschen worden gedrongen kinderen te verwekken, zoo dat geweerd wordt, weet niemand, wat kwaads daarvan kan komen.

3. Een ieder weet dat hij vrij en onverlet wil leven, en dat anderen dat ook willen. Om veilig te wezen zijn deze inzettingen en bepalingen gemaakt.

Het volk van Finda heeft ook inzettingen en bepalingen, maar deze zijn niet volgens het recht, maar alleen ten bate van de priesters en vorsten, dientengevolge zijn hunne staten immer vol tweespalt en moord.

1. Bijaldien iemand gebrek heeft en hij kan hem zelf niet helpen, zoo moeten de Maagden dat ter kennis brengen van den graaf, om reden dat het een hooghartigen Fries niet past dat zelf te doen.

2. Zoo iemand arm wordt, doordien hij niet werken wil, die moet uit den lande uitgedreven worden; want de laffen en tragen zijn lastig en ergdenkend, daarom behoort men hen te weren.

3. Ieder jong man behoort eene bruid te zoeken, en is hij vijf en twintig jaar oud, dan behoort hij eene vrouw te hebben.

4. Is iemand vijf en twintig jaar, en heeft hij nog geene echtgenoot, dan behoort men hem uit zijn huis te weren, de knapen behooren hem te vermijden. Neemt hij dan nog geene vrouw, dan moet men hem dood verklaren, opdat hij uit het land vertrekke, en hier geen ergernis mag geven.

5. Is iemand machteloos, dan moet hij openbaar zeggen dat niemand van hem te vreezen heeft, dan mag hij komen, waar hij wil.

6. Pleegt hij naderhand ontucht, dan mag hij vluchten; vlucht hij niet, dan wordt hij aan de wraak der bedrogene overgelaten en niemand mag hem helpen.

7. Bijaldien iemand eenig goed heeft, en een ander begeert dat dermate, dat hij zich daaraan vergrijpt, dan moet hij dat drievoudig vergelden. Steelt hij dan nog eens weer, dan moet hij naar de tinlanden; wil de bestolene hem vrij laten, dan mag hij dat doen; maar gebeurt het voor de derde reis, dan mag niemand hem de vrijheid schenken. [p. 61]

Deze bepalingen zijn gemaakt voor toornige menschen.

Zoo iemand in drift of uit boosheid een ander leden breekt, een oog uitstoot, ofte tand, wat het ook zij, zoo moet de beleediger betalen, wat de beleedigde eischt. Kan hij dat niet doen, zoo moet er openbaar aan hem gedaan worden, wat hij aan den ander deed. Wil hij dat niet uitstaan, dan moet hij zich tot zijne burgtmaagd wenden, of hij in de ijzerof tinlanden mag werken, tot dat zijne schuld voldaan is volgens de algemeene bepaling.

2. Wanneer iemand gevonden wordt zoo boos, dat hij een Fries dood slaat, dan moet hij dat met zijn lijf betalen. Doch kan zijne burgtmaagd hem voor altijd naar de tinlanden helpen, voor dat hij gevat wordt, dan mag zij dat doen.

3. Bijaldien de gevangene kan bewijzen met erkende getuigen, dat het bij ongeluk geschied is, zoo zal hij vrij wezen. Maar gebeurt het nog eenmaal, dan moet hij toch naar de tinlanden, opdat men daardoor vermijde alle onbehoorlijke wraak en veete. [p. 63]

Dit zijn bepalingen voor de hoerenkinderen.

1. Wie eens anders huis uit boosheid den rooden haan opzet, is geen Fries, hij is een hoerenkind, met basterd bloed. Kan men hem op heeter daad vatten, dan moet men hem in het vuur werpen. Hij mag vlieden zoo hij kan, nergens zal hij veilig wezen voor de wrekende hand.

2. Geen echte Fries zal over de misslagen zijns naaste mallen of kwaadspreken. Is iemand misdadig jegens hem zelven, maar niet te vreezen voor anderen, dan mag hij zijn eigen rechter wezen. Wordt hij zoo slecht, dat hij gevaarlijk wordt, dan moet men het aan den graaf openbaren. Maar is er iemand die een ander achter zijn rug aantijgt, in plaats van het bij den graaf te doen, die is een hoerenkind, op de markt moet hij aan den paal gebonden worden, zoodat het jong volk hem mag aanspuwen; daarna leidt men hem over de grenzen, maar niet naar de tinlanden, want een eerrover is ook te vreezen.

3. Bijaldien er eens iemand zoo slecht was, dat hij ons ging verraden, aan den vijand de paden en bijpaden wees om onze vliedburgten te genaken, of des nachts daar in te sluipen, die zoude alleen gesproten zijn uit Finda's bloed, men zoude hem moeten verbranden, de zeelieden zouden zijne moeder en al zijne bloedverwanten naar een afgelegen eiland moeten brengen, en daar zijn asch verstuiven, opdat er geen vergiftige kruiden van mochten groeijen. De maagden moeten zijn naam vervloeken over alle onze staten, opdat geen kind zijn naam moge krijgen, en de ouden hem mogen verwerpen.

[Vervolg]

Oorlog was voorbij gegaan, maar nood was in zijne plaats gekomen; nu waren er drie menschen die elk een zak koorn stalen van afzonderlijke eigenaren. Doch zij werden alle gevangen. Nu ging de eerste (eigenaar) heen en bracht den dief bij den schout, de maagden zeiden daarvan allerwege, dat hij gehandeld had naar het recht. De andere nam den dief het koorn af, en liet hem voorts met vrede; de maagden zeiden, hij heeft wel gedaan. Maar de derde eigenaar ging naar den dief in zijn huis. Toen hij nu zag, hoe de nood daar zijn zetel had opgesteld, ging hij terug en keerde weder met een wagen vol nooddruftigheden, waarmede hij den nood van den haard verdreef. Frya's maagden hadden bij hem rondgewaard en zijne daad in het eeuwige boek geschreven, terwijl zij al zijne zonden hadden uitgewischt. Het werd gezegd aan de eeremoeder, en deze liet het verkondigen over het geheele land [p. 65]

Hetgene hieronder staat is aan de wanden van de Waraburgt gegrift.

(Zie plaat I.)

Wat hier boven staat, dat zijn de teekens van het Juul, dat is het eerste zinnebeeld van Wralda, ook van den aanvang of het begin, waaruit de Tijd is voortgekomen; deze is de Kroder, die eeuwig met het Juul moet rondloopen. Hiernaar heeft Frya het staand schrift gevormd, 't welk zij gebruikte voor hare tex. Toen Fasta eeremoeder was, heeft zij er het run of loopend schrift van gemaakt. De Witkoning d.i. Zeekoning Godfried, de oude, heeft er afzonderlijke getalteekens van gemaakt voor het staand en loopend schrift beide. Het is daarom niet te veel dat wij er jaarlijks eenmaal feest voor vieren. Wij mogen Wralda eeuwig dank wijden, dat hij zijn geest zoo krachtig over onze voorvaderen heeft laten varen. In haren tijd heeft Finda ook een schrift uitgevonden; maar dat was zoo hoogdravend en vol met franjes en krullen, dat de nakomelingen de beteekenis daarvan spoedig verloren hebben. Naderhand hebben zij ons schrift geleerd, met name de Finnen, de Thyriers en de Krekalander. Maar zij wisten niet goed, dat het van het Juul gemaakt was, en dat het daarom altijd moest geschreven worden met de zon om. Bovendien wilden zij dat hun schrift voor andere volken onleesbaar zoude wezen, omdat zij altijd geheimnissen hebben. Zoodoende zijn zij zeer van de wijs geraakt, dermate, dat de kinderen de schriften hunner ouderen bezwaarlijk kunnen lezen; terwijl wij onze alleroudste schriften even gemakkelijk kunnen lezen als die, die gisteren geschreven zijn. Hieronder is het staand schrift, daaronder het loopend schrift, vervolgens de getalteekens op beide wijzen. [p. 67]

(Zie plaat II.)

Dit staat op alle burgten geschreven.

Eer de booze tijd kwam, was ons land het schoonste in de wereld. De zon rees hooger en er was zelden vorst. Aan de boomen en heesters groeiden vruchten en ooft, die nu verloren zijn. Onder de grasplanten hadden wij niet alleen gerst, haver en rogge, maar ook tarwe, die als goud blonk en die men onder de zonnestralen kon bakken. De jaren werden niet geteld, want het eene jaar was even vrolijk als het andere. Aan de eene zijde werden wij door Wraldas zee besloten, waarop geen volk behalve wij, mocht varen, noch konde. Aan de andere zijde werden wij door het breede Twiskland (tusschenland, Duitschland) omtuind, waardoor het volk van Finda niet durfde komen, wegens de dichte wouden en het wild gedierte. Ten oosten paalden wij tot het uiteinde der Oostzee, en ten westen aan de Middellandsche [p. 69]zee, zoodat wij buiten de kleine rivieren wel twaalf groot zoetwater stroomen hadden, ons door Wralda gegeven om ons land vochtig te houden en om onze zeevaarders den weg naar zijne zee te wijzen. De oevers van deze stroomen werden somtijds alle door ons volk bezeten, ook de velden aan den Rijn, van 't eene einde tot het andere toe. Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volkplantingen met eene burgtmaagd. Van daar trokken wij koper en ijzer, benevens teer, pik en sommige andere benoodigdheden. Tegenover ons voormalig Westland hadden wij Brittannie met zijne tinlanden. Brittannie was het land der ballingen, die met behulp hunner burgtmaagd weggetrokken waren, om hun lijf te behouden. Maar opdat zij niet terug zouden komen, werd eerst een B. voor hun voorhoofd geprikt, de gebannenen met roode bloedverf, de andere misdadigers met blaauwe verf. Bovendien hadden onze zeelieden en kooplieden menige loods (factorij) in de heinde Krekalanden (Italie) en in Lydia. In Lydia (Lybia) zijn de zwarte menschen. Daar ons land zoo ruim en groot was, hadden wij vele afzonderlijke namen. Die welke gezeten waren ten oosten van de Denemarken, werden Jutten genoemd, [Etym.] uithoofde zij dikwijls anders niet deden dan barnsteen jutten (aan het strand zoeken) . Die welke woonden op de eilanden werden Letten geheeten, [Etym.] omdat zij meestal verlaten leefden. Alle strand en kustbewoners van de Denemarken af tot aan de Sandval, nu Schelde, werden Stuurlieden, Zeekampers en Angelaren geheeten. Angelaren [Etym.] zoo noemde men te voren de buitenvisschers, omdat zij alleen met angel of hoekwant vischten, en nooit geen netten (gebruikten) . Die welke van daar tot aan het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig Kadhemers genoemd, [Etym.] omdat zij nimmer buiten voeren (maar aan de kade bleven) . Die in de hooge marken gezeten waren, welke aan de Twisklanden paalden, werden Saxmannen geheeten, [Etym.] uithoofde zij altijd gewapend waren tegen het wild gedierte en de verwilderde Britten. Daarenboven hadden wij de namen Landzaten, Marzaten en Hout- of Woudzaten.

Hoe de bange tijd kwam.

Geheel den zomer had de zon achter de wolken gescholen, als wilde zij de aarde niet zien. De wind rustte in zijn holen, waardoor rook en damp als zeilen boven huis en poelen stonden. De lucht werd aldus droef en dof, en in de harten der menschen was blijdschap noch vreugde. Te midden van deze stilte begon de aarde te beven, alsof zij stervende was. De bergen spleten van een om vuur en vlam te spuwen; andere zonken in haren schoot neder, en waar zij eerst velden had, hief zij nu bergen omhoog. Aldland, door de zeelieden Atland geheeten, zonk neder, en de woeste golven traden zoo verre over bergen en dalen, dat alles onder de zee bedolven was. Vele menschen werden in de aarde begraven, en velen die aan het vuur ontkomen waren, kwamen daarna in het water om. Niet alleen in het land van Finda spuwden de bergen vuur, maar ook in het Twiskland. Wouden brandden daardoor achterelkander weg, en toen de wind daar van daan kwam, waaiden onze landen vol asch. Stroomen werden verlegd en bij hunne monden kwamen nieuwe eilanden van zand en drijvend vee. Drie jaren was de aarde zoo lijdende, maar toen zij herstelde, kon men hare wouden zien. Vele landen waren verzonken, en andere uit de zee opgerezen en het Twiskland voor de helft ontwoud. Benden Findas volk kwamen de ledige ruimten bezetten. Onze weggetrokkenen werden verdelgd, of zij werden hunne bondgenooten. Toen werd waakzaamheid ons dubbel geboden, en de tijd leerde ons, dat eendracht onze sterkste burgt is. [p. 71]

Dit staat aan de Waraburgt bij de aldegamude gegrift.

De Waraburgt is geen Maagdeburgt, maar daarin werden [p. 73] alle uitheemsche en buitenlandsche dingen bewaard, die mede gebracht zijn door de zeelieden.. Zij is drie palen, dat is een halftij (3 uren) zuidwaarts van Medeasblik gelegen. Aldus is de voorafspraak: Bergen neigt uwe kruinen, wolken en stroomen weent. Ja, Schoonland bloost, slavenvolken stappen op uw kleed, o Frya.

Zoo is de geschiedenis.

100 en 1 jaar nadat Aldland gezonken is, kwam uit het oosten een volk weg. Dat volk was verdreven door een ander volk. Achter ons Twiskland, kregen zij tweespalt, zij schiften zich in twee hoopen, en elk ging zijns weegs. Van het eene gedeelte is geen bericht tot ons gekomen, maar het ander gedeelte viel achter in ons Schoonland. Schoonland was schaars bevolkt en aan de achterkant het spaarzaamst van al. Daarom mogten zij het zonder strijd overwinnen, en uithoofde zij anders geen leed deden, wilden wij daarom geen oorlog hebben. Nu wij hen hebben leeren kennen, willen wij over hunne zeden schrijven, en daarna hoe het ons met hen vergaan is. Het volk was niet woest, gelijk vele geslachten van Finda; maar het is gelijk de Egyptelanders, zij hebben priesters, even als deze, en in de kerken hebben zij ook beelden. De priesters zijn de eenigste heeren, zij noemen zich zelf Magyaren, hun opperste heet Magy, hij is hoofdpriester en koning met een; al het andere volk is nul in 't cijfer en gelijk, en allen zijn onder hun geweld. Het volk heeft niet eens een naam; door ons worden zij Finnen genoemd; [Etym.] want ofschoon hunne feesten allemaal treurig en bloedig zijn, zijn zij daar toch zoo fijn op, dat wij daarbij achterstaan. Voorts zijn zij niet te benijden, want zij zijn slaven van hunne priesters, maar nog veel meer van hunne meeningen. Zij meenen, dat alles vol is van booze geesten, die in de menschen en dieren sluipen; maar van Wraldas geest weten zij niets. Zij hebben steenen wapenen, de Magyaren koperen. De Magyaren verhalen, dat zij de booze geesten [p. 75] kunnen bannen en verbannen, daarover is het volk steeds in bange vrees, en op hun gelaat is nimmer vrolijkheid te zien. Toen zij goed gezeten waren, zochten de Magyaren vriendschap bij ons, zij roemden onze taal en zeden, ons vee en onze ijzeren wapenen, die zij gaarne voor hunne gouden en zilveren sieraden wilden ruilen, en hun volk hielden zij altoos binnen de palen, en dat verschalkte onze waakzaamheid. Tachtig jaren later, juist was het Juulfeest, kwamen zij onverwacht, gelijk sneeuw door een stormwind gedreven, over onze landen toeloopen. Die niet vlieden konden, werden gedood. Frya werd aangeroepen, maar de Schoonlanders hadden haren raad verwaarloosd. Toen werden krachten verzameld, drie palen van Godasburgt werden zij wederstaan, de oorlog bleef. Kat of Katerinne, zoo heette de priesteres, die burgtmaagd op Godasburgt was. Kat was trotsch en hooghartig, daarom liet zij noch raad, noch helpers aan de Moeder vragen. Maar toen de burgtheeren dat begrepen, zonden zij zelve boden naar Texland tot de Eeremoeder. Minna, zoo was de naam der Moeder, liet al de zeelieden oproepen en al het andere jong volk van Oostflyland en van de Dennemarken. Uit deze tocht is de geschiedenis van Wodin ontstaan, die op de burgten gegrift is, en hier is uitgeschreven. Aan de Aldergamude daar ruste een oude zeekoning, Sterik was zijn naam, en de roep zijner daden was groot. Deze oude rob had drie neven; Wodin de oudste woonde te Lumkamakia bij de Eemude in Oostflyland bij zijne ouders. Eenmaal was hij heerman geweest. Teunis en Inka waren zeestrijders, en juist nu bij hunne vaderen aan de Aldergamude. Toen nu de jonge krijgers bij elkander kwamen, kozen zij Wodin tot hun heerman of koning, en de zeekampers kozen Teunis tot hun zeekoning en Inka tot hun schout bij nacht. De zeelieden gingen toen naar de Dennemarken varen, daar namen zij Wodin met zijne krijgshaftige landweer [p. 77]aan boord. De wind was ruim, en zoo waren zij in een ommezien in Schoonland. Toen de noordsche broeders zich bij elkander gevoegd hadden, deelde Wodin zijn geweldig leger in drie benden (wiggen) . Frya was hun wapenroep, en zoo sloeg hij de Finnen en Magiaren terug alsof het kinderen waren. Toen de Magy vernam, hoe zijne manschappen overal omgebragt werden, zond hij boden met staf en kroon. Zij zeiden tot Wodin: o gij allergrootste der koningen, wij zijn schuldig, doch al wat wij gedaan hebben, is uit nood gedaan. Gij meent dat wij uwe broeders met moedwil aangetast hebben, maar wij zijn door onze vijanden voortgedreven, en die alle zijn ons nog op de hielen. Wij hebben dikwijls aan uwe burgtmaagd hulp gevraagd, maar zij heeft zich om ons niet bekommerd. De Magy zegt: bijaldien wij elkander voor de helft vermoorden, dan zullen de wilde schaapherders komen en ons allen vermoorden. De Magy heeft vele rijkdommen, maar hij heeft gezien, dat Frya veel machtiger is als alle onze geesten te zamen. Hij wil zijn hoofd in haren schoot nerleggen. Gij zijt de krijgshaftigste koning der aarde, uw volk is van ijzer. Word onze koning, en wij allen willen uwe slaven wezen. Wat zoude dat eervol voor u wezen, als gij de wilden weder terug kondt drijven, onze basuinen zouden het rondblazen, en onze berichten zouden u overal vooruit gaan. Wodin was sterk, woest en krijgshaftig, maar hij was niet helder ziende, daardoor werd hij in hunne strikken gevangen en door den Magy gekroond. Zeer velen van de zeelieden en de landweer, dien deze keuze niet naar den zin was, vertrokken in stilte, Kat medenemende. Maar Kat die niet voor de Moeder, noch voor de algemeene vergadering wilde verschijnen, sprong over boord. Toen kwam de stormwind en dreef de schepen op de schorren van de Dennemarken, zonder een enkel man te missen. Naderhand hebben zij die straat het Kattegat geheeten. Toen Wodin gekroond was, ging hij op de wilden los; zij waren allen ruiters; gelijk een hagelbui, vielen zij op Wodins heer aan, maar als een dwarrelwind wenden zij om, en durfden niet weder verschijnen. Toen Wodin nu terug kwam, gaf de Magy hem zijne dochter tot vrouw. Daarop werd hij met kruiden berookt, doch er waren tooverkruiden onder; want Wodin werd trapsgewijze zoo zeer vermetel, dat hy Frya en Wraldas geest durfde miskennen en bespotten, terwijl hij zijn vrije hals boog voor de valsche gedrochtelijke beelden. Zijn rijk duurde zeven jaren, toen verdween hij. De Magy zeide dat hij onder hunne goden was opgenomen, en dat hij van daar over hen heerschte, maar ons volk lachte om zijne taal. Toen Wodin eene poos weg geweest was, kwam er tweespalt; wij wilden een anderen koning kiezen, maar dat wilde de Magy niet gedoogen. Hij beweerde dat het een recht was, hem door zijne afgoden gegeven. Maar buiten en behalve deze twist, was nog eene tusschen de Magiaren en Finnen, die Frya noch Wodin wilden eeren, doch de Magy deed zoo als hem goed dacht, want zijne dochter had bij Wodin een zoon gewonnen, en nu wilde de Magy dat deze zoon van hooge afkomst wezen zoude. Terwijl allen keven en twisten, kroonde hij den knaap tot koning en stelde zich zelven tot voogd of raadgever aan. Zij die meer hielden van hun lijf, dan van het recht, lieten hem tobben, maar de goeden trokken weg. Vele Magiaren vloden met hunne manschappen terug, en de zeelieden gingen scheep en een heer van stoutmoedige Finnen gingen als roeijers met hun.

Nu komen de geschiedenissen van neef Teunis en zijn neef Inka eerst recht op het pad. [p. 79]

Dit alles staat niet alleen op de Waraburgt, maar ook op de burgt Stavia, die gelegen is achter de haven van Stavre. Toen Teunis met zijne schepen naar huis wilde keeren, ging hij het eerst op de Dennemarken af, maar hij mocht daar [p. 81] niet landen, dat had de Moeder besteld. Ook te Flyland mocht hij niet landen en voorts nergens. Hij zoude alzoo met zijne manschappen van kommer en gebrek omgekomen zijn; daarom gingen zij des nachts aan land om te rooven, en voeren bij dag verder. Aldus langs de kust voort varende kwamen zij tot de volkplanting Kadik, [Etym.] zoo geheeten omdat zij door een steenen kadijk gevormd was. Hier kochten zij allerhande leeftocht, maar Tuntia de burgtmaagd wilde niet gedoogen, dat zij zich daar nederzetteden. Toen zij gereed waren, kregen zij twist. Teunis wilde door de straat van de Middellandsche zee, om te varen voor den rijken koning van Egyptenland, gelijk hij wel eer gedaan had. Maar Inka zeide dat hij zijn bekomst had van al dat Findas volk. Inka meende dat er misschien wel een hooggelegen deel van Atland, bij wijze van eiland, zoude overgebleven wezen, waar hij met zijne manschappen vredig leven mocht. Als de beide neven het aldus niet eens konden worden, ging Teunis heen en stak een roode banier in het strand, en Inka eene blaauwe. Daarna mocht ieder kiezen, wien hij volgen wilde, en o wonder, tot Inka die er een afkeer van had, om de koningen van Findas volk te dienen, liepen de meeste Finnen en Magyaren over. Toen zij nu het volk geteld en de schepen daarnaar verdeeld hadden, scheidden de vloten van elkander; van neef Teunis is naderhand bericht gekomen, van neef Inka nimmer. Neef Teunis voer langs de kust door de straat der Middellandsche zee. Toen het Atland verzonken is, was het aan de oevers der Middellandsche zee ook erg toegegaan. Daardoor waren vele menschen van het Findas volk naar onze heinde en verre Krekalanden gekomen en ook velen van Lydas land. Daarentegen waren ook velen van ons volk naar Lydas land gegaan. Dat alles had uitgewerkt, dat de heinde en verre Krekalanden voor het oppergezag der Moeder verloren waren. Daar had Teunis opgerekend, daarom wilde hij daar een goede [p. 83] haven kiezen en van daaruit voor de rijke vorsten varen doch omdat zijne vloot en zijn volk er zoo haveloos uitzagen, meenden de Kadhemers (kustbewoners) , dat zij roovers waren en daarom werden zij overal geweerd. Doch ten laatste kwamen zij aan Phoenisius kust, dat was 193 jaren nadat Atland gezonken is. Nabij de kust vonden zij een eiland met twee diepe golven, zoodat het als drie eilanden uitzag. Op het middelste daarvan stelden zij hunne schuilplaats op, naderhand bouwden zij daar eenen burgtwal om toe. Toen zij nu daaraan een naam wilden geven, werden zij oneens, sommigen wilden het Fryasburgt heeten, andere Neettunia, maar de Magyaren en Finnen verzochten, dat het Thyrhisburgt zoude heeten. Thyr noemden zij een hunner afgoden, en op diens verjaardag waren zij daar geland; tot eene vergelding wilden zij Teunis eeuwig als hun koning erkennen. Teunis liet hem belezen, en de anderen wilden daarover geen oorlog hebben. Toen zij nu goed zaten zonden zij sommige oude zeelieden en Magyaren aan den wal en verder naar de burgt Sydon, maar in het eerst wilden de Kadhemers niets van hen weten. Gij zijt veraf wonende zwervers, zeiden zij, die wij niet achten kunnen. Doch toen wij hun van onze ijzeren wapenen wilden verkoopen, ging ten laatsten alles goed. Ook waren zij zeer begeerig naar onze barnsteenen, en het vragen daarnaar nam geen einde. Maar Teunis, die verziende was, deed alsof hij geen ijzeren wapenen noch barnsteenen meer had. Toen kwamen de kooplieden en baden hem, hij zoude twintig schepen geven die zij alle met de fijnste waren wilden bevrachten, en zij wilden hem zoovele lieden tot roeijers geven als hij begeerde. Twaalf schepen liet hij bevrachten met wijn, honig, toebereid leder, daarbij kwamen toomen en zadels met goud overtrokken, gelijk men ze nimmer gezien had. Met al dien schat viel Teunis het Flymeer binnen. De grevetman van Westflyland werd door al deze dingen verrukt, hij bewerkte dat Teunis bij de mond van het Flymeer een pakhuis bouwen mocht. Naderhand is die plaats Almanaland genoemd en de markt, waarop zij naderhand te Wyringen ruilhandel mochten drijven, Toelaatmarkt. De Moeder raadde dat wij hun alles zouden verkoopen behalve ijzeren wapenen, maar men sloeg geen acht op haar. Daar de Thyriers dus vrij spel hadden, kwamen zij steeds weder om onze waren heinde en ver te vervoeren, tot schade van onze eigene zeelieden. Daarna is besloten op eene algemeene vergadering, jaarlijks zeven Tyrische schepen toe te laten en niet meer. [p. 85]

Wat daarvan geworden is.

In de noordelijkste hoek van de Middellandsche zee ligt een eiland bij die kust. Nu kwamen zij dat te koop vragen. Daarover werd eene algemeene vergadering belegd. Moeders raad werd ingewonnen, maar Moeder zag hen liefst ver af. Daarom meende zij dat er geen kwaad in stak, doch als wij achterna zagen, hoe wij verkeerd gedaan hadden, noemden wij dat eiland Mis.sellia. (1) Hierachter zal blijken, hoe wij hiertoe reden hadden. De Golen, zoo heetten de zendelingpriesters van Sydon, hadden wel gezien dat het land daar schaars bevolkt was en ver van de Moeder was. Om nu zich zelven een goeden schijn te geven, lieten zij zich zelve in onze taal aan de trouw gewijden heeten, maar dat was beter geweest, als zij zich zelve van de trouw gewenden genoemd hadden of kort weg Triuwenden, gelijk onze zeelieden later gedaan hebben. Toen zij wel gezeten waren, ruilden hunne kooplieden schoone koperen wapenen en allerlei sieraden tegen onze ijzeren wapenen en huiden van wilde dieren, die in onze zuidelijke landen in menigte te bekomen waren, maar de Golen vierden allerhande vuile gedrochtelijke feesten, en dan dienden de Kadheimers die door toedoen van hunne wulpsche meisjes en de zoetheid van hunne vergiftige wijn. Was er iemand van ons volk die het zoo erg verbruid had, dat zijn leven in gevaar kwam, dan verleenden de Golen hem heul en schuilplaats, en voerden hem naar Phonisia, [Etym.] dat is Palmland. Was hij daar gezeten, dan moest hij aan zijne bloedverwanten, vrienden en aanverwanten schrijven, dat het land zoo goed was en de menschen zoo gelukkig, als niemand zich konde verbeelden. In Brittania waren zeer vele mannen, doch weinig vrouwen, toen de Golen dat wisten, lieten zij allerwege meisjes schaken, en deze gaven zij aan de Britten om niet. Doch al deze meisjes waren hunne dienaren die kinderen van Wralda stalen om ze aan hunne valsche afgoden te geven. [p. 87]

Nu willen wij schrijven over den oorlog der burgtmaagden Kalta en Min-erva.

En hoe wij daardoor alle onze zuidelijke landen en Brittannie aan de Golen verloren hebben.

Bij de Zuider Rijnmond en de Schelde daar zijn zeven eilanden, genoemd naar Fryas zeven waakmeisjes der week. Midden op het eene eiland is de burgt Walhallagara, en van de wanden dier burgt is de volgende geschiedenis afgeschreven. Daarboven staat: lees, leer en waak. 563 jaar nadat Atland verzonken is zat hier eene wijze burgtpriesteres, Min-erva was haar naam, door de zeelieden bijgenaamd Nyhellenia. Deze bijnaam was goed gekozen, want de raad, die zij verleende was nieuw en helder boven alle andere. Over de Schelde op de Flyburgt, zat Sijrhed; deze burgtmaagd was vol ranken, schoon was haar gelaat, en rap hare [p. 89]tong; maar de raad die zij gaf, was altijd in duistere woorden. Daarom werd zij door de zeelieden Kalta genoemd. De landsaten meenden dat het een eernaam was. In de uiterste wil der verstorvene Moeder stond Rosamunde het eerst, Minerva het tweede en Syrhed het derde als opvolgster beschreven. Minerva had daar geen weet van, maar Syrhed was er door geknakt. Even als eene buitenlandsche vorstin wilde zij geeerd, gevreesd en gebeden wezen; maar Minerva wilde alleen bemind wezen. Ten laatste kwamen alle zeelieden aan haar hunne hulde bieden, zelfs van de Dennemarken en van het Flymeer. Dat kwetste Syrhed, want zij wilde boven Minerva uitmunten. Opdat men een grooten dunk van hare waakzaamheid zoude hebben, maakte zij een haan op hare banier. Toen ging Minerva heen en maakte een herdershond en een nachtuil op hare banier. De hond, zeide zij, waakt voor zijn heer en over de kudde, en de nachtuil waakt over de velden, opdat zij door de muizen niet verwoest worden; maar de haan heeft voor niemand vriendschap, en door zijn ontucht en zijne hoovaardigheid is hij vaak de moordenaar zijner naaste bloedverwanten geworden. Als Kalta zag dat haar werk verkeerd uitkwam, ging zij van kwaad tot erger; in stilte liet zij de Magyaren bij zich komen om toverij te leeren. Als zij daar haar bekomst van had, wierp zij zich in de armen der Golen, doch van al die misdaden kon zij zich niet beteren. Toen zij zag, dat de zeelieden meer en meer van haar weken, wilde zij hen door vrees winnen. Was de maan vol en de zee onstuimig, dan liep zij over de wilde vloed, de zeelieden toeroepende, dat zij alle zouden vergaan, indien zij haar niet wilden aanbidden. Voorts verblinde zij hunne oogen, waardoor zij water voor land en land voor water hielden, daardoor is menig schip vergaan met man en muis. Op het eerste krijgsfeest, toen alle hare landgenooten gewapend waren, liet zij hun tonne bier schenken. In dat bier had zij een tooverdrank gedaan. Toen het volk nu allen te zamen dronken waren, ging zij boven op haar strijdros staan met het hoofd tegen hare speer geleund. Het morgenrood kon niet schooner wezen. Toen zij zag, dat aller oogen op haar gevestigd waren, opende zij hare lippen en sprak: Zoonen en dochteren van Frya, gij weet wel, dat wij in den laatste tijd veel schade en gebrek geleden hebben, doordien de zeelieden niet langer komen om ons schrijfvilt te koopen, maar gij weet niet, waardoor dat gekomen is. Lang heb ik mij daarover ingehouden (gezwegen) , doch nu kan ik het niet langer. Hoort dan vrienden, opdat gij weten moogt, waarnaar gij bijten moet. Aan de overzijde der Schelde, waar zij van tijd tot tijd de vaart van alle zeen hebben, daar maken zij heden ten dage schrijfvilt van pompebladen, daarmede sparen zij vlas uit, en kunnen zij ons ontbeeren. Nadien het maken van schrijfvilt altijd ons voornaamste bedrijf geweest is, zoo heeft de Moeder gewild, dat men het van ons zoude leeren. Maar Minerva heeft al het volk behekst, ja behekst, vrienden, even als al ons vee, dat laatst gestorven is. Er uit moet het, ik wil het u vertellen, was ik niet burgtmaagd, ik zoude het wel weten. Ik zou die heks in haar nest verbranden. Toen zij het laatste woord geuit had, spoedde zij zich naar hare burgt; maar het beschonken volk was zoo opgewonden, dat het over zijne rede niet vermocht te waken. In doldriesten ijver gingen zij over de Sandfal, en nadien de nacht middelerwijl neder streek, gingen zij even kloek op de burcht los. Doch Kalta miste al weder haar doel, want Minerva en hare maagden en de lamp werden alle door de rappe zeelieden gered. [p. 91]

Hierbij komt de geschiedenis van Jon.

Jon, Jn, Jhon en Jan is gelijk met gegeven, doch dat ligt aan de uitspraak der zeelieden, die uit gewoonte alles bekorten, om het verre te mogen spreken en luide te roepen. Jon, dat is gegeven, was zeekoning, geboren te Alderga, het Fly- [p. 93] meer uitgevaren met 127 schepen uitgerust voor eene groote reis en rijk geladen met barnsteen, tin, koper, ijzer, laken, linnen, vilt, vrouwenvilt van otters, bevers en konijnenhaar. Nu zoude hij van hier nog schrijfvilt medenemen; doch toen Jon hier kwam en zag, hoe Kalta onze roemrijke burgt verwoest had, toen werd hij zoo uitermate boos, dat hij met alle zijne manschappen op Flyburch losging en daar tot vergelding den rooden haan instak. Maar door zijn schout bij nacht en sommige zijner manschappen werden de lamp en de maagden gered; doch Syrhed of Kalta mochten zij niet vatten. Zij klom op de uiterste tinne; iedereen meende dat zij in de vlammen moest omkomen; doch wat gebeurde? Terwijl al hare lieden stokstijf van schrik stonden, kwam zij schooner als te voren op haren klepper, hun toeroepende: naar Kalta . Toen stroomde het andere Schelda volk te hoop. Als de zeelieden dat zagen, riepen zij: wij voor Minerva. Daaruit is een oorlog ontstaan, waardoor duizende gesneuveld zijn. Te dier tijde was Rosamund, [Etym.] dat is Rosamuda Moeder; zij had veel in der minne gedaan om vrede te bewaren, doch nu het zoo erg kwam, maakte zj korte maat. Terstond zond zij boden door de landpalen en liet een algemeene noodban uitroepen; toen kwamen de landsverdedigers uit alle oorden weg. Het strijdende landvolk werd al gevat; maar Jon bergde zich met zijne manschappen op zijne vloot, medenemende de beide lampen, benevens Minerva en de maagden van de beide burgten. Helprijk, de heerman, liet hem indagen, maar terwijl alle soldaten nog aan de overzijde van de Schelde waren, voer Jon terug naar het Flymeer en terstond daarna naar onze eilanden. Zijne krijgslieden en vele van ons volk namen vrouw en kinderen aan boord, en als Jon nu zag, dat men hem en zijne lieden als misdadigers wilde straffen, vertrok hij heimelijk. Hij deed terecht, want al onze eilanders en al het andere Schelde volk, die gevochten had- [p. 95] den, werden naar Brittanje gehracht. Deze stap was verkeerd, want nu kwam het begin van het einde. Kalta, die, als men zegt, even gemakkelijk op het water als op het land kon loopen, ging naar de vaste wal en voorts op Missellia af Toen kwamen de Golen met hunne schepen uit de Middellandsche zee naar Kadix varen en geheel ons buitenland langs en vielen op en over Brittannia, doch daar konden zij geen vasten voet krijgen, omdat de bestuurders machtig en de bannelingen nog Friesch waren. Maar nu kwam Kalta en sprak: gij zijt vrij geboren en om kleine gebreken heeft men u tot verworpenen gemaakt, niet om u te verbeteren, maar om tin te winnen door uwe handen. Wilt gij weer vrij wezen en onder mijn raad en hoede leven, trekt dan uit, wapenen zullen u gegeven worden en ik zal over u waken. Als bliksemvuur ging het over de landen, en eer des Kroders juul eens omgeloopen was, was zij meesteres over allen te zamen en de Thyriers van al onze zuiderstaten tot de Seine. Om dat Kalta haar zelve niet betrouwde, liet zj in het noordelijke bergland een burgt bouwen. Kaltasburch werd zij geheeten, zij is nog in wezen maar nu heet zij Krenak. Van deze burgt uit heerschte zij als eene echte moeder, doch niet ter wille van, maar over hare volgelingen, die zich voortaan Kelten noemden. Maar de Golen heerschten allengs over geheel Brittannia, dat kwam eensdeels, omdat zij geen burgten meer hadden, anderdeels omdat zij daar geene burgtmaagden hadden en in de derde plaats omdat zij geene echte lamp hadden. Door al deze oorzaken konde haar volk niet leeren, dat werd dom en dwaas en werd eindelijk door de Golen van al zijne wapenen beroofd en ten laatste als een stier bij de neus omgeleid. [p. 97]

Nu willen wij schrijven hoe het Jon vergaan is. het staat te Texland geschreven.

Tien jaren nadat Jon vertrokken was, kwamen hier drie schepen in het Flymeer binnenvallen, het volk riep hoezee, (wat een zegen) ; en van hunne verhalen heeft de Moeder dit laten opschrijven. Toen Jon in de Middellandsche zee kwam, was de mare van de Golen hun overal vooruitgegaan, zoodat zij aan de kusten van het naastbijzijnde Krekaland (Italie) nergens veilig waren. Hij stak dus met zijne vloot naar Lydia over, dat is Lydas land (Lybie) . Daar wilden de zwarte menschen hen vatten en opeten. Ten laatsten kwamen zij te Thyrus, maar Minerva zeide, houd af, want hier is de lucht al lang verpest door de priesters. De koning was een afstammeling van Teunis, gelijk wij later hoorden. Maar omdat de priesters een koning wilden hebben, die daar naar hun begrip van overlang was (?) hadden zij Teunis tot een God verheven, tot ergernis van zijne volgers. Toen zij nu Thyrus achter den rug hadden, kwamen de Thyriers een schip uit de achterhoede rooven. Dewijl dat schip te ver achteruit was, konden wij het niet terug winnen. Maar Jon zwoer wraak daarover. Toen de nacht kwam, wende Jon zich naar de verre Krekalanden. Ten laatste kwamen zij bij een land, dat er zeer schraal uitzag, maar zij vonden daar eene havenmond. Hier, zeide Minerva, zal misschien geene vrees voor vorsten of priesters noodig wezen, naardien deze allegaar vette kleilanden beminnen. Doch toen zij in de haven liepen, vond men die hier niet ruim genoeg om alle schepen te bevatten, en toch waren meest alle te laf om verder te gaan. Dus ging Jon, die weg wilde, met zijne speer en vaan, het jongvolk toeroepende, wie of vrijwillig zich bij hem wilde scharen. Minerva, die daar blijven wilde, deed ook zoo. Het grootste deel voegde zich bij Minerva; maar de jongste zeelieden gingen bij Jon. [p. 99] Jon nam de lamp van Kalta en hare maagden mede; Minerva behield hare eigene lamp en hare eigene maagden. Tusschen de verre en naderbij gelegene Krekalanden vond Jon eenige eilanden, die hem goed voorkwamen. Op het grootste ging hij in het woud tusschen het gebergte eene burgt bouwen. Van de kleine eilanden uit ging hij uit wraak de Thyrische schepen en landen plunderen, daarom zijn die eilanden even goed de Rooverseilanden, als de Jonische eilanden genoemd. Toen Minerva dat land bezien had, dat door de inwoners Attika genoemd is, zag zij dat het volk alle geitenhoeders waren, zij onderhielden hun ligchaam met vleesch, wilde wortelen, kruiden en honing. Zij waren met vellen bekleed en hadden hunne verblijfplaatsen op de hellingen der bergen. [Etym.] Daardoor zijn zij door ons volk Hellingers geheeten. In het eerst gingen zij op de loop, doch als zij zagen dat wij niet taalden naar hunne bezittingen, kwamen zij terug, en lieten groote vriendschap blijken. Minerva vroeg of wij ons in der minne mochten nederzetten. Dit werd toegestaan onder voorwaarde, dat wij hen zouden helpen tegen hunne naburen te strijden, die gedurig kwamen om hunne kinderen te schaken en hunne bezittingen te rooven. Toen bouwden wij eene burgt anderhalve paal (uurgaans) van de haven. Op raad van Minerva werd zij Athene geheeten; want, zeide zij, de nakomelingen behooren te weten, dat wij hier niet door list of geweld zijn gekomen, maar als vrienden ontvangen. Terwijl wij aan die burgt arbeidden, kwamen de voornaamsten; als zij nu zagen, dat wij geene slaven hadden, behaagde hun zulks niet, en zij lieten dat aan Minerva blijken, omdat zij dachten, dat deze eene vorstin was. Maar Minerva vraagde: hoe zijt gij wel aan uwe slaven gekomen? Zij antwoorden: sommige hebben wij gekocht, andere in den strijd gewonnen. Minerva zeide: bijaldien niemand menschen koopen wilde, zoude niemand uwe kinderen rooven, en gij zoudt

[Vervolg]

--

daar over geen oorlog hebben: wilt gij dus onze bondgenooten blijven, zoo moet gij uwe slaven vrijlaten. Dat nu willen de voornaamsten niet; zij willen ons wegdrijven. Maar de kloekste hunner lieden komen om te helpen onze burgt te bouwen, die wij nu van steen maken.

Dit is de geschiedenis van Jon en van Minerva.

Als zij nu dit alles verhaald hadden, vroegen zij eerbiedig om ijzeren burgtwapenen; want zeiden zij, onze beledigers zijn machtig; doch zoo wij echte wapenen hebben, zullen wij hun wel wederstaan. Als zij daarin toegestemd hadden, vroegen die lieden of Fryas zeden te Athene en in de andere Krekalanden bloeijen zouden. De Moeder antwoorde: Indien de verre Krekalanden tot het erfdeel van Frya behooren, zoo zullen zij daar bloeijen, maar behooren zij niet daartoe, dan zal er lang over gestreden moeten worden; want de Kroder zal nog vijfduizend jaren met zijn Jol omloopen voor dat Findas volk rijp voor de vrijheid is. [p. 101]

Dit is over de Geertmannen.

Toen Hellenia of Minerva gestorven was, hielden de priesters zich als of zij met ons waren, en opdat zulks duidelijk blijken zoude, hebben zij Hellenia tot eene Godin uitgeroepen Ook wilden zij geene andere Moeder laten kiezen, zeggende dat zij vrees hadden, dat er onder hare maagden geene zouden wezen, die zij zoo zouden kunnen vertrouwen als Minerva, die Nyhellenia bijgenaamd was. Maar wij wilden Minerva niet als eene Godin erkennen, naardien zij zelve ons gezegd had, dat niemand goed of volkomen kon wezen, als Wraldas geest. Daarom kozen wij Geert Pyres [Piraeus] dochter tot onze Moeder. Als de priesters zagen, dat zij hunne haring op ons vuur niet mochten braden, gingen zij buiten Athene en zeiden, dat wij [p. 103] Minerva niet als eene Godin wilden bekennen uit nijd, omdat zij de inlanders zooveel liefde had bewezen. Daarop gaven zij het volk beeldtenissen van hare gelijkenis, betuigende dat zij daaraan alles mochten vragen, zoo lang zij gehoorzaam bleven. Door al deze verhalen werd het domme volk van ons afkeerig gemaakt, en ten laatsten vielen zij ons te lijf. Maar wij hadden onze steenen burgtwal met twee hoornen omgebogen tot aan de zee. Zij konden ons daarom niet genaken. Doch wat gebeurd, een Egyptenaar die een overpriester was, helder van oogen, klaar van brein, en verlicht van geest, zijn naam was Cecrops, hij kwam om raad te geven. Als Cecrops nu zag, dat hij met zijne lieden onze wal niet bestormen kon, toen zond hij boden naar Thyrus. Daarop kwamen driehonderd schepen vol soldaten van de wilde bergvolken onverwacht in onze haven varen, terwijl wij met al onze mannen op den wal strijdende waren. Zoodra zij de haven hadden ingenomen, wilden de woeste soldaten het dorp en onze schepen plunderen. Een soldaat had reeds een meisje geschonden, maar Cecrops wilde dat niet gedogen, en de Thyrische zeelieden, die nog Friesch bloed in het lijf hadden, zeiden: als gij dat doet, zullen wij den rooden haan in onze schepen steken en gij zult uwe bergen nooit wederzien. Cecrops die niet hield van moorden noch van verwoesten, zond boden naar Geert om haar de burgt af te eischen, zij mocht vrijen uittocht hebben met al haar drijvende en dragende have, en hare volgelingen desgelijks. De verstandigste der burgtheeren heel goed ziende, dat zij de burgt niet konden houden, raadden Geert aan, dat zij gaauw moest toebijten, voor dat Cecrops woedend werd en anders bogon en drie maanden daarna, vertrok Geert met met de beste Fryaszonen en zeven maal twaalf schepen. Toen zij een poos buiten de haven waren, kwamen er wel dertig schepen van Thyrus met vrouw en kinderen. Zij wilden naar Athene gaan, doch als zij hoorden hoe het te Athene geschapen stond, gingen zij met Geert. De zeekoning der Thyriers bracht allen te zamen door de straat, die in deze tijden op de Roode zee uitliep. Ten laatste landen zij aan Pangab, dat is in onze spraak vijf wateren, omdat vijf rivieren met elkander naar de zee toestroomen. Hier zetten zij zich neder. Dat land hebben zij Geertmania genoemd. De koning van Thyrus later ziende, dat zijne allerbeste zeelieden vertrokken waren, zond al zijne schepen met zijne wilde soldaten om hen dood of levend te vatten. Maar als zij bij de straat kwamen, beefden beide aarde en zee. Daarop hief aarde haar lijf daar zoo omhoog, dat al het water de straat uitliep, en dat alle wadden en schorren als een burgtwal voor hen oprezen. Dit geschiedde wegens de deugden der Geertmannen, gelijk iedereen klaar en duidelijk zien kan. [p. 105]

In het jaar 1005 nadat Atland gezonken is, is dit op de oosterwand van Frijasburgt geschreven.

Nadat wij in twaalf jaren tijd geen Krekalander te Almanland gezien hadden, kwamen hier drie schepen zoo sierlijk als wij er geen hadden, en te voren nimmer hadden gezien. Op het grootste van deze was een koning der Jonische eilanden; zijn naam was Ulysus en de roep zijner wijsheid groot. Aan dezen koning was door eene priesteres voorzegd dat hij koning zoude worden over alle Krekalanden, zoo hij raad wist om eene lamp te krijgen, die opgestoken was aan de lamp te Texland. Om die te verkrijgen had hij vele schatten medegebracht, bovenal vrouwen sieraden, gelijk er in de wereld niet schooner gemaakt werden. Zij waren afkomstig van Troje, eene stad, die de Krekalanders hadden ingegenomen. Al deze schatten bood hij de Moeder aan; maar de Moeder wilde nergens van weten. Als hij ten laatsten zag, dat zij niet te winnen was, ging hij naar Walhallagara. Daar was eene burgtmaagd gezeten, wier naam was Kaat; doch [p. 107] in de wandeling werd zij Kalip genoemd, omdat haar onderlip als een mastkorf vooruitstak. Bij deze heeft hij jaren vertoefd tot ergernis van allen die het wisten. Naar het zeggen der maagden heeft hij van haar ten laatste eene lamp gekregen; doch zij heeft hem niet gebaat, want toen hij in zee kwam, is zijn schip vergaan, en hij naakt en bloot opgenomen door de andere schepen. Van dezen koning is hier een schrijver achtergebleven van zuiver Fryasbloed, geboren in de nieuwe haven van Athene, en hetgene hier volgt heeft hij voor ons over Athene geschreven, waaruit men mag besluiten, hoe waar de Moeder Hellicht gesproken heeft toen zij zeide dat de zeden van Frya te Athene geen stand konden houden. Van de andere Krekalanders hebt gij zeker veel kwaad over Cecrops gehoord, want hij was in geen goede roep. Maar ik durf zeggen, hij was een verlicht man, hoogelijk geroemd, zoowel bij de inwoners als bij ons, want hij was er niet voor om de menschen te onderdrukken, gelijk de andere priesteren, maar hij was deugdzaam en wist de wijsheid der ver afwonende volken naar waarde te schatten. Daarom, omdat hij dat wist heeft hij ons toegestaan, dat wij mochten leven naar ons eigenlijk Asegaboek. Er liep een verhaal, dat hij ons genegen was, omdat hij geboren zoude wezen uit een Friesch meisje en een Egyptisch priester, uithoofde dat hij blauwe oogen had, en dat er vele meisjes bij ons geschaakt waren en verkocht naar Egypte. Doch zelf heeft hij dit nimmer bevestigd. Hoe het daarmede is, zeker is het dat hij ons meer vriendschap bewees, als alle andere priesteren te zamen. Maar toen hij gestorven was, gingen zijne opvolgers al spoedig aan onze wetten tornen, en allengs zoo vele ongeschikte keuren maken, dat er ten langen laatste van gelijkheid en van vrijheid niet anders, als de schijn en de naam overbleef. Verder wilden zij niet gedoogen dat de inzettingen in schrift werden gebracht, waardoor de wetenschap daarvan voor ons verborgen werd. Te voren werden alle zaken bin-[p. 109] -nen Athene in onze taal bepleit, naderhand moest het in beide talen geschieden, en ten laatste alleen in de landstaal. In de eerste jaren nam het manvolk te Athene enkel vrouwen van ons eigen geslacht, maar het jongvolk opgewassen met de meisjes der landzaten namen daar ook van. De basterd kinderen die daarvan kwamen, waren de schoonste en schranderste van de wereld, maar zij waren ook de slechtste. Hinkende over beide zijden, zich bekreunende noch om wet, noch om gewoonte, tenzij dat het was voor hun eigen belang. Alzoo lang er nog een straal van Fryas geest opwelde, werd al de bouwstof tot gemeene werken verarbeid, en niemand mocht een huis bouwen, dat ruimer en rijker was als dat van zijn buurman. Doch toen sommige verbasterde stedelingen rijk waren door onze zeevaart en door het zilver, dat de slaven uit de zilverlanden wonnen, gingen zij buiten op de hellingen (der bergen) of in de dalen wonen. Aldaar achter hooge wallen van loof of van steen, bouwden zij hoven (paleizen) met kostbaar huisraad, en om bij de vuile priesteren in een goeden dunk te wezen, plaatsten zij daar op valsche goden gelijkende en ontuchtige beelden in. Bij de vuile priesteren en vorsten werden soms de knapen meer begeerd, als de dochteren, en vaak door rijke giften of door geweld van het pad der deugd afgeleid. Naardien rijkdom bij het verwende en verbasterde geslacht ver boven deugd en eere gold, zag men altemet knapen, die zich met wijde prachtige kleederen versierden, hunne ouders en de maagden tot schande en hunne sekse ten spot. Kwamen onze eenvoudige ouders te Athene op de algemeene volksvergadering, en wilden daar zich beklagen, dan werd er geroepen: hoor, hoor, daar zal een zeegedrocht spreken. Zoo is Athene geworden, gelijk een moeras in de heete landen vol bloedzuigers, padden en vergiftige slangen, waarin geen mensch van strenge zeden zijn voet kan wagen. [p. 111]

Dit staat op al onze burgen.

Hoe onze Denemarken voor ons verloren gingen, 1602 jaren nadat Atland was verzonken. Door Wodins dwaze dartelheid, was de Magy meester geworden over het oosterdeel van Schoonland Over de bergen en over de zee durfden zij niet komen. De Moeder wilde het niet weren, zij sprak zeggende: Ik zie geen gevaar in zijne wapenen, maar wel om de Schoonlanden weer te nemen, omdat zij verbasterd en verdorven zijn. Op de algemeene vergadering dacht men gelijkerwijze. Daarom is het aan hem gelaten. Groot honderd jaren geleden begonnen de Denemarkers met hun handel te drijven. Zij gaven hun ijzeren wapenen, daarvoor ruilden zij gouden sieraden benevens koper- en ijzererts. De Moeder zond boden en raadde hun, zij zouden den ruilhandel laten varen. Daar was gevaar, zeide zij, voor hunne zeden, en indien zij hunne zeden verloren, dan zouden zij ook hunne vrijheid verliezen. Maar de Denemarkers hadden nergens ooren naar; zij wilden niet begrijpen, dat hunne zeden verloren konden gaan; daarom stoorden zij zich niet aan haar. Ten langen leste brachten zij hunne eigene wapenen en leeftocht zoek. Maar dit kwaad veroorzaakte hunne straf. Hunne ligchamen werden overladen met glans en schijn, maar hunne kisten, kasten en schuren werden ledig. Juist honderd jaar nadat het eerste schip met leeftocht van de kust in zee gestoken was, kwam armoede en gebrek door de vensters binnen, honger spreidde zijne wieken uit en streek op het land neder, tweespalt liep trotsch over de straat, en voorts de huizen in, liefde kon geen steun langer vinden, en eendracht liep weg. Het kind vroeg eten van zijne moeder, en die had geene spijs, maar wel sieraden. De vrouwen kwamen tot hunne mannen, deze gingen tot de graven, de graven hadden zelve niets, of hielden het verborgen. Nu moest men de sieraden verkoopen, maar terwijl de zeelieden daarmede [p. 113] vertrokken waren, kwam de vorst en legde een plank neder op de zee en op de straat (de Sond) . Toen de vorst de brug gereed had, stapte de waakzaamheid daarover het land uit, en het verraad klom op zijn zetel. In plaats van de oevers te bewaken, spanden hij hunne paarden voor hunne sleden, en reden naar Schoonland. Doch de Schoonlanders, die begeerig waren naar het land hunner voorvaderen, kwamen naar de Denemarken. Op een heldere nacht kwamen zij alle. Nu zeiden zij, dat zij recht hadden op het land hunner voorvaderen, en terwijl men daarover streed, kwamen de Finnen in de verlatene dorpen en liepen met de kinderen weg. Daardoor en dat zij geene goede wapenen hadden, deed hun de strijd verliezen en daarmede de vrijheid, want de Magy werd meester. Dat kwam daar van daan, dat zij Fryas tex niet lazen en hare raadgevingen verwaarloosd hadden. Er zijn sommigen, die meenen, dat zij door de graven verraden zijn, en dat de maagden dat al lang bespeurd hadden. Doch zoodra iemand daarover spreken wilde, werd hem de mond gesnoerd met gouden ketens. Wij kunnen daarover niet oordeel vellen, maar wij willen u toeroepen: Verlaat u niet te zeer op de wijsheid en deugd noch van uwe vorsten noch van uwe maagden; want zal het stand houden, dan moet iedereen waken over zijn eigene hartstochten en voor het algemeene welzijn. Twee jaren daarna kwam de Magy zelf met eene vloot van lichte booten om aan de Moeder van Texland de lamp te ontrooven. Deze booze daad bestond hij bij nacht in den winter bij stormweder, terwijl de wind gierde en de hagel tegen de vensters kletterde. De torenwachter, die meende, dat hij wat hoorde, ontstak zijne toorts. Zoodra als het licht van den toren op het ronddeel neder viel, zag hij dat reeds vele gewapende mannen over de burgtwal waren. Nu ging hij om de klok te luiden, doch het was te laat. Eer de wacht gereed was, waren reeds twee duizend in de weer om de poort te rammeijen. De strijd duurde daarom kort, [p. 115] want omdat de krijgslieden geene goede wacht gehouden hadden, kwamen allen om. Terwijl iedereen druk aan het vechten was, was er een leelijke Fin in de (fleete) of het slaapvertrek van de Moeder binnen geslopen, en wilde haar geweld aandoen. De Moeder weerde hem af, dat hij ruggelings tegen de wand tuimelde. Toen hij weder op de been was, stak hij haar zijn zwaard in de buik, zeggende: wilt gij mijne roede niet, zoo zult gij mijn zwaard hebben. Achter hem kwam een zeeman van de Denemarken, deze nam zijn zwaard en kloofde den Fin den kop. Daaruit stroomde zwart bloed en daarboven zweefde eene blaauwe vlam. De Magy liet de Moeder op zijn schip verplegen. Toen zij nu zoo verre hersteld en beter was, dat zij helder spreken konde, zeide de Magy, dat zij met hem mede varen moest, doch dat zij hare lamp en hare maagden zoude behouden, dat zij een staat zoude voeren, zoo hoog als zij nooit te voren gekend had. Voorts zeide hij, dat hij haar vragen zoude in tegenwoordigheid van zijne voornaamsten, of hij meester zoude worden over alle landen en volken van Frya. Hij zeide, dat zij dit bevestigen en verzekeren moest, anders zoude hij haar onder vele smarten laten sterven. Toen hij daarna alle zijne voornaamsten om haar leger vergaderd had, vroeg hij luide: Frana, vermits ge helderziende zijt, moet gij mij eens zeggen of ik meester zal worden over alle landen en volken van Frya. Frana deed, als sloeg zij geen acht op hem. Ten langen laatste opende zij hare lippen, en sprak: Mijne oogen worden verduisterd, doch het andere licht daagt op in mijne ziel. Ja, ik zie het. Hoor Irtha, en wees blijde met mij. In de tijden, dat Atland verzonken is, stond de eerste spaak van het Juul in top. Daarna is zij nedergegaan en onze vrijheid met haar. Als het twee spaken of twee duizend jaren nedergewenteld heeft, zullen de zonen opstaan, die de vorsten en priesteren in ontucht bij het volk geteeld hebben, en die tegen hunne vaderen getuigen. Die allen zullen door moord bezwijken; maar wat zij verkondigd hebben, zal voortdurend blijven en vruchtbaar worden in den boezem der kloeke menschen, gelijk goede zaden die neergelegd worden in uwen schoot. Nog duizend jaren zal de spaak naar beneden dalen en al meer neder zijgen in de duisternis en in het bloed over u uitgestort door de lagen der vorsten en priesteren. Daarna zal het morgenrood weder aanvangen te gloren. Dit ziende zullen de valsche vorsten en priesters allen te zamen tegen de vrijheid kampen en worstelen; maar vrijheid, liefde en eendracht zullen het volk in hare hoede nemen, en met het juul uit de vuile poel rijzen. Het licht, dat eerst alleen gloorde, zal dan van lieverlede tot eene vlam worden. Het bloed der boozen zal over uw ligchaam stroomen, maar gij moogt het niet tot u nemen. Ten laatste zal het vergiftige gedierte daarop azen en daarvan sterven. Alle vuile geschiedenissen, die verzonnen zijn om de vorsten en priesteren te roemen, zullen aan de vlam geofferd worden. Voortaan zullen alle uwe kinderen in vrede leven. Toen zij uitgesproken had, zeeg zij neder. Maar de Magy, die haar niet wel verstaan had, schreeuwde: ik heb u gevraagd of ik meester zoude worden over alle landen en volken van Frya, en nu hebt gij tot een ander gesproken. Frana richtte zich weder op, zag hem strak aan en sprak: eer zeven etmalen om zijn, zal uwe ziel met de nachtvogels bij de graven rond waren, en uw lijk zal liggen op den bodem van de zee. Heel goed, zeide de Magy met verkropte woede, zeg maar dat ik kom. Vervolgens zeide hij tot zijn gerigtsdienaars: werpt dat wijf over scheepsboord. Zoo was het einde van de laatste der Moeders. Wraak willen wij daarover niet roepen, die zal de tijd nemen. Maar duizendwerf duizendmaal willen wij Frya na roepen: waak! waak! waak! [p. 117]

Hoe het den Magy verder gegaan is.

Nadat de Moeder vermoord was, liet hij de lamp en de maagden naar zijn schip brengen, benevens allen inboe- [p. 119] -del, die hem behaagde. Vervolgens ging hij het Flymeer op, want hij wilde de maagd van Medeasblik of van Stavoren rooven, en die tot Moeder aanstellen. Doch daar waren zij op hunne hoede gebracht. De zeelieden van Staveren en Alderga hadden zich gaarne tot Jon begeven, maar de groote vloot was op eene verre tocht uit. Nu gingen zij heen en voeren met hunne kleine vloot naar Medeasblik en hielden zich schuil achter de luwte der boomen. De Magy naderde Medeasblik, bij helderen dag en schijnende zon. Evenwel gingen zijne manschappen stoutweg op de burgt aanstormen. Maar als al het volk met de booten geland was, kwamen onze zeelieden uit de kreek weg en schoten hunne pijlen met brandende terpentijnballen op zijne vloot. Zij waren zoo goed gericht, dat vele van zijne schepen terstond in brand waren. Die op de schepen de wacht hielden, schoten ook naar ons, doch zij raakten niets. Toen ten laatste een schip al brandende naar het schip van den Magy dreef, beval hij zijn stuurman af te houden; maar die stuurman was de Denemarker, die den Fin geveld had; deze zeide: gij hebt onze Eeremoeder naar den bodem van de zee gezonden om te melden, dat gij komen zoudt, dat zoudt gij door de drukte wel vergeten; nu wil ik zorgen, dat gij uw woord gestand doet. De Magy wilde hem afweren, maar de stuurman een echte Fries en sterk als een jukos, klemde beide handen om zijn hoofd en tilde hem over boord in de golvende zee. Vervolgens heesch hij zijn bruin schild in top en voer recht toe recht aan naar onze vloot. Daardoor kwamen de maagden ongedeerd bij ons, maar de lamp was uitgegaan, en niemand wist, hoe het gekomen was. Toen zij op de onvernielde schepen hoorden, dat de Magy verdronken was, trokken zij weg, want de zeelieden daarvan waren meest Denemarkers. Nadat de vloot ver genoeg was, wenden onze zeelieden en schoten hunne brandpijlen op de Finnen af. Toen de Finnen dat zagen en hoe zij verraden waren, liep alles door elkander en er was langer geen gehoorzaamheid noch bevel. Op dat tijdstip liep de bezetting hen uit de burgt. Die niet vluchtte werd afgemaakt en die vluchtte vond zijn einde in de poelen van het Krylinger woud.

[p. 121]

Naschrift.

Toen de zeelieden in de Kreek lagen, was er een spotter uit Staveren onder hun, die zeide Medea mag wel lachen, als wij haar uit hare burgt redden. Daarom hebben de maagden die Kreek Medea milakkia genoemd. De gebeurtenissen, die daarna geschied zijn, mogen iedereen heugen. De maagden behooren die op hare wijze te verhalen en goed te laten beschrijven. Daarom rekenen wij hiermede onzen arbeid volbracht. Heil.

EINDE VAN HET BOEK.

Aantekeningen van J.G. Ottema

(1) Mis sellia, miskoop, verkeerde koop.


 

[p. 123]

 

De schriften van Adelbrost en Apollonia.

Mijn naam is Adelbrost, de zoon van Apol en Adela. Door mijn volk ben ik gekozen tot Grevetman over de Linda-oorden. Daarom wil ik dit boek vervolgen, op zoodanige wijze als mijne moeder gesproken heeft. Nadat de Magy verslagen was en Fryasburgt op stel gebracht, moest er eene Moeder gekozen worden. Bij haar leven had de Moeder hare opvolgster niet genoemd. Haar uiterste wil was weg en nergens te vinden. Zeven maanden daarna werd eene algemeene vergadering belegd en wel te Grenega, uit oorzaak dat het aan de Saksamarken paalt. Mijne moeder werd gekozen, maar zij wilde niet Moeder wezen. Zij had het leven mijns vaders gered, daardoor hadden zij elkander lief gekregen, nu wilden zij ook in het huwelijk treden. Velen wilden mijne moeder van haar besluit afbrengen; maar mijne moeder zeide: eene Eeremoeder behoort zoo rein in haar gemoed te zijn, als zij uitwendig schijnt, en even liefderijk voor al hare kinderen. Naardien ik nu Apol lief heb boven alles in de wereld, zoo kan ik zulk eene Moeder niet wezen. Zoo sprak en redeneerde Adela, maar de andere burgtmaagden wilden alle Moeder wezen. Elke staat dong mede voor zijne eigene maagd en wilde niet toegeven. Daardoor is er geene gekozen, en het rijk dus bandeloos. Uit het volgende moogt gij het begrijpen. Liudgert de koning die onlangs gestorven is, was bij het leven der Moeder gekozen, blijkbaar door alle staten met liefde en vertrouwen. Het was zijne beurt op het groote hof te Dokhem te wonen; en bij het leven der Moeder, werd hem daar groote eer bewezen; want het was er altijd zoo vol boden en ridders, als men er nooit te voren gezien had. Doch nu was hij eenzaam en verlaten; [p. 125] want iedereen was bevreesd, dat hij zich meester zoude maken boven het recht, en heerschen gelijk de slavenkoningen. Elk opperhoofd waande voorts, dat hij genoeg deed, als hij waakte over zijn eigen staat, en de een gaf niets toe aan den ander. Met de Burgtmaagden ging het nog erger toe. Elk van haar boogde op hare eigen wijsheid, en wanneer de Grevetmannen iets deden buiten haar, verwekten zij wantrouwen tusschen hem en zijn volk. Geschiedde er eene zaak, die vele staten betrof, en had men de raad van eene maagd ingewonnen, dan riepen alle andere, dat zij gesproken had ten voordeele van haar eigen staat. Door dusdanige ranken brachten zij tweespalt over de staten, en tornden zij den band zoodanig van een, dat het volk van de eene staat nijdig was op het volk van de andere staat, en voor het allerminste als vreemdelingen beschouwde. Het gevolg daarvan is geweest, dat de Golen of Truwenden al ons land afgewonnen hebben tot aan de Schelde, en de Magy tot aan de Wesara. Hoe het hierbij toegegaan is, heeft mijne moeder uitgelegd, anders was het boek niet geschreven geworden, ofschoon ik alle hoop verloren heb, dat het helpen zal ten bate. Ik schrijf dus niet in den waan, dat ik daardoor het land zal winnen of behouden, dat is mijns achtens ondoenlijk. Ik schrijf alleen voor het nakomende geslacht, opdat zij al te zamen mogen weten, op hoedanige wijze wij verloren gingen, en opdat ieder daaruit leeren mag, dat alle kwaad zijne straf teelt. Mij heeft men Apollonia genoemd. Tweendertig dagen na moeders dood, heeft men Adelbrost mijn broeder verslagen gevonden op de werf, zijn hoofd gespleten, en zijne leden uiteengereten. Mijn vader, die ziek lag, is van schrik gestorven. Toen is Apol mijn jongere broeder; van hier naar de westzijde van Schoonland gevaren. Daar heeft hij eene burgt gebouwd, Lindasburgt geheeten, om daar ons leed te wreken. Wralda heeft hem daartoe vele jaren geleend. Hij heeft vijf zonen gewonnen. Die alle brengen den Magy schrik [p. 127] en mijn broeder roem aan. Na den dood van mijne moeder en mijn broeder, zijn de braafsten van onze landen te zamen gekomen en hebben een verbond gesloten, Adelbond geheeten. Opdat ons geen leed wedervaren zoude, hebben zij mij en mijn jongsten broeder Adelhirt op de burgt gebracht, mij bij de maagden en mijn broeder bij de krijgslieden. Toen ik dertig jaren oud was, heeft men mij tot Burgtmaagd gekozen, en toen mijn broeder vijftig was, werd hij gekozen tot Grevetman. Van moeders zijde was mijn broeder de zesde, maar van vaders zijde de derde. Naar recht mochten dus zijne nakomelingen niet overa Linda achter hunne namen voeren; maar iedereen wilde het hebben ter eere van mijne moeder. Daarenboven heeft men ons ook een afschrift gegeven van het boek van Adela's aanhangers. Daarmede ben ik het meest verheugd, want door mijner moeder wijsheid kwam het in de wereld. In de burgt heb ik nog andere geschriften gevonden, ook lofspraken over mijne moeder, die alle wil ik hier achter schrijven.

 

Dit zijn de nagelaten geschriften van Bruno, die schrijver geweest is op deze burgt.

Nadat de aanhangers van Adela alles hadden laten overschrijven, elk in zijn rijk, wat op de wanden der burgten gegrift was, besloten zij eene Moeder te kiezen. Daartoe werd eene gemeene vergadering belegd op deze hiem. Naar de eerste raad van Adela werd Teuntja aanbevolen. Dit zoude ook geslaagd zijn, doch nu vroeg mijne Burgtmaagd het woord: zij was altijd in de meening geweest, dat zij Moeder zoude worden, uit oorzaak dat zij hier op de burgt zat, van waar meest alle Moeders gekozen waren. Toen haar het woord gegund was, opende zij hare valsche lippen en sprak: Gij allen schijnt zeer te hechten aan Adelas raad; doch dat zal daarom mijn mond niet sluiten noch snoeren. Wie toch is Adela en waar komt het van daan, dat gij haar zulken hoogen lof toezwaait? Gelijk ik tegenwoordig, zoo is zij te voren hier Burgtmaagd geweest; is zij daarom wijzer en beter als ik en alle andere? of is zij meer gesteld op onze zeden en gewoonten? Was dat het geval, dan zoude zij wel Moeder geworden zijn, toen zij daartoe gekozen is, maar zij wilde liever een huwelijk hebben met alle vreugde en genoegens, die daaraan verbonden zijn, in plaats van eenzaam over haar zelve en het volk te waken. Zij is zeer helderziende, goed, maar mijne oogen zijn verre van verduisterd te wezen. Ik heb gezien dat zij haren echtgenoot grootelijks bemint, nu goed, dat is loffelijk, maar ik heb verder gezien, dat Teuntje Apols nicht is. Wijders wil ik niets zeggen. De voornaamsten begrepen heel goed, waar zij luwte zocht, maar onder het volk kwam tweespalt, en, naardien het meerderdeel van hier kwam, wilde het Teuntje die eer niet gunnen. De redeneringen werden geindigd: de messen uit den zak gehaald, en er werd geene Moeder gekozen. Kort daarop had een van onze boden zijn makker geveld. Tot nu toe was hij braaf geweest, daarom had mijne burgtmaagd verlof hem buiten de landpalen te helpen. Doch, in plaats van hem te helpen naar het Twiskland, zoo vluchtte zij zelve met hem over de Wesara en voorts naar den Magy. De Magy, die zijne Fryaszonen behagen wilde, stelde haar aan als Moeder op Godaburgt in Schoonland; maar zij wilde meer, zij zeide hem dat, bij aldien hij Adela uit den weg ruimen konde, hij meester zoude worden over geheel Fryas land. Zij was eene vijandin van Adela, zeide zij, want door hare ranken was zij geene Moeder geworden. Bijaldien hij haar Texland wilde toezeggen, zoude haar bode zijne krijgslieden tot wegwijzer dienen. Al deze zaken heeft haar bode zelf beleden. [p. 129]

 

Het tweede geschrift.

Vijftien maanden na deze laatste algemeene vergadering was het Vriendschaps- of Winnemaand. Iedereen gaf toe aan [p. 131] lustige vreugde en blijdschap, en niemand had zorg dan zijn vermaak na te jagen. Doch Wr.alda wilde ons aantoonen, dat de waakzaamheid niet mag verflaauwen. Te midden van het feestvieren kwam de nevel onze oorden in dichte duisternis hullen. Het vermaak vlood, en de waakzaamheid wilde niet terugkeeren. De strandwakers waren van hunne noodvuren weggeloopen, en op de toegangen was niemand te zien. Toen de nevel optrok, keek de zon door de reeten der wolken op aarde neder. Iedereen kwam weder uit om te juichen en te joelen, het jongvolk trok zingende met de (zakpijp?) , en deze vervulde de lucht met haar lieffelijken adem. Maar, terwijl daar iedereen zich in vreugde baadde, was verraad geland met paarden en ruiters; gelijk al het booze waren zij geholpen door de duisternis, en binnengeslopen door de paden van Lindaswoud. Voor de deur van Adela trokken twaalf meisjes met twaalf lammeren en twaalf knapen met twaalf hokkelingen, een jonge Saksman bereed een wilden buffel, dien hij zelf gevangen en getemd had. Met allerlei bloemen waren zij versierd, en de linnen jurken der meisjes waren omboord met goud uit den Rijn. Toen Adela uit haar huis op de straat kwam viel een bloemregen op haar hoofd, allen juichten luide, en de toethoornen der knapen klonken boven alles uit. Arme Adela, arm volk, hoe kort zal de vreugde hier vertoeven! Toen de lange schare uit het gezicht was, kwam een troep Magyaarsche ruiters lijnrecht aanrennen op Adelas erf. Haar vader en haar man waren nog gezeten op de stoepbank. De deur stond open en daar binnen stond Adelbrost haar zoon. Als hij zag hoe zijne ouders in vrees waren, greep hij zijn boog van de wand, en schoot naar den voorste der roovers; deze wankelde en tuimelde op het gras neder; over den tweede en derde was een gelijk lot beschoren. Intusschen hadden zijne ouders hunne wapenen gegrepen en trokken langzaam naar Jons huis. De roovers zouden hen spoedig gevangen genomen hebben, maar Adela kwam (op de burgt had zij alle wapens leeren hanteeren, zeven aardvoet was zij lang, en haar zwaard even zoo lang, dit zwaaide zij driemaal over haar hoofd en toen het nederkwam beet een ridder in het gras. Helpers kwamen om den hoek van de laan weg. De roovers werden geveld en gevangen. Doch te laat! een pijl had haar boezem getroffen. Verraderlijke Magy! De pijlspits was in vergif gedoopt en daaraan stierf zij. [p. 133]

 

De lofspraak der burgtmaagd.

Ja, ver wonende vriend, duizende zijn reeds gekomen en nog meerdere zijn op weg. Wel, zij willen Adelas wijsheid hooren. Zeker is zij eene vorstin, want zij is altijd de voorste geweest. O wee! waartoe zoude zij dienen. Haar hemd is van linnen, hare tunika van wol, die zij zelve spon en weefde. Waarmede zoude zij hare schoonheid verhoogen? Niet met parelen, want hare tanden zijn witter; niet met goud, want hare lokken zijn blinkender; niet met edelgesteenten, wel zijn hare oogen zacht als die van een lam, doch te gelijk zoo vurig, dat men er bezwaarlijk in kan zien. Maar wat spreek ik van schoon? Frya was gewis niet schooner. Ja vriend, Frya die zeven schoonheden bezat, waarvan hare dochters elk maar eene, hoogstens drie gerfd hebben. Maar al was zij leelijk geweest, toch zoude zij ons dierbaar wezen. Of zij krijgshaftig is? Luister vriend, Adela is het eenige kind van onzen grevetman. Zeven aardvoet is zij hoog, hare wijsheid is nog grooter als haar ligchaam, en haar moed is gelijk beide te zamen. Zie hier, er was eens een veenbrand, drie kinderen waren op gindschen grafsteen gesprongen. De wind blies fel. Iedereen schreeuwde en de moeder was radeloos. Daar komt Adela: Hoe staat en talmt gij, roept zij, tracht hulp te verleenen, en Wralda zal u krachten geven. Daarop ijlt zij naar het Krijlwoud, grijpt elzentakken, tracht eene brug te maken; nu helpt ook de andere en de kinderen zijn gered. Jaarlijks komen de kinderen hier bloemen nerleggen. Er kwamen drie Phoenicische zeelieden, die de kinderen wilden mishandelen, maar nu kwam Adela, die hun geschrei hoorde, zij slaat de onverlaten in zwijm; en opdat zij zelve zouden getuigen, dat zij onwaardige mannen waren, bindt zij hen alle te zamen aan een spinrok vast. De uitheemsche heeren kwamen hunne lieden opeischen; toen zij zagen hoe raar zij waren mishandeld, kwam toorn bij hen op; doch men verhaalde hun, hoe het gebeurd was. Wat deden zij verder? Zij bogen zich voor Adela en kusten de slip van haar kleed. Maar kom, verafwonende vriend. De woudvogelen vluchten voor de vele bezoekers. Kom, vriend, zoo moogt gij hare wijsheid hooren. Bij den grafsteen, waarvan in de lofspraak melding wordt gemaakt, is moeders lijk begraven. Op haren grafsteen heeft men deze woorden gegrift. Loop niet te schielijk, want hier ligt Adela. De oude leer, die gegrift is op de buitenwand des burgttorens, is niet geschreven in het boek van Adelas volgers. Waarom dit nagelaten is, weet ik niet te schrijven. Doch dit boek is mijn eigen, daarom wil ik die daarin zetten ter wille van mijne bloedverwanten. [p. 135]

 

Oudste leer.

Alle het goede minnende Fryas kinderen zij heil! Daardoor [p. 137] zal het zalig worden op aarde. Leer en verkondig aan de volken. Wralda is het alleroudste of overoudste, want hij schiep alle dingen. Wralda is alles in alles, want hij is eeuwig en oneindig. Wralda is overal tegenwoordig, maar nergens te aanschouwen, daarom wordt dit wezen geest genoemd. Alles wat wij van hem zien kunnen, zijn de schepselen die door zijn leven komen en weder heengaan, want uit Wralda komen alle dingen en keeren tot hem weder. Van uit Wralda komt de aanvang en het einde, alle dingen gaan in hem op. Wralda is het eenige almachtige wezen, want alle andere macht is van hem geleend en keert tot hem terug. Uit Wralda komen alle krachten en alle krachten keeren tot hem weder. Daarom is hij alleen het scheppende wezen, en niets is geschapen buiten hem. Wralda legde eeuwige inzettingen, dat is wetten in al het geschapene, en er zijn geene goede wetten, of zij moeten daarnaar ingericht zijn. Maar ofschoon alles in Wralda is, de boosheid der menschen is niet van hem. Boosheid komt door loomheid, zorgeloosheid of domheid. Daarom kan zij wel de menschen schaden, maar Wralda nimmer. Wralda is de wijsheid, en de wetten, die hij gemaakt heeft, zijn de boeken, waaruit wij leeren kunnen, en er is geen wijsheid te vinden, noch te vergaderen buiten die. De menschen kunnen vele dingen zien, maar Wralda ziet alle dingen. De menschen kunnen vele dingen leeren, maar Wralda weet alle dingen. De menschen kunnen vele dingen ontsluiten, maar voor Wralda is alles geopend. De menschen zijn mannelijk en vrouwelijk, maar Wralda schept beide. De menschen beminnen en haten, maar Wralda alleen is rechtvaardig. Daarom is Wralda alleen goed, en er zijn geene goeden buiten hem. Met het Juul verandert en wisselt al het geschapene, maar het goede is alleen onveranderlijk. Omdat Wralda goed is, kan hij ook niet veranderen; en omdat hij blijft, daarom is hij alleen wezen, en al het andere schijn. [p. 139]

 

Het tweede deel van de oudste leer.

Onder Findas volk zijn wanwijzen, die door hunne over-vindingrijkheid zoo boos zijn geworden, dat zij zich zelven wijs maken en de ingewijden doen gelooven, dat zij het beste deel zijn van Wralda; dat hun geest het beste deel is van Wralda's geest, en dat Wralda alleen kan denken door hulp van hun brein. Dat ieder schepsel een deel is van Wralda's oneindig wezen, dat hebben zij van ons gestolen. Maar hunne valsche redeneering en hunne toomelooze hoovaardigheid heeft hen op een dwaalweg gebracht. Ware hun geest Wraldas geest, dan zoude Wralda heel dom wezen, in plaats van verstandig en wijs. Want hun geest slooft zich altijd af om schoone beelden te maken, die zij naderhand aanbidden. Maar Findas volk is een boos volk, want ofschoon de wanwijzen onder hen zich zelven wijsmaken, dat zij goden zijn, zoo hebben zij voor de oningewijden valsche goden geschapen, en verkondigen allerwege dat deze afgoden de wereld geschapen hebben, met alles wat daar in is; gierige afgoden vol nijd en toorn, die gediend en geerd willen wezen, door de menschen; die bloed en offer willen en schatting eischen. Maar die wanwijze valsche mannen, die zich zelf godsdienaren of priesteren laten noemen, beuren en zamelen en vergaderen dat alles voor afgoden, die niet bestaan, om het zelf te behouden. Dat alles bedrijven zij met een ruim gemoed, naardien zij zich zelven goden wanen, die aan niemand antwoord schuldig zijn. Zijn er sommigen die hunne ranken bevroeden en openbaar maken, zoo worden zij door hunne rakkers gevat en om hunnen laster verbrand, alles met vele statelijke plegtigheden ter eere der valsche goden. Maar in trouwe, [p. 141] alleen opdat zij hun niet schaden zouden. Opdat onze kinderen gewapend mogen wezen tegen hunne afgodische leer, zoo behooren de maagden hen te doen van buiten leeren, wat hier zal volgen. Wralda was eerder dan alle dingen, en na alle dingen zal hij wezen. Wralda is alzoo eeuwig en hij is oneindig, daarom is er niets buiten hem. Door en uit Wraldas leven ontstond de tijd en werden alle dingen geboren; en zijn leven neemt den tijd en alle dingen weg. Deze zaken moeten klaar en openbaar gemaakt worden op alle wijzen, zoodat zij het aan anderen mogen beduiden en bewijzen. Is het zoo verre gewonnen, dan zegt men verder: Wat dus onzen omvang betreft, zoo zijn wij een deel van Wraldas oneindig wezen als de omvang van al het geschapene. Doch wat onze gedaante aangaat, onze eigenschappen, onzen geest en al onze bedenkingen, deze behooren niet tot het wezen. Dit alles zijn vluchtige dingen, die door Wraldas leven verschijnen; doch door zijne wijsheid zoodanig en niet anders verschijnen. Maar doordien zijn leven steeds voortgaat, zoo kan er ook niets op zijne plaats blijven. Daarom verwisselen alle geschapene dingen van plaats, van gedaante en ook van denkwijze. Daarom mag de aarde zelve, noch eenig schepsel zeggen: ik ben, maar wel: ik was. Ook mag geen mensch zeggen: ik denk, maar bloot: ik dacht. De knaap is grooter en anders als toen hij een kind was. Hij heeft andere begeerten, neigingen en denkwijze. De man en vader is en denkt anders als toen hij knaap was. Even zoo de oude van dagen. Dat weet iedereen. Bijaldien nu iedereen weet, en moet erkennen, dat hij steeds wisselt, zoo moet hij ook bekennen, dat hij ieder oogenblik wisselt; ook terwijl hij zegt: ik ben; en dat zijne denkbeelden veranderen, terwijl hij zegt: ik denk. In plaats dus, van dat wij de boose Finda's op eene onwaardige wijze napraten en snappen, ik ben, of wel ik ben het beste deel Wraldas, ja door ons alleen mag hij denken, zoo willen wij verkondigen overalen allerwege, waar het noodig is: wij Fryas kinderen zijn verschijnselen door Wraldas leven; bij den aanvang gering en bloot: doch altijd wordende en naderende tot volkomenheid, zonder ooit zoo goed te worden als Wralda zelf. Onze geest is niet Wralda's geest, hij is daarvan slechts een afschijnsel. Toen Wralda ons schiep, heeft hij ons in zijne wijsheid, brein, zintuigen, geheugen en vele goede eigenschappen geleend. Hiermede kunnen wij zijne schepselen en zijne wetten beschouwen. Daarvan kunnen wij leeren en daarover kunnen wij spreken, alles en alleen tot ons eigen heil. Had Wralda ons geene zintuigen gegeven, zoo zouden wij nergens van weten, en wij zouden nog redelozer zijn, dan een zeekwal die voortgedreven wordt door ebbe en door vloed. [p. 143]

 

Dit staat op schrijffilt geschreven. taal en antwoord aan andere maagden tot een voorbeeld.

Een ongezellig gierig man kwam klagende bij Troost, die Maagd was te Stavia. Hij zeide onweder had zijn huis vernield. Hij had tot Wralda gebeden, maar Wralda had hem geene hulp verleend. Zijt ge een echte Fries, vroeg Troost. Van ouder tot voorouder, antwoordde de man. Dan, zeide zij, wil ik iets in uw gemoed zaaijen in vertrouwen, dat het kiemen en groeijen en vruchten geven mag. Verder sprak zij en zeide: toen Frya geboren was, stond onze moeder naakt en bloot, onbehoed tegen de stralen der zon. Niemand kon zij vragen, en er was niemand, die haar hulp verleenen konde. Toen ging Wralda heen en wrocht in haar gemoed neiging en liefde, angst en schrik. Zij zag rondom zich; hare neiging koos het beste, en zij zocht eene schuilplaats onder de beschuttende lindeboom. Maar de regen kwam en het ongemak was, dat zij nat werd. Doch zij had gezien, [p. 145] hoe het water bij de hellende bladeren neerdrupte. Nu maakte zij een afdak met hellende zijden, op staken maakte zij dat. Maar de stormwind kwam en blies de regen daaronder. Nu had zij gezien, dat de stam luwte gaf. Daarop ging zij heen en maakte eene wand van plaggen en zooden; eerst aan de eene zijde en vervolgens aan alle zijden. De stormwind kwam terug, woedender als te voren, en blies het dak weg. Maar zij klaagde niet over Wralda, noch tegen Wralda. Maar zij maakte een rieten dak en legde steenen daarop. Bevonden hebbende hoe zeer het doet, om alleen te tobben, zoo beduidde zij hare kinderen, hoe en waarom zij zoo gedaan had. Deze handelden en dachten hetzelfde. Op zoodanige wijze zijn wij aan huizen gekomen met stoepbanken, eene straat, en eene beschuttende linde tegen de zonnestralen. Ten laatste hebben zij eene burgt gemaakt en vervolgens al het andere. Is uw huis dus niet sterk genoeg geweest, dan moet gij trachten het andere beter te maken. Mijn huis was sterk genoeg, zeide hij, maar het hooge water heeft het opgebeurd en de stormwind heeft het andere gedaan. Waar stond uw huis dan, vroeg Troost. Aan den oever van den Rijn, antwoordde de man. Stond het dan niet op eene nol (ronde hoogte) of terp, vroeg Troost. Neen, zeide de man, mijn huis stond eenzaam bij den oever; alleen heb ik het gebouwd, maar ik kon daar alleen geen terp voor maken. Ik wist het wel, antwoordde Troost, de maagden hebben het mij gemeld. Gij hebt al uw leven een afkeer gehad van de menschen, uit vrees, dat gij iets geven of doen moest voor hun. Doch daarmede kan men niet verre komen. Want Wralda die mild is, keert hem af van de gierigen. Faesta heeft ons geraden en boven de deuren van alle onze burgten is 't gegrift in steen: zijt ge erg baatzuchtig, zeide Faesta, behoed dan uwe naasten, onderricht dan uwe naasten, help dan uwe naasten, zoo zullen zij het u wederom doen. Is u deze raad niet goed genoeg, ik weet geene betere voor u. De man werd schaamrood en droop stil af. [p. 147]

 

Nu wil ik zelf schrijven, eerst over mijne burgt en dan over hetgene ik heb mogen zien.

Mijne burgt ligt aan 't noordeinde van de Liudgaarde. De toren heeft zes zijden. Driemaal dertig voet is hij hoog. Plat van boven. Een klein huisje daarop, waaruit men naar de sterren ziet. Aan iedere zijde van den toren staat een huis, lang drie honderd en breed driemaal zeven voet, en evenzoo hoog, behalve het dak, dat rondachtig is. Al deze van hardgebakken steen, en van buiten zijn er geene andere. Om de burgt is een ringdijk, en daarom heen eene gracht diep drie maal zeven en breed driemaal twaalf voet. Ziet iemand boven van den toren naar beneden, dan ziet hij de gedaante van het Juul. Op den grond tusschen de zuidelijke huizen, daar zijn allerlei kruiden van heinde en verre, daarvan moeten de maagden de krachten leeren kennen. Tusschen de noordelijke huizen is alleen veld. De drie noordelijke huizen zijn vol koorn en andere benoodigdheden. Twee zuidelijke huizen zijn voor de maagden, om school te houden en te wonen. Het zuidelijkste huis is de woning der Burgtmaagd. In den toren hangt de lamp. De wanden van den toren zijn gesmukt met kostbare steenen. Op de zuiderwand is de Tex gegrift. Aan de rechterzijde van deze vindt men de formleer; aan de linkerzijde de wetten. De andere zaken vindt men op de drie andere zijden. Tegen den dijk aan bij het huis der burgtmaagd staat de oven en de meelmolen door vier buffels gekruid. Buiten onze burgtwal is de plaats, waarop de burgtheeren en de krijgers wonen. De ringdijk daaromheen is een uur groot, niet een zeemans, maar een zonne uur, waarvan tweemaal twaalf in een etmaal gaan. Aan de binnenzijde van den dijk is een plat, vijf voet beneden de kruin. Daarop zijn drie honderd kraanbogen, gedekt met hout en leder. Behalve de huizen der inwoners zijn daarbinnen langs den [p. 149] dijk nog drie maal twaalf noodhuizen voor de omwoners. Het veld dient tot kamp en tot weide. Aan de zuidzijde van de buitenste ringdijk is de Liudgaarde omtuind door het groote Lindenwoud. Hare gedaante is driehoekig, met de breede zijde naar buiten, opdat de zon daarin mag zien. Want daar zijn vele buitenlandsche boomen en bloemen, door de zeevaarders medegebracht. Gelijk de gedaante van onze burgt is, zoo zijn alle andere; doch onze burgt is de grootste; maar de allergrootste is die van Texland. De toren van Fryaburgt is zoo hoog, dat hij de wolken tornt, en in evenredigheid van den toren is al het overige. Bij ons op de burgt is het zoo verdeeld. Zeven jonge maagden waken bij de lamp. Iedere waak is drie uren. In den overigen tijd moeten zij huiswerk doen, leeren en slapen. Zijn zij zeven jaar wakende geweest, dan zijn zij vrij. Dan mogen zij onder de menschen gaan, om op hunne zeden te letten en raad te geven. Is eene drie jaren maagd geweest, dan mag zij somtijds met de oude maagden mede gaan. De schrijver moet de meisjes leeren lezen, schrijven en rekenen. De grijsaards of greva moeten haar leeren recht en plicht, zedekunde, kruidkunde en heelkunde, geschiedenissen, vertellingen en zangen, benevens allerhande dingen die haar noodig zijn om raad te geven. De Burgtmaagd moet haar leeren, hoe zij daarmede te werk moeten gaan bij de menschen. Voor dat eene Burgtmaagd hare plaats inneemt, moet zij door het land reizen een vol jaar. Drie grijze burgtheeren en drie oude maagden gaan met haar mede. Zoo is het ook mij gegaan. Mijne reis is langs den Rijn geweest, dezen oever opwaarts en langs den anderen oever benedenwaarts. Hoe hooger ik opkwam, des te armer schenen mij de menschen. Overal in den Rijn had men uitstekken gemaakt. Het zand dat daartegen kwam, werd met water over schapenvachten gegoten om goud te winnen. Maar de meisjes droegen daar geene gouden kroonen van. Voorheen waren [p. 151] er meer geweest, maar sedert wij Schoonland misten, zijn zij naar de bergen gegaan. Daar delven zij ijzererts, waar zij ijzer van maken. Boven den Rijn tusschen het gebergte, daar heb ik Marsaten gezien. De Marsaten, dat zijn menschen, die op de meeren wonen. Hunne huizen zijn op palen gebouwd. Dat is wegens het wild gedierte en booze menschen. Daar zijn wolven, beeren en zwarte afgrijselijke leeuwen. En zij zijn de naburen of aangrenzenden van de heinde Krekalanden, der Kalta volgers en der verwilderde Twiskar, alle begeerig naar roof en buit. De Marsaten generen zich met visschen en jagen. De huiden worden door de vrouwen toegemaakt en bereid met schors van berken. De kleine huiden zacht als vrouwenfilt. De burgtmaagd te Fryasburgt zeide ons, dat zij goede, eenvoudige menschen waren. Doch had ik haar niet vooraf hooren spreken, ik zoude gemeend hebben, dat zij geen Fryas volk waren, maar wilden, zoo onbeschaamd zagen zij er uit. Hunne vachten en kruiden werden door de Rijnbewoners verhandeld en door de schippers buiten gebracht. Langs de (andere zijde van) den Rijn was het eveneens tot aan Lydasburcht. Daar was een groote vliet of mare. Op deze vliet waren ook menschen, die huizen op palen hadden. Doch dat was geen Fryas volk: maar dat waren zwarte en bruine menschen, die gediend hadden als roeijers om de buitenvaarders naar huis te helpen. Zij moesten daar blijven, tot dat de vloot weder vertrok. Ten laatste kwamen wij te Alderga. Bij het zuiderhavenhoofd staat de Waraburgt, een steenhuis, daarin zijn allerlei schulpen, hoorns, wapenen en kleederen bewaard van verre landen, door de zeelieden medegebracht. Een kwartier daarvan daan is het Alderga. Een groote vliet omzoond met schuren, huizen en tuinen, alles rijk versierd. In die vliet lag eene groote vloot gereed, met banieren van allerlei verf. Op Fryasdag hingen de schilden om de boorden toe. Sommige blonken [p. 153] gelijk de zon. De schilden van den zeekoning en den schout bij nacht waren met goud omboord. Van uit die vliet was eene gracht gegraven van daar voortloopende langs de burgt Forana en voorts met eene enge mond in zee. Voor de vloot was dit de uitgang en het Fly de ingang. Aan beide zijden der gracht zijn schoone huizen met helder blinkende verwen geschilderd. De tuinen zijn met altijd groene hagen omheind. Ik heb daar vrouwen gezien die viltene tunikas droegen, als of het schrijffilt was. Even als te Staveren waren de meisjes met gouden kroonen op hare hoofden en met ringen om de armen en voeten gesierd. Zuidwaarts van Forana ligt Alkmarum. Alkmarum is eene mare of vliet, daarin ligt een eiland, op dat eiland moeten de zwarte en bruine menschen verwijlen, even als te Lydasburgt. De Burgtmaagd van Forana zeide mij, dat de burgtheeren dagelijks tot hen gingen om hun te leeren, wat echte vrijheid is, en hoe de menschen in der minne behooren te leven om zegen te erlangen van Wraldas geest. Was er iemand die hooren wilde en begrijpen kon, zoo werd hij daar gehouden, tot dat hij volleerd was. Dat werd gedaan om de veraf wonende volken wijs te maken, en om overal vrienden te winnen. Weleer was ik in de Saxenmarken op de burgt Mannagardaforde geweest. Doch daar had ik meer armoede gezien, als ik hier rijkdom bespeurde. Zij antwoordde: zoo wanneer daar aan de Saxenmarken een vrijer een meisje komt bevrijen, dan vragen de meisjes daar, kunt gij uw huis vrijwaren tegen de verbannen Twisklanders? hebt gij er nog geen geveld? hoeveel buffels hebt gij reeds gevangen en hoeveel beeren en wolvenhuiden hebt gij al op de markt gebracht? Daar van daan is 't gekomen, dat de Saxmannen den landbouw aan de vrouwen overgelaten hebben. Dat van honderd te zamen niet een lezen mag of schrijven kan. Daarvan daan is het gekomen, dat niemand eene spreuk op zijn schild heeft, maar bloot eene wanstaltige gedaante van een dier, dat hij geveld [p. 155] heeft. En eindelijk, daarvan daan is het gekomen, dat zij zeer oorlogzuchtig geworden zijn, maar somtijds even dom zijn als het gedierte, dat zij vangen, en even arm als de Twisklanders, met welke zij oorlogen. Voor Fryasvolk is aarde en zee geschapen. Alle onze rivieren loopen in zee uit. Het Lydasvolk en het Findasvolk zullen elkander verdelgen, en wij moeten de ledige landen bevolken. In het heen en omvaren ligt ons heil. Wilt gij nu, dat de bovenlanders deel hebben aan onzen rijkdom en wijsheid, zoo zal ik u een raad geven. Laat het de meisjes tot eene gewoonte worden om hare vrijers te vragen, eer zij ja zeggen: waar hebt gij al in de wereld rondgevaren? wat kunt gij uwe kinderen vertellen van verre landen en over verwonende volken? Doet zij zoo, dan zullen de krijgshaftige knapen tot ons komen. Zij zullen wijzer worden en rijker en wij zullen geen behoefte langer hebben aan dat vuile volk. De jongste van de maagden, die bij mij waren, kwam uit de Saxenmarken weg. Toen wij nu te huis kwamen, heeft zij verlof gevraagd om naar huis te gaan. Naderhand is zij daar Burgtmaagt geworden, en daarvan daan is het gekomen, dat heden ten dage zoo vele Saxmannen bij onze zeelieden varen.

EINDE VAN APOLLONIAS BOEK.

[p. 157]

De geschriften van Frthorik en Wiljow.

Mijn naam is Frthorik toegenaamd oera Linda, dat wil zeggen over de Linden. Te Ljudwardia ben ik tot Asga gekozen. Ljudwardia is een nieuw dorp, binnen den ringdijk van de burgt Ljudgaarda, waarvan de naam in oneer gekomen is. Onder mijne tijden is veel gebeurd. Veel had ik daarover geschreven; maar naderhand zijn mij nog vele dingen gemeld. Van een en ander wil ik eene geschiedenis achter dit boek schrijven, de goede menschen tot eere, de slechten tot oneer. In mijne jeugd hoorde ik klachten alomme: booze tijd kwam; booze tijd was gekomen; Frya had ons verlaten; zij had hare waakmeisjes terug gehouden; want gedrochtelijke (afgods) beelden waren binnen onze landpalen gevonden. Ik brande van nieuwsgierigheid om die beelden te zien. In onze buurt strompelde een oud vrouwtje de huizen uit en in, altijd roepende over de booze tijd. Ik draaide haar op zijde. Zij streek mij om de kin. Nu werd ik vrijmoedig en vroeg haar of zij mij de booze tijd en de beelden eens wilde toonen. Zij lachte goedaardig, en bragt mij op de burgt. Een grijsaard vroeg mij of ik al lezen en schrijven kon. Neen, zeide ik. Dan moet gij eerst heengaan en leeren, zeide hij, anders mag het u niet getoond worden. Dagelijks ging ik bij den schrijver leeren. Acht jaren later hoorde ik, dat onze burgtmaagd ontucht had bedreven en dat sommige burgtheeren verraad gepleegd hadden met den Magy. En vele menschen waren op hunne zijde. Overal kwam tweespalt. Er waren kinderen, die opstonden tegen hunne ouders. In 't geheim[p. 159] werden de brave menschen vermoord. Het oude vrouwtje, dat alles openbaar maakte, werd dood gevonden in een gruppel. Mijn vader, die rechter was, wilde haar gewroken hebben. Bij nacht werd hij in zijn huis vermoord. Drie jaren later was de Magy meester zonder strijd. De Saxmannen waren vroom en braaf gebleven. Naar hen vluchtten alle goede menschen. Mijne moeder bestierf het. Nu deed ik als de anderen. De Magy verhief zich op zijne slimheid. Maar Irtha zoude hem toonen, dat zij geen Magy noch afgoden mocht toelaten tot de heilige schoot, waaruit zij Frya baarde. Even als het wilde ros zijne manen schudt, nadat het zijn berijder in het gras geworpen heeft, even zoo schudde Irtha hare wouden en bergen. Rivieren werden over de velden gespreid. De zee kookte. Bergen spuwden vuur naar de wolken, en wat zij gespuwd hadden, slingerden de wolken weder op aarde. Bij den aanvang van Arnemaand (oogstmaand) neigde de aarde noordwaarts en zeeg neder, al lager en lager. In de Wolvenmaand (wintermaand) lagen de lage marken van Fryasland onder de zee bedolven. De wouden, daar beelden in waren, werden opgeheven en een spel der winden. Het jaar daarop kwam vorst in de Hardemaand (louwmaand) en legde oud Fryasland onder een plank (ijsveld) verscholen. In Sellemaand (sprokkelmaand) kwam stormwind uit het noorden weg, mede voerende bergen van ijs en steenen. Toen spring- (vloed) kwam, hief de aarde zich op. Het ijs smolt weg. Ebbe kwam en de wouden met de beelden dreven naar zee. In de Winne of Minnemaand (bloeimaand) ging ieder, die durfde, weer naar huis varen. Ik kwam met eene maagd op de burgt Liudgaarde. Hoe droevig zag het er daar uit. De wouden der Lindaoorden waren meest weg. Waar de Liudgaarde geweest was, was zee. De golfslag zweepte den ringdijk. IJs had den toren vernield, en de huizen lagen door elkander. Aan de helling van den dijk vond ik een steen; [p. 161] onze schrijver had daar zijn naam ingegrift; dat was mij een baken. Gelijk het met onze burgt gegaan was, zoo was het ook met de andere gegaan. In de hooge landen waren zij door de aarde, en in de lage landen door het water vernield. Alleen Fryasburcht op Texland werd ongedeerd gevonden. Maar al het land dat noordwaarts gelegen had, was onder de zee; nog is het niet weer boven gebragt. Aan dezen oever van het Flymeer waren, naar gemeld werd, dertig zoute plassen gekomen, ontstaan door de wouden, die met grond en al weg gedreven waren. Te Westflyland vijftig. De gracht, die van het Alderga dwars door het land geloopen had, was verzand en vernield. De zeelieden en ander varensvolk, die te huis waren, hadden zich zelven gered met magen en bloedverwanten op hunne schepen. Maar het zwarte volk van Lydasburgt en Alkmarum had eveneens gedaan. Terwijl de zwarten zuidwaarts dreven, hadden zij vele meisjes gered, en naardien niemand kwam om ze op te eischen, hielden zij haar tot hunne vrouwen. De menschen die terug kwamen, gingen alle binnen de ringdijken der burgten wonen, omdat het daar buiten alles slib en broekland was. De oude huizen werden zamengeklust. Van de bovenlanden kocht men koeijen en schapen, en in de groote huizen, daar te voren de maagden gevestigd waren, werd nu laken en filt gemaakt, om des levens wille. Dit geschiedde 1888 jaren nadat Atland verzonken was. In 282 jaren hadden wij geene Eeremoeder gehad en nu alles misschien verloren scheen, ging men eene kiezen. Het lot viel op Gosa toegenaamd Makonta. Zij was Burgtmaagd op Fryasburgt te Texland. Helder van hoofd en klaar van zin, heel goed, en omdat hare burgt alleen gespaard was, zag iedereen daaruit hare roeping. Tien jaren later kwamen de zeelieden van Forana en van Lydasburgt. Zij wilden de zwarte mannen met vrouw en kinderen uit het land drijven. Daarover wilden zij de raad der Moeder inwinnen Maar Gosa vroeg: kunt gij een en ander terug voeren naar hunne landen, dan behoort gij spoed te maken, anders zullen zij hunne bloedverwanten niet weder vinden. Neen, zeiden zij. Toen zeide Gosa: Zij hebben uw zout geproefd en uw brood gegeten. Hun lijf en leven hebben zij onder uwe hoede gesteld. Gij moet uw eigen hart onderzoeken. Maar ik wil u een raad geven. Houdt hen tot dat gij in staat zijt om hen weder naar huis te voeren. Maar houdt hen bij uwe burgten daar buiten. Waakt over hunne zeden, en onderwijs hen alsof zij Fryas zonen waren. Hunne vrouwen zijn hier de sterkste. Als rook zal hun bloed vervliegen, tot er ten laatsten niets anders dan Fryas bloed in hunne nakomelingen zal overblijven. Zoo zijn zij hier gebleven. Nu wenschte ik wel dat mijne nakomelingen daar op letten, in hoeverre Gosa waarheid sprak. - Toen onze landen weder te begaan waren, kwamen er benden arme Saxmannen en vrouwen naar de oorden van Staveren en het Alderga, om gouden en andere sieraden te zoeken uit de drassige bodem. Doch de zeelieden wilden hen niet toelaten. Toen gingen zij de ledige dorpen bewonen te West Flyland, om hun lijf te behouden. [p. 163]

 

Nu wil ik schrijven hoe de geertmannen en vele volgelingen van Helenia terug kwamen.

Twee jaren nadat Gosa moeder werd, kwam er eene vloot het Flymeer in vallen. Het volk riep ho.n.sen. (welk een zegen!) Zij voeren naar Staveren, daar riepen zij nog eenmaal. De banieren waren in top en des nachts schoten zij brandpijlen in de lucht. Toen het dageraad was, roeiden sommige met eene snik de haven in, zij riepen weder hoezee. Toen zij landden, wipte een jong kerel op den wal. In zijne handen had hij een schild, daarop was brood en zout gelegd. Na hem kwam een grijze; hij zeide wij komen van [p. 165] de verre Krekalanden weg, om onze zeden te bewaren. Nu wenschten wij, dat gij zoo vriendelijk zoudt wezen, om ons zoo veel land te geven, dat wij daarop mogen wonen. Hij vertelde eene heele geschiedenis, die ik hierna beter beschrijven wil. De grijzen wisten niet wat te doen, zij zonden boden allerwege, ook tot mij. Ik ging heen en zeide: nu wij eene Moeder hebben, behooren wij haar raad te vragen. Ik zelf ging mede. De Moeder, die alles reeds wist, zeide: laat hen komen, zoo mogen zij ons land helpen behouden: maar laat hen niet op ne plek blijven, opdat zij niet machtig worden over ons. Wij deden gelijk zij gezegd had. Dat was heel naar hun zin. Fryso bleef met zijne lieden te Staveren dat zij weder tot eene zeestad maakten, zoo goed zij konden. Wichhirte ging met zijne lieden oostwaarts naar de Emude. Sommige der Joniers, die meenden dat zij van het Alderga volk gesproten waren, gingen daarheen. Een klein deel, die waanden, dat hunne voorvaderen van de Zeven eilanden weg kwamen, gingen heen en zetten zich neder binnen den ringdijk van de burgt Walhallagara. Liudgert de schout bij nacht van Wichhirte werd mijn makker en naderhand mijn vriend. Uit zijn dagboek heb ik de geschiedenis die hier achter zal volgen. Nadat wij 12 maal 100 en tweemaal 12 jaren bij de Vijf wateren gezeten waren, terwijl onze zeestrijders alle zeen bevoeren, die er te vinden waren, kwam Alexander de koning met een geweldig heir van boven langs den stroom naar onze dorpen varen. Niemand kon hem wederstaan. Doch wij zeelieden, die bij de zee woonden, wij scheepten ons met al onze have in en vertrokken. Toen Alexander vernam dat zulk eene groote vloot hem ontvaren was, werd hij als woedend, zweerende dat hij alle dorpen aan de vlam zoude offeren, zoo wij niet wilden terug komen. Wichhirte lag ziek te bed. Toen Alexander dat vernam, heeft hij gewacht, tot dat hij beter was. Daarna kwam hij tot hem, zeer minzaam sprekende; doch hij bedroog gelijk [p. 167] hij vroeger gedaan had. Wichhirte antwoordde: o allergrootste der koningen. Wij zeelieden komen allerwege, wij hebben van uwe groote daden gehoord. Daarom zijn wij vol eerbied jegens uwe wapenen, maar nog meer voor uwe wetenschap. Maar wij anderen, wij zijn vrijgeboren Fryas kinderen, wij mogen uwe slaven niet worden. En al wilde ik het, de anderen zouden liever willen sterven, want zoo is het door onze wetten bevolen. Alexander zeide: ik wil uw land niet maken tot mijne buit, noch uw volk tot mijne slaven. Ik wil alleen dat gij mij zult dienen voor loon. Daarop wil ik zweeren bij ons beider goden, dat niemand over mij ontevreden zal zijn. Toen Alexander naderhand brood en zout met hem deelde, heeft Wichhirte het wijste deel gekozen. Hij liet de schepen halen door zijn zoon. Toen zij alle terug waren, heeft Alexander die alle gehuurd. Daarmede wilde hij zijn volk naar den heiligen Ganges voeren, dien hij te land niet had kunnen genaken. Nu ging hij toe en koos al degene uit zijn volk en zijne soldaten, die gewoon waren over zee te varen. Wichhirte was weder ziek geworden, daarom ging ik alleen mede en Nearchus van des konings wege. De tocht liep zonder voordeel ten einde, uithoofde de Joniers altijd in onmin waren tegen de Pheniciers, zoodat Nearchus zelf er geen meester over blijven kon. Intusschen had de koning niet stil gezeten. Hij had zijne soldaten boomen laten kappen en tot planken maken. Met hulp van onze timmerlieden had hij daar schepen van gemaakt. Nu wilde hij zelf zeekoning worden, en met zijn geheele heir den Ganges opvaren. Doch de soldaten die uit het bergland kwamen, waren bang voor de zee. Toen zij hoorden, dat zij moesten, staken zij de timmerschuren in den brand. Daardoor werd ons geheele dorp in asch gelegd. In het eerst waanden wij dat Alexander het bevolen had, en ieder stond gereed om zee te kiezen. Maar Alexander was woedend; hij wilde de soldaten door zijn eigen volk laten ombrengen. Maar Near- [p. 169] -chus, die niet alleen zijn eerste vorst, maar ook zijn vriend was, raadde hem anders te doen. Nu hield hij zich als of hij geloofde, dat het bij ongeluk geschied was. Doch hij durfde zijn tocht niet hervatten. Nu wilde hij terugkeeren; doch eer hij dat deed, liet hij eerst onderzoeken wie er schuldig waren. Zoodra hij dat wist, liet hij die allen zonder wapenen blijven, om een nieuw dorp te maken. Van zijn eigen volk liet hij gewapenden, om de anderen te temmen en om eene burgt te bouwen. Wij moesten vrouwen en kinderen mede nemen. Als wij aan den mond van den Euphraat kwamen, dan mochten wij daar eene plaats kiezen, of terug keeren, ons loon zoude ons even gaarne toegedeeld worden. Op de nieuwe schepen, die den brand ontkomen waren, liet hij Joniers en Krekalanders gaan. Hij zelf ging met zijn ander volk langs de kust door de dorre woestijn, dat is door het land, dat Irtha opgeheven had, uit de zee, toen zij de straat achter onze voorvaderen had opgehoogd, zoodra zij in de roode zee kwamen. Toen wij te Nieuw Geertmania kwamen (Nieuw Geertmania is eene haven, die wij zelve gemaakt hadden om daar water in te nemen) , ontmoetten wij Alexander met zijn leger. Nearchus ging aan wal en vertoefde drie dagen. Toen ging het weder verder. Toen wij bij den Euphraat kwamen, ging Nearchus met de soldaten en vele van zijn volk den wal op. Doch hij kwam spoedig weder. Hij zeide, de koning laat u verzoeken, gij zoudt nog eene kleine tocht om zijnentwil doen, tot aan het einde van de Roode zee. Daarna zal ieder zooveel goud krijgen, als hij tillen kan. Toen wij daar kwamen, liet hij ons aanwijzen, waar de straat vroeger geweest was. Daarna vertoefde hij eenendertig dagen steeds uitziende naar de woestijn. Ten laatste kwam er een troep menschen, medevoerende 200 olifanten, 1000 kameelen, met houten balken, roopen (touwen) en allerlei gereedschap om onze vloot naar de Middellandsche zee te slepen. Dat verbaasde ons, en leek [p. 171] ons raar toe; maar Nearchus verhaalde ons, dat zijn koning aan de andere koningen toonen wilde, dat hij machtiger was, als de koningen van Tyrus vroeger geweest waren. Wij zouden maar medehelpen, dat zoude ons voorzeker geen schade doen. Wij moesten wel zwichten, en Nearchus wist alles zoo juist te regelen, dat wij in de Middellandsche zee lagen, eer drie maanden verloopen waren. Toen Alexander vernam hoe het met zijn ontwerp afgeloopen was, werd hij zoo vermetel, dat hij de drooge straat wilde uitdiepen, Irtha ten spot. Maar Wralda liet zijne ziel los, daarom verdronk hij in den wijn en in zijn overmoed, eer hij daarmede beginnen konde. Na zijn dood, werd het rijk gedeeld door zijne vorsten. Zij zouden elk een deel voor zijne zonen bewaren, doch het was hun geen meenen. Elk wilde zijn deel behouden en zelfs vermeerderen. Toen kwam er oorlog en wij konden niet terug keeren. Nearchus wilde nu, dat wij ons zouden nederzetten aan de kust van Phenicie, maar dat wilde niemand doen. Wij zeiden het liever te willen wagen om naar Fryasland te gaan. Toen bracht hij ons naar de nieuwe haven van Athene, waar alle echte Fryaskinderen voormaals heen getogen waren. Voorts gingen wij soldaten, leeftocht en wapenen voeren. Onder de vele vorsten had Nearchus een vriend met name Antigonus. Deze streden beide om n doel, gelijk zij zeiden, als helpers, voor het koninklijk geslacht, en voorts om alle Grieksche landen hunne oude vrijheid terug te geven. Antigonus had onder vele anderen een zoon, die heette Demetrius, later bijgenaamd de stedewinner. Deze ging eens op de stad Salamis af; nadat hij daar een geheele poos mede gestreden had, moest hij strijden met de vloot van Ptolemeus. Ptolemeus zoo heette de vorst, die heerschte over Egyptenland. Demetrius won den strijd, doch niet door zijne soldaten, maar door dat wij hem geholpen hadden. Dit hadden wij gedaan uit vriendschap voor Nearchus, want wij kenden hem voor een basterd bloed, door zijne blanke huid met blauwe oogen en [p. 173] wit haar. Naderhand ging Demetrius los op Rhodus, daarheen brachten wij zijne soldaten in leeftocht over. Toen wij de laatste reis te Rhodus kwamen, was de oorlog voorbijgegaan. Demetrius was naar Athene gevaren. Toen wij in de haven kwamen, was het geheele dorp in rouw gedompeld. Friso, die koning was over de vloot, had een zoon en eene dochter thuis, zoo bijster frisch alsof zij pas uit Fryasland gekomen waren, en zoo wonderschoon als niemand heugen mocht. De roep daarvan ging over alle Krekalanden en kwam in de ooren van Demetrius. Demetrius was vuil en onzedelijk, en hij dacht dat hem alles vrij stond. Hij liet de dochter openlijk schaken. De moeder durfde haar joi niet wachten, joi noemen de schippers vrouwen hare mannen, dat is blijdschap, ook zeggen zij zoethart. De schippers noemen hunne wijven troost en fro of frow, dat is vreugde, en frolik dat is aan vreugde gelijk. Omdat zij haren man niet durfde opwachten, ging zij met haren zoon naar Demetrius, en smeekte, dat hij haar hare dochter weer zoude geven. Maar als Demetrius haren zoon zag, liet hij hem naar zijn hof voeren, en deed met hem eveneens, als hij met zijne zuster gedaan had. Aan de moeder zond hij een zak vol goud, doch zij smeet het in zee. Toen zij thuis kwam werd zij waanzinnig, allerwege liep zij over straat: (roepende) hebt gij mijne kinderen niet gezien, o wee! laat mij bij u eene schuilplaats zoeken, want mijn man wil mij dooden, omdat ik zijne kinderen verloren heb. Toen Demetrius vernam, dat Friso weer thuis was, zond hij een bode tot hem zeggende, dat hij zijne kinderen tot zich genomen had om hen te voeren tot eene hoogen staat, en om hem te beloonen voor zijne diensten. Maar Friso, die trotsch en hartstochtig was, zond een bode met een brief naar zijne kinderen, daarin vermaande hij hen zij zouden Demetrius te wille zijn, vermits deze hun geluk begeerde. Doch de bode had nog een anderen brief, met vergif, daarbij beval hij hen dit in te nemen; want, [p. 175] zeide hij, tegen uwen wil is uw ligchaam verontreinigd, dat zal u niet toegerekend worden, doch indien gij uwe ziel verontreinigt, zult gij nimmer in Walhalla komen; uwe zielen zullen dan over de aarde omwaren, zonder het licht te mogen zien; gelijk de vleermuizen en nachtuilen zult gij steeds bij dag in uwe holen schuilen en des nachts uitkomen, en dan op onze graven schreijen en huilen, dewijl Frya haar hoofd van u moet afwenden. De kinderen deden gelijk hun vader hun bevolen had. De bode liet hunne lijken in de zee werpen, en aan de menschen werd gezegd, dat zij gevlucht waren. Nu wilde Friso met alle mannen naar Fryasland varen, waar hij vroeger geweest was; maar de meesten wilden dat niet doen. Nu ging Friso heen en schoot het dorp met de koninklijke voorraadschuren in brand. Nu kon en durfde niemand blijven, en allen waren blijde, dat zij buiten waren; behalve vrouwen en kinderen hadden wij alles achtergelaten, doch wij waren geladen met leeftocht en oorlogsgereedschap. Friso had nog geen vrede. Toen wij bij de oude haven kwamen, ging hij met zijne stoutmoedige manschappen heen en schoot onverhoeds brand in de schepen, die hij met zijne pijlen bereiken konde. Na zes dagen zagen wij de oorlogsvloot van Demetrius op ons toekomen. Friso beval ons dat wij de kleinste schepen moesten achteruit houden in eene breede linie; de groote met vrouwen en kinderen vooruit. Voorts gebood hij, dat wij de kraanbogen van voren moesten wegnemen en aan den achtersteven bevestigen, want zeide hij, wij behooren al vluchtende te vechten. Niemand mag zich vermeten, om een enkelden vijand te vervolgen, alzoo, zeide hij, is mijn besluit. Terwijl wij daarmede reeds bezig waren, kwam de wind ons voor de boeg tot schrik van de lafaards en der vrouwen, omdat wij geene slaven hadden, dan die ons vrijwillig gevolgd waren. Wij konden den vijand dus niet door roeijen ontkomen. Maar Wralda wist wel, waarom hij [p. 177] zoo deed. En Friso, die het vatte, liet spoedig de brandpijlen op de kraanbogen leggen. Tevens gebood hij dat niemand schieten mogt, voor dat hij geschoten had. Daarop zeide hij, dat wij alle naar het middelste schip moesten schieten. Is dat doel goed bereikt, zeide hij, dan zullen de andere hem te hulp komen, dan moet ieder schieten, zoo hij best kan. Toen wij nu ander half ketting (kabelslengte) van hen af waren, begonnen de Pheniciers te schieten, maar Friso beantwoordde dat niet voor dat de eerste pijl op zes vademen van zijn schip neer viel. Nu schoot hij, de anderen volgden, het geleek wel een vuurregen, en omdat onze pijlen met den wind medegingen, bleven zij alle aan den brand en raakten zelfs de derde laag. Alle mannen gierden en juichten, maar de kreten onzer tegenstanders waren zoo luide, dat ons het hart benepen werd. Toen Friso meende, dat het wel toe konde, liet hij afhouden en wij spoedden ons weg. Doch na dat wij twee dagen voort gesukkeld hadden, kwam er eene andere vloot in 't gezicht van dertig schepen, die ons steeds inwon. Friso liet ons weer klaar maken; maar de anderen zonden eene lichte snik met roeijers bemand vooruit. Hunne boden baden uit aller naam, of zij met ons mede varen mogten. Zij waren Joniers. Door Demetrius waren zij gewelddadig naar de oude haven gestuurd; daar hadden zij van dit gevecht gehoord; nu hadden zij het stoute zwaard aangegord, en waren ons gevolgd. Friso, die veel met Joniers gevaren had, zeide ja; maar Wichirte onze koning zeide neen. De Joniers zijn afgoden-dienaren, zeide hij, ik zelf heb gehoord hoe zij die aanriepen. Friso zeide, dat komt door den omgang met de echte Krekalanders. Dat heb ik vaak zelf gedaan, en toch ben is zoo Fryas als de vroomste van u. Friso was de man, die ons naar Friesland moest wijzen, dus gingen de Joniers mede. Ook scheen het naar Wraldas genoegen, want eer drie maanden verloopen waren, gingen wij langs Brittania, en drie dagen later mochten wij hoezee roepen.

 

Dit geschrift is mij over Noordland of Schoonland gegeven.

Ten tijde dat ons land neder zonk, was ik in Schoonland. Daar ging het zoo toe. Er waren groote meeren, die van den bodem als een blaas uitzetten, dan spleten zij vaneen, uit de scheuren kwam eene stof, alsof het gloeijend ijzer was. Er waren bergen, wier kruinen aftuimelden, deze stortten neder en vernielden wouden en dorpen. Ik zelf zag, dat een berg van een ander werd afgerukt. Lijnrecht zeeg hij neder. Toen ik naderhand ging zien, was er een meer ontstaan. Toen de aarde hersteld was, kwam er een hertog van Lindasburgt met zijn volk en eene maagd, die alom uitriep: de Magy is schuldig aan al het leed, dat wij geleden hebben. Zij trokken steeds voort en het heer werd al grooter. De Magy vluchtte weg, men vond zijn lijk, hij had zich zelf omgebracht. Toen werden de Finnen verdreven naar ne plaats, daar mochten zij leven. Er waren ook van gemengd bloed, deze mochten blijven, doch velen gingen met de Finnen mede. De hertog werd tot koning gekozen. De kerken, die heel gebleven waren, werden vernield. Sedert dien tijd komen de goede Noormannen dikwijls op Texland om raad van de Moeder. Doch wij kunnen hen niet voor rechte Friezen meer houden. In de Dennemarken is het zeker gegaan, als bij ons. De zeelieden, die zich zelven stoutelijk zeekampers noemen, zijn op hunne schepen gegaan, en naderhand zijn zij terug getrokken. [p. 179]

 

Heil!

Wanneer de Kroder een tijd heeft voortgekruid, dan zullen de nakomelingen wanen, dat de leken en gebreken, die de Brokmannen medegebracht hebben, eigen waren aan hunne voorvaderen. Daarvoor wil ik waken en dus zoo veel over hunne gewoonten schrijven, als ik gezien heb. Over de [p. 181] Geertmannen kan ik gereedelijk heenstappen. Ik heb niet veel met hen omgegaan. Doch zoo veel ik gezien heb, zijn zij het meest bij hunne taal en zeden gebleven. Dat kan ik niet zeggen van de anderen. Die van de Krekalanden weg komen, zijn kwaad ter taal, en op hunne zeden valt niet te roemen. Velen hebben bruine oogen en haar. Zij zijn nijdig en vrijpostig en bang door bijgeloovigheid. Wanneer zij spreken, noemen zij de woorden voorop, die het laatst komen moesten. Tegen ld zeggen zij d, tegen slt, st, ma voor man, sol voor skil, sode voor skolde, te veel om te noemen. Ook voeren zij meest zonderlinge en verkorte namen, waaraan men geene beteekenis hechten kan. De Joniers spreken beter, doch zij verzwijgen de h, en waar die niet wezen moet, wordt zij uitgesproken. Wanneer iemand een beeld maakt naar een afgestorvene en het gelijkt, dan gelooven zij, dat de geest des overledene daarin vaart. Daarom hebben zij alle beelden verborgen van Frya, Fsta, Medea, Thiania, Hellenia en vele andere. Wordt er een kind geboren, dan komen de nabestaanden te zamen, en bidden tot Frya, dat zij hare dienaressen mag laten komen, om het kind te zegenen. Als zij gebeden hebben, mag niemand zich verroeren noch laten hooren. Begint het kind te schreijen en houdt dat eene poos aan, dan is dat een kwaad teeken, en men is in vermoeden, dat de moeder overspel bedreven heeft. Daarvan heb ik al erge dingen gezien. Begint het kind te slapen, dan is dat een teeken, dat de dienaressen gekomen zijn. Lacht het in den slaap, dan hebben de dienaressen het kind geluk toegezegd. Vervolgens gelooven zij aan booze geesten, heksen, kollen, aardmannetjes en elfen, alsof zij van de Finnen afstammen. Hiermede wil ik eindigen en nu meen ik, dat ik meer geschreven heb, als een mijner voorvaderen. Frethorik. Frethorik mijn echtgenoot is drieenzestig jaren oud geworden. Sints honderd en acht jaren is hij de eerste van zijn geslacht, die vreedzaam gestorven is; alle anderen zijn onder de slagen bezweken, daarom dat allen kampten met eigen volk en vreemden om recht en plicht. Mijn naam is Wiljo, ik ben de maagd, die met hem uit de Saksenmarken naar huis voer. Door taal en omgang kwam het uit, dat wij alle beide van Adelas geslacht waren; toen ontstond liefde en daarna zijn wij man en vrouw geworden. Hij heeft mij vijf kinderen nagelaten, twee zonen en drie dochters. Konereed, zoo heet mijne oudste, Hachgana mijn tweede, mijne oudste dochter heet Adela, de tweede Frulik en de jongste Nocht. Toen ik naar de Saksenmarken voer, heb ik drie boeken gered, het boek der zangen, het boek der verhalen en het Helenia boek. Ik schrijf dit, opdat men niet moge denken, dat zij van Apollonia zijn; ik heb daar veel verdriet over gehad, nu wil dus de eere ook hebben. Ook heb ik meer gedaan; toen Gosa-Makonta gestorven is, wier goedheid en helderziendheid tot een spreekwoord geworden is, toen ben ik alleen naar Texland gegaan, om de schriften over te schrijven, die zij nagelaten had, en toen de laatste wil gevonden is van Frana, en de nagelaten schriften van Adela of Hellenia heb ik dat nog eens gedaan. Dit zijn de schriften van Hellenia. Ik heb ze voorop geplaatst, omdat zij de alleroudsten zijn. [p. 183]

 

Alle echte Friesen heil!

In oude tijden wisten de Slavonische volken niet van vrijheid. Gelijk ossen werden zij onder het juk gebracht. Zij werden in de ingewanden der aarde gejaagd om metaal te delven, en uit de harde bergen moesten zij huizen houwen, tot woningen voor vorsten en priesters. Bij alles wat zij deden was niets voor hun zelven, maar alles moest dienen, om de vorsten en priesteren nog rijker en geweldiger te maken, om zich te verzadigen. Onder dezen arbeid werden zij [p. 185] grijs en stram eer zij oud waren en stierven zonder genot, ofschoon de aarde dat overvloedig veel geeft ter bate van al hare kinderen. Maar onze weggeloopenen en ballingen kwamen door Twiskland over in hunne marken trekken, en onze zeelieden kwamen in hunne havens. Van deze hoorden zij spreken over gelijke vrijheid en recht en over wetten, waar niemand buiten kan. Dit alles werd door de droeve menschen ingezogen als dauw door de dorre velden. Toen zij vol daar van waren, begonnen de stoutmoedigsten te klippen met hunne ketenen, zoodat het den vorsten wee deed. De vorsten zijn trotsch en krijgshaftig, daarom is er ook nog deugd in hunne harten, zij raadpleegden te zamen, en deelden iets mede van hunnen overvloed. Maar de laffe schijnvrome priesters konden dat niet dulden, onder hunne verdichte goden hadden zij ook booze wreede gedrochten geschapen. De pest kwam over het land, toen zeiden zij dat de goden toornig waren over de overheersching der boozen. Toen werden de stoutmoedigste menschen met hunne ketenen gewurgd De aarde heeft hun bloed gedronken, met dat bloed voedde zij vruchten en koorn en al die daarvan aten werden wijs. Zestien honderd jaren geleden is Atland gezonken, en te dier tijde gebeurde er iets, waar niemand op gerekend had. In het hart van Findasland op het gebergte ligt eene vlakte die geheeten is Kasamyr, dat is, zeldzaam. Aldaar werd een kind geboren, zijne moeder was de dochter eens konings en zijn vader was een opperpriester. Om de schaamte te ontkomen moesten zij hun eigen bloed verzaken. Daarom werd het buiten de stad gebracht bij arme menscben. Intusschen was den knaap (toen hij grooter werd) niets verheeld geworden; daarom deed hij alles om wijsheid te verzamelen en te vergaderen. Zijn verstand was zoo groot, dat hij alles begreep, wat hij zag en hoorde. Het volk beschouwde hem met eerbied, en de priesters werden beangst voor zijne vragen. Toen hij meerderjarig werd, ging hij naar zijne [p. 187] ouders Zij moesten harde dingen hooren; om hem kwijt te worden, gaven zij hem een overvloed van edelgesteenten; maar zij durfden hem niet openlijk erkennen als hun eigen bloed. Met droefenis overstelpt over de valsche schaamte zijner ouders ging hij omdwalen. Al voort reizende ontmoette hij een Fryas zeevaarder, die als slaaf diende, van dezen leerde hij onze zeden en gewoonten. Hij kocht hem vrij, en tot den dood toe zijn zij vrienden gebleven. Alom waar hij voorts henen trok, leerde hij aan de menschen dat zij noch rijken noch priesters moesten toelaten; dat zij zich moesten hoeden tegen de valsche schaamte, die allerwegen kwaad doet aan de liefde. De aarde, zeide hij, schenkt bare gaven naarmate men hare huid krabt, dat men daarin behoort te delven, te ploegen en te zaaijen, zoo men daarvan maaijen wil. Doch, zeide hij, niemand behoeft iets te doen voor een ander, zoo het niet met gemeene wil of uit liefde geschiedt. Hij leerde dat niemand in hare ingewanden mocht wroeten om goud of zilver of edelgesteenten, waar nijd aan kleeft en liefde van vliedt. Om uwe meisjes en vrouwen te sieren, zeide hij, geeft haar de rivier water genoeg. Niemand, zeide hij, is machtig alle menschen tevens rijkdom en gelijk geluk te geven; doch het is aller menschen plicht om de menschen alzoo tevens rijk te maken en zooveel gegenoegen te geven als te bereiken is. Geene wetenschap, zeide hij, mag men minachten, doch rechtvaardigheid, is de grootste wetenschap, die de tijd ons leeren mag. Daarom, dat zij ergernis van de aarde weert, en de liefde voedt. Zijn eerste naam was Jessos, doch de priesters, die hem zeer haatten, heetten hem Fo, dat is valsch, het volk heette hem Krishna, dat is herder, en zijn Friesche vriend noemde hem Buddha (buidel) , omdat hij in zijn hoofd een schat van wijsheid had en in zijn hart een schat van liefde. Ten laatste moest hij vluchten om de wraak der priesteren, maar overal waar hij kwam was zijne leer hem vooruitgegaan, en overal waar hij ging volgden hem zijne vijanden [p. 189] als zijne schaduw. Toen Jessos zoo twaalf jaren rondgereisd had, stierf hij, maar zijne vrienden bewaarden zijne leer en verkondigden die, waar zij ooren vond. Wat meent gij nu dat de priesters deden? dat moet ik u melden; ook moet gij er zeer acht op geven, voorts moet gij waken voor hun bedrijf en ranken met alle krachten, die Wralda in u gelegd heeft. Terwijl de leer van Jessos over de aarde zich uitbreidde, gingen de valsche priesters naar het land zijner geboorte, om zijn dood bekend te maken; zij zeiden dat zij van zijne vrienden waren, zij veinsden eene groote droefheid door hunne kleederen in stukken te scheuren en hun hoofd kaal te scheeren. Zij gingen in de holen der bergen wonen, doch hierin hadden zij hunne schatten gebracht, daar binnen maakten zij beelden van Jessos. Deze beelden gaven ze aan de onergdenkende lieden; ten langen laatste zeiden zij dat Jessos een godheid was, dat hij zelf dit aan hun had beleden, en dat allen die aan hem en zijne leer gelooven wilden, hiernamaals in zijn koningrijk zouden komen, waar vreugde is en genietingen zijn. Vermits zij wisten dat Jessos tegen de rijken was te velde getrokken, verkondigden zij allerwegen, dat armoede lijden en eenvoudig zijn de deur was om in zijn rijk te komen, dat degene die op aarde het meeste geleden hadden, hier namaals de meeste vreugde hebben zouden. Ofschoon zij wisten, dat Jessos geleerd had, dat men zijne hartstochten overmeesteren en besturen moest, zoo leerden zij dat men alle zijne hartstochten dooden moest en dat de volkomenheid des menschen daarin bestond, dat hij even gevoelloos werd als de koude steen. Ten einde nu het volk wijs te maken, dat zij zelve zoo deden, veinsden zij armoede op straat, en om voorts te bewijzen, dat zij al hunne zinnelijke lusten gedood hadden, namen zij geene vrouwen. Doch zoo ergens eene jonge dochter een misstap gedaan had, werd haar dat spoedig vergeven; de zwakken, zeiden zij, moest men helpen, en om zijne eigene [p. 191] ziel te behouden, moest men veel aan de kerk geven. Dusdoende hadden zij vrouw en kinderen zonder huishouding, en werden zij rijk zonder werken; maar het volk werd veel armer en meer ellendig als ooit te voren. Deze leer, waarbij de priesters geen andere wetenschap noodig hebben, als bedriegelijk te redeneren, een vrome schijn en ongerechtigheden, breidde zich zelve van 't oosten naar het westen, en zal ook over ons land komen. Maar als de priesters zullen wanen, dat zij al het licht van Frya en van Jessos leer uitgedoofd hebben, dan zullen er in alle oorden menschen opstaan, die de waarheid in stilte onder elkander bewaard en voor de priesters verborgen hebben. Deze zullen wezen uit vorstelijk bloed, van priesterlijk bloed, van Slavonisch bloed en van Fryas bloed. Deze zullen hunne fakkels en het licht buiten brengen, zoodat alle man de waarheid moge zien; zij zullen wee roepen over de daden der priesters en vorsten. De vorsten, die de waarheid liefhebben en het recht, die zullen van de priesters afwijken; het bloed zal stroomen, maar daaruit zal het volk nieuwe krachten vergaderen. Findas volk zal zijne vindingrijkheid ten gemeenen nutte aanwenden, en Lydas volk zijne krachten, en wij onze wijsheid. Dan zullen de valsche priesters weggevaagd worden van de aarde; Wraldas geest zal alom en allerwege geerd en aangeroepen worden; de wetten die Wralda bij den aanvang in ons gemoed legde, zullen alleen gehoord worden; daar zullen geene andere meesters, noch vorsten, noch bazen wezen, als die welke bij algemeene wil gekozen zijn; dan zal Frya juichen, en de Irhta zal hare gaven alleen schenken aan den werkenden mensch. Dit alles zal aanvangen vierduizend jaren nadat Atland verzonken is, en duizend jaren later zal er langer geen priester noch dwang op aarde zijn.

 

Dela toegenaamd Hellenia, waak!

[p. 193]

Zoo luidde Franas uiterste wil. Alle edele Friesen, heil! In den naam van Wralda, van Frya en der vrijheid groet ik u, en bid u zoo ik sterven mocht, eer ik eene opvolgster benoemd heb, dan beveel ik u Teuntja aan, die Burgtmaagd is op de burgt Medeasblik, tot op heden is zij de beste. Dit heeft Gsa nagelaten. Alle menschen heil. Ik heb geene Eeremoeder benoemd, omdat ik geene wist, en omdat het u beter is geene Moeder te hebben, dan eene waarop gij u niet verlaten kunt. Een booze tijd is voorbijgegaan, maar daar komt nog een andere. Irtha heeft hem niet gebaard, en Wralda heeft hem niet beschoren. Hij komt uit het oosten, uit den boezem der priesteren weg. Zoo veel leed zal hij broeden, dat Irtha het bloed niet zal kunnen drinken van hare verslagene kinderen. Duisternis zal hij over den geest der menschen spreiden, gelijk onweerswolken over het zonnelicht. Alom en allerwege zullen list en bedrog met vrijheid en recht kampen. Vrijheid en recht zullen bezwijken en wij met haar. Maar deze winst zal haar verlies uitwerken. Van drie woorden zullen onze nakomelingen aan hunne lieden en slaven de beteekenis leeren. Zij zijn algemeene liefde, vrijheid en recht. In het eerst zullen zij schitteren, daarna met duisternis kampen, totdat het helder en klaar wordt in ieders hart en hoofd. Dan zal de dwang van de aarde geveegd worden, gelijk de donderwolken door den stormwind, en alle bedrog zal niets meer daar tegen vermogen. Gsa. [p. 195]

 

Het geschrift van konerd.

Mijne voorouders hebben achtereenvolgens dit boek geschreven. Dit wil ik bovenal doen, omdat in mijne staat geene burgt overig is, waarin de gebeurtenissen opgeschreven worden gelijk te voren. Mijn naam is Konereed (Koenraad) , mijn vaders naam was Frethorik, mijne moeders naam was Wiliow. Na mijn vaders dood ben ik tot zijn opvolger gekozen. Toen ik vijftig jaren telde, koos men mij tot opperste Grevetman. Mijn vader heeft geschreven, hoe de Lindaoorden en de Liudgaarden verwoest zijn. Lindahem is nog weg, de Lindaoorden voor een deel, de noordelijke Liudgaarden zijn door de zoute zee bedolven. Het bruissende zeewater slikt aan den ringdijk der burgt. Gelijk mijn vader vermeld heeft, zijn de van have beroofde menschen heengegaan en hebben huisjes gebouwd binnen den ringdijk der burgt, daarom is dat ronddeel nu Liudwerd geheeten. De zeelieden zeggen Liuwerd, maar dat is wanspraak. In mijne jeugd was het andere land, dat buiten den ringdijk ligt, alles poel en broek. Maar Fryas volk is wakker en vlijtig, zij werden moede noch mat, omdat hun doel ten beste geleidde. Door slooten te delven en kadijken te maken van de aarde die uit de slooten kwam, hebben wij weder een goede hemrik buiten den ringdijk, die de gedaante heeft van een hoef, drie palen oostwaarts, drie palen zuidwaarts en drie palen westwaarts gemeten. Heden ten dage zijn wij bezig waterpalen te heijen om eene haven te maken en meteen om onzen ringdijk te beschermen. Als het werk gereed is, zullen wij zeelieden uitlokken. In mijne jeugd stond het er hier raar voor, maar tegenwoordig zijn de huisjes reeds huizen die in reijen staan. Leken en gebreken, die met de armoede waren ingeslopen, zijn door vlijt uitgedreven Hier uit kan iedereen leeren, dat Wralda, onze Alvader, alle zijne schepselen voedt, mits dat zij moed houden en elkanderen willen helpen.

[p. 197]

 

Nu wil ik over Friso schrijven.

Friso die reeds machtig was door zijne manschappen, werd ook tot opperste Grevetman gekozen door Staverens ommelanden. Hij spotte met onze wijze van landverdediging en zeestrijden. Daarom heeft hij eene school gesticht, waarin de knapen leeren vechten naar de wijze der Krekalanders. Doch ik geloof, dat hij dat gedaan heeft om het jongvolk aan zijn snoer te binden. Ik heb mijn broeder ook daar heen gezonden, dat is nu tien jaren geleden. Want dacht ik, nu wij geene Moeder langer hebben, om den een tegen den ander te beschermen, behoor ik dubbel te waken, opdat hij niet meester over ons wordt. Gosa heeft ons geene opvolgster benoemd, daarover wil ik geen oordeel vellen; maar hier zijn nog oude ergdenkende menschen, die meenen, dat zij het daarover met Friso eens geworden is. Toen Gosa gestorven was, wilden de menschen van alle oorden een andere Moeder kiezen. Maar Friso, die bezig was om een rijk voor zich zelven te maken, Friso begeerde geen raad noch bode van Texland. Toen de boden der Landsaten tot hem kwamen, sprak hij en zeide, Gosa, zeide hij, was verziende geweest en wijzer als alle Graven te zamen, en toch had zij geen licht noch helderheid in deze zaak gevonden; daarom had zij geen moed gehad om eene opvolgster te kiezen, en om een opvolgster te kiezen die twijfelachtig was daar heeft zij kwaad ingezien: daarom heeft zij in hare uiterste wil geschreven, het is u beter geene Moeder te hebben als eene, op welke gij u niet verlaten kunt. Friso had veel gezien, hij was bij den oorlog opgevoed, en van de ranken en [p. 199] listen der Golen en vorsten had hij juist zoo veel geleerd en vergaard, als hij noodig had om de andere Graven te voeren, waarheen hij wilde. Zie hier hoe hij daarmede is te werk gegaan. Friso had hier eene andere vrouw genomen, eene dochter van Wilfrthe, die bij zijn leven opperste Graaf te Stavoren geweest was. Bij deze had hij twee zonen gewonnen en twee dochteren. Door zijn beleid is Kornelia, zijne jongste dochter, aan mijn broeder uitgehuwelijkt. Kornelia is geen goed Friesch, en moet Korn-helia geschreven worden. Weemoed zijne oudste heeft hij aan Kauch verbonden. Kauch, die ook bij hem ter school ging, is de zoon van Wichhirte den koning der Geertmannen. Maar Kauch is ook geen goed Friesch en moet Kaap (koop) wezen. Doch slechte taal hebben zij meer medegebracht, als goede zeden. Nu moet ik met mijne geschiedenis terugkeeren. Na de groote vloed, waarover mijn vader geschreven heeft, waren vele Jutten en Letten met de ebbe uit de Balda of kwade zee gevoerd. Bij Kathisgat dreven zij in hunne booten met het ijs op de Denemarker kust, en zijn daar op blijven zitten. Daar waren nergens geen menschen in het gezicht. Daarom hebben zij het land in bezit genomen; naar hunnen naam hebben zij het land Jutland geheeten. Naderhand kwamen wel vele Denemarkers terug van de hooge landen, maar deze zetten zich zuidelijker neder. En als de zeelieden terug keerden die niet vergaan waren, ging de een met den anderen naar de Zee of Eilanden. Door deze schikking mochten de Jutten het land behouden, waarop Wralda hen gevoerd had. De Zeelander schippers die zich niet wilden behelpen of geneeren met visch alleen, en die een grooten afkeer hadden van de Golen, die gingen toen de Phenicische schepen berooven. Aan de zuidwestelijke hoek van Schoonland, aldaar ligt Lindasburgt, toegenaamd Lindasneus, door onzen Apol gesticht, gelijk in dit boek geschreven staat. Alle kustbewo- [p. 201] -ners en ommelanders waren daar echt Friesch gebleven, maar door de lust tot wraak tegen de Golen en tegen de Kaltana volgers, gingen zij met de Zeelanders zamen doen; maar dat zamen doen heeft geen stek gehouden. Want de Zeelanders hadden vele verderfelijke zeden en gewoonten overgenomen van de booze Magyaren, Fryas volk ten spot. Vervolgens ging elk voor zich zelven rooven, maar als het te pas kwam, dan stonden zij malkander getrouwelijk bij. Doch ten laatste begonnen de Zeelanders gebrek te krijgen aan goede schepen. Hunne scheepmakers waren omgekomen, en hunne wouden waren met grond en al van het land weggevaagd. Nu kwamen er onverwacht drie schepen bij den ringdijk van onze burgt voor anker. Door de inbraken van onze landen waren zij verdwaald en den Flymond misgevaren. De koopman die mede gegaan was, wilde van ons nieuwe schepen hebben, daartoe hadden zij allerlei kostelijke waren medegebracht, die zij geroofd hadden van de Kaltanarlanden en van de Pheniciers schepen. Nadien wij zelve geene schepen hadden, gaf ik hun flinke paarden en vier gewapende renboden mede naar Friso. Want te Staveren en langs het Alderga, daar werden de beste oorlogschepen gemaakt van hard eiken hout, daar nimmer verrotting in komt. Terwijl de zeekampers bij mij vertoefden, waren sommigen Jutten naar Texland gevaren en vandaar waren zij naar Friso gewezen. De Zeelanders hadden vele van hunne grootste knapen geroofd, die moesten op hunne banken roeijen, en van hunne grootste dochters, om bij deze kinderen te verwekken. De groote Jutten vermochten het niet te weren, doordien zij geene goede wapenen hadden. Toen zij hun leed verteld hadden, en daarover vele woorden gewisseld waren, vroeg Friso ten laatste, of zij niet een goede haven in hun land hadden. O ja, antwoordden zij, eene beste, eene door Wralda geschapen. Zij is juist gelijk uwe bierkruik daar, haar hals is naauw, doch in haar buik kunnen wel duizend groote booten liggen; maar wij hebben geene burgt, noch burgtwapenen, om de roofschepen er uit te houden. Dan moest gij er eene maken, zeide Friso. Goed geraden, antwoordden de Jutten; maar wij hebben geene ambachtslieden, noch bouwgereedschap; wij alle zijn visschers en jutters. De anderen zijn verdronken of naar de hooge landen gevlucht. Middelerwijl zij dus praatten, kwamen mijne boden met de Zeelander heeren aan zijn hof. Hier moet gij nu opletten, hoe Friso allen wist te bedotten, tot genoegen van beide partijen en ten bate van zijn eigen doel. Aan de Zeelanders beloofde hij, zij zouden jaarlijks vijftig schepen hebben naar vaste afmetingen en voor vaste gelden, toegerust met ijzeren ketenen en kraanbogen en met volle tuig, gelijk het voor krijgsschepen noodig en nuttig is; maar de Jutten zouden zij dan met vrede laten, en al het volk, dat tot Fryaskinderen behoorde. Ja, hij wilde meer doen; hij wilde al onze zeekampers uitnoodigen, dat zij mede zouden vechten en rooven. Toen de Zeelanders vertrokken waren, liet hij veertig oude schepen beladen met burgtwapenen, hout, hardgebakken steenen, timmerlieden, metselaren, en smeden om daarmede burgten te bouwen. Witto, dat is witte, zijn zoon, zond hij mede om toe te zien. Wat er al is voorgevallen, is mij niet gemeld, maar zoo veel is mij duidelijk geworden, dat aan beide zijden van den havenmond eene versterkte burgt gebouwd is, en daarin is volk gelegd, dat Friso uit de Saksenmarken trok. Witto heeft Siuchthirte bevrijd en tot zijne vrouw genomen. Wilhem, zoo heette haar vader, hij was opperste Olderman der Jutten, dat is opperste Grevetman of Graaf. Wilhem is kort daarna gestorven, en Witto is in zijne plaats gekozen. [p. 203]

 

Wat Friso verder deed.

Van zijn eerste vrouw had hij twee zwagers overgehouden, die zeer kloek waren. Hetto, dat is heete, den jongste zond hij als zendbode naar Kattaburgt, [p. 205] dat diep in de Saksenmarken ligt. Hij had van Friso medegekregen zeven paarden, behalve zijn eigen, beladen met kostbare zaken door de zeekampers geroofd. Bij ieder paard waren twee jonge zeekampers en twee jonge ruiters met rijke kleederen gekleed, en met geld in hunne buidels. Gelijk hij Hetto naar Kattenburgt zond, zoo zond hij Bruno, dat is bruine, den anderen zwager naar Mannagarda oord; Mannagarda oord is vroeger in dit boek Mannagarda forda geschreven, maar dat is fout. Alle rijkdommen, die zij mede hadden, werden naar omstandigheden weggeschonken aan vorsten en vorstinnen en aan uitverkorene meisjes. Kwamen dan zijne knapen op de gelagkamer om daar met het jongvolk te dansen, dan lieten zij korven met kruidkoek en bargen of tonnen van het beste bier komen. Na deze boden liet hij gedurig jongvolk over de Saksenmarken trekken, die alle geld in de buidels hadden en alle giften of geschenken medebrachten, en op de gelagkamer teerden zij steeds onbekommerd voort. Als het nu gebeurde dat de Saksen knapen daar afgunstig op zagen, dan lachten zij goedelijk en zeiden: als gij den algemeenen vijand durft bestrijden, dan kunt gij uw bruid nog veel rijker geschenken geven en dan nog vorstelijker vertering maken. Alle beide zwagers van Friso zijn getrouwd met dochters van de aanzienlijkste vorsten, en naderhand kwamen de Saksische jongelingen en meisjes bij geheele troepen naar het Flymeer afzakken. De Burgtmaagden en oude maagden, die nog van hare vroegere grootheid wisten, helden niet over tot Frisos bedrijf; daarom spraken zij geen goed van hem. Maar Friso, slimmer als zij, liet haar babbelen. Maar de jonge maagden verknochte hij met gouden vingeren aan zijne zaak. Zij zeiden allomme: wij hebben langer geene Moeder meer, maar dat komt daar van daan dat wij meerderjarig zijn. Tegenwoordig past ons een koning, opdat wij onze landen terug winnen, die de Moeders verloren hebben door hare onvoor- [p. 207] -zichtigheid. Verder spraken zij: Aan ieder Fryaskind is vrijheid gegeven, zijne stem te laten hooren, voor dat er besloten wordt bij het kiezen van een vorst, maar als het zoover komen mogt, dat gij u weder een koning kiest, dan wil ik ook mijne meening zeggen Naar al wat ik beschouwen kan, is Friso daartoe door Wralda gekozen: want hij heeft hem wonderlijk hier heen geleid. Friso kent de ranken der Golen, wier taal hij spreekt, hij kan dus tegen hunne listen waken. Dan is er nog iets in het oog te houden: welken graaf zoude men tot koning kiezen, zonder dat de anderen daar wangunstig over waren. Al zulke praatjes werden door de jonge maagden gehouden, maar de oude maagden, ofschoon weinig in getal, tapten hunne redenen uit een ander vat. Zij spraken allerwegen en tot iedereen: Friso, zoo spraken zij, doet, gelijk de spinnen doen, des nachts spant hij zijne netten naar alle zijden en des daags verschalkt hij daarin zijne onergdenkende vrienden. Friso zegt dat hij geene priesteren noch vreemde vorsten lijden mag, maar ik zeg, hij mag niemand lijden dan hem zelven. Daarom wil hij niet gedogen, dat de burgt Stavia weder opgericht wordt. Daarom wil hij geene Moeder wer hebben. Vandaag is Friso uw raadgever, maar morgen wil hij uw koning worden, opdat hij over u allen rechten mag. In den boezem des volks ontstonden nu twee partijen. De ouden en armen wilden nu weder eene Moeder hebben, maar het jongvolk, dat vol strijdlust was, wilde een Vader of koning hebben. De eersten noemden zich Moederszonen, en deanderen noemden zich Vaderszonen; maar de Moederszonen werden niet geteld; want omdat er vele schepen gemaakt werden, was hier overvloed voor de scheepmakers, smeden, zeilmakers, reepmakers en voor alle andere ambachtslieden. Daarenboven brachten de zeekampers allerhande sieraden mede. Daarvan hadden de vrouwen genoegen, de maagden genoegen, de meisjes genoegen, en daarvan hadden alle hunne bloedverwanten genoegen, en alle hunne goede kennissen en vrienden. Toen Friso bij de veertig jaren te Staveren had huis gehouden, stierf hij. Door zijne bemoeijing had hij vele staten weder tot malkander gebracht, maar of wij daardoor beter werden, durf ik niet bevestigen. Van alle Graven, die voor hem waren, was er niemand zoo befaamd als Friso geweest. Doch zoo als ik vroeger zeide, de jonge maagden spraken zijn lof, terwijl de oude vrouwen alles deden om hem te laken en hatelijk te maken bij alle menschen. Daarmede nu konden de oude vrouwen hem wel niet verstoren in zijne bemoeijingen, maar zij hadden met haar misbaar toch zooveel uitgewerkt, dat hij gestorven is zonder dat hij koning was. [p. 209]

 

Nu wil ik schrijven over zijn zoon Adel.

Friso die onze geschiedenis had leeren kennen uit het boek der Adelingen, had alles gedaan om hunne vriendschap te winnen. Zijn eersten zoon, dien hij hier won bij zijne vrouw Swethirte heeft hij terstond Adel genoemd. En ofschoon hij kampte met al zijne macht, om geene burgten te herstellen noch op te bouwen, zond hij toch Adel naar de burgt te Texland, opdat hij hoe eer hoe beter bekend worden mocht met alles wat tot onze wetten, taal en zeden behoort. Toen Adel twintig jaren telde, liet Friso hem naar zijn eigen school komen, en toen hij daar volleerd was, liet hijhem door alle staten reizen. Adel was een beminnenswaardige jongman; op zijne reizen heeft hij vele vrienden gewonnen, daardoor is het gekomen, dat het volk hem Atharik (vriendenrijk) genoemd heeft, iets dat hem naderhand zoo wel te pas is gekomen, want toen zijn vader gestorven was, bleef hij in zijne plaats, zonder dat er over het kiezen van een anderen Graaf sprake kwam. Terwijl Adel te Texland in de leer was, bevond zich aldaar tevens eene heel lieve maagd op de burgt. Zij kwam uit de Saksenmarken weg, uit de staat die genoemd is Suobaland, daarom werd zij te Texland [p. 211] Suobene genoemd, ofschoon haar naam Ifkja was. Adel had haar lief gekregen, en zij had Adel lief; maar zijn vader verzocht hem, dat hij nog wat wachten zoude. Adel was gehoorzaam, maar zoodra zijn vader gestorven was en hij gezeten, zond hij terstond boden naar Berthold haren vader (met verzoek) of hij zijne dochter tot vrouw mogt hebben. Berthold was een vorst van onverbasterde zeden, hij had Ifkja naar Texland in de leer gezonden in de hoop, dat zij eens tot burgtmaagd zoude gekozen worden in zijn land. Doch hij had hun beider begeerte leeren kennen, daarom ging hij heen en gaf hun zijnen zegen. Ifkja was eene flinke Friesin. Voor zoo verre ik haar heb leeren kennen, heeft zij steeds gewerkt en gewroet, opdat Fryaskinderen weder mochten komen onder dezelfde wet en onder eenen bond. Om de menschen op hare zijde te krijgen, was zij met haren echtgenoot van haren vader door alle Saksenmarken gereisd en voorts naar Geertmannia. Geertmannia, zoo hadden de Geertmannen hunne staat geheeten, die zij door Gosas bemoeijing gekregen hadden. Daarop gingen zij naar de Denemarken. Van de Denemarken gingen zij te scheep naar Texland. Van Texland gingen zij naar Westflyland en zoo langs de zee naar Walhallagara. Van Walhallagara vertrokken zij langs den Zuiderrijn (de Waal) , totdat zij met groote vrees boven den Rijn bij de Marsaten kwamen, waarvan onze Apollonia geschreven heeft. Toen zij hier eene wijle geweest waren, gingen zij weer naar de laagte. Als zij nu een tijdlang naar de laagte afgevaren waren, totdat zij in de streek van de oude burgt Aken kwamen, zijn er onverhoeds vier knechten vermoord en naakt uitgekleed. Zij waren een weinig achteraan gekomen. Mijn broeder, die overal bij was, had hun vaak verboden, doch zij hadden niet geluisterd. De moordenaars* die dat gedaan hadden, waren Twisklanders, die heden ten dage stoutweg over den Rijn komen te moorden en te rooven. De Twisklanders, dat zijn gebannen en weggeloopen Fryas- [p. 213] kinderen, maar hunne vrouwen hebben zij van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een bruin Findasvolk, aldus genoemd, omdat zij alle volken ten strijde uittarten. Zij zijn allen ruiters en roovers. Daar van daan zijn de Twisklanders evenzoo bloeddorstig geworden. De Twisklanders, welke die boosheid bedreven hadden, noemden zich zelven Frijen of Franken. Er waren, zeide mijn broeder, roode, bruine en witte onder. Die, welke rood of bruin waren, beten hun haar met kalkwater wit. Naardien echter hunne aangezichten bruin bleven, werden zij des te leelijker daardoor. Even als Apollonia beschouwden zij naderhand Lydasburgt en het Alderga. Daarna trokken zij over Staverens oorden bij hunne lieden rond. Zij hadden zich zoo beminnelijk aangesteld, dat de menschen hen allerwege houden wilden. Drie maanden later zond Adel boden naar alle vrienden die hij gewonnen had en liet hun verzoeken, dat zij in de Minnemaand wijze lieden tot hem zouden zenden.

[p. 212]

--

zijne vrouw, zeide hij, die maagd geweest was te Texland had daarvan een afschrift gekregen. Te Texland, worden nog vele geschriften gevonden, die niet in het boek der Adelingen overgeschreven zijn. Van deze schriften had Gosa een bij haar uiterste wil gelegd, 't welk door de oudste maagd Albetha openbaar gemaakt moest worden, zoodra Friso gestorven was. [p. 215]

 

Hier is dit geschrift met Gosas raad.

Toen Wralda kinderen gaf aan de moeders van het menschelijk geslacht, toen legde hij ne taal in aller tongen en op aller lippen. Dit geschenk had Wralda aan de menschen gegeven, opdat zij elkander daarmede mochten kenbaar maken, wat men vermijden moet en wat men najagen moet om zaligheid te vinden en zaligheid te houden in alle eeuwigheid. Wralda is wijs en goed en alles voorziende. Naardien hij nu wist, dat geluk en zaligheid van de aarde moet vlieden, als de boosheid de deugd bedriegen kan, zoo heeft hij aan de taal eene regtvaardige eigenschap verbonden. Deze eigenschap is hierin gelegen, dat men daarmede geen leugen zeggen, noch bedriegelijke woorden spreken kan zonder stamelen, noch zonder blozen, waardoor men de boozen van harte terstond onderkennen kan. Naardien dus onze taal tot geluk en zaligheid den weg baant, en dus mede waakt tegen de booze neigingen, daarom is zij met alle recht godestaal (de taal des goeds) genoemd, en alle degene, die haar in eere houden, hebben daar eere van. Doch wat is er gebeurd. Zoodra er onder onze halfzusteren en halfbroederen bedriegers opkwamen, die zich zelf voor dienaren des goeds uitgaven, is dat weldra anders geworden. De bedriegelijke priesters en de boosaardige vorsten, die altijd te zamen heulden, wilden naar willekeur leven en buiten de wetten des goeds handelen. In hunne ondeugendheid zijn zij heen [p. 217] gegaan en hebben andere talen verzonnen, opdat zij heimelijk konden spreken in tegenwoordigheid van ieder ander over alle booze dingen en over alle onwaardige zaken, zonder dat stamelen hen zoude verraden, noch blozen hun gelaat ontsieren. Maar wat is daaruit geboren? Even gemakkelijk als het zaad van goede kruiden van onder den grond weg ontkiemt, dat in 't openbaar gezaaid is door goede menschen bij lichten dag, even gemakkelijk brengt de tijd de schadelijke kruiden aan het licht, die gezaaid zijn door booze menschen in het verborgene en bij duisternis. De wulpsche meisjes en verwijfde knapen, die met de onzedelijke priesters en vorsten boeleerden, ontlokten die nieuwe talen aan hunne boelen, derwijze zijn zij verspreid onder de volken, tot dat zij godestaal glad vergeten hebben. Wilt gij nu weten, wat daarvan geworden is? Nu het stamelen en de gelaatskleur hunne booze driften niet meer verrieden, is de deugd van uit haar midden geweken, de wijsheid is gevolgd en de vrijheid is medegegaan; de eendracht is te zoek geraakt, en tweespalt heeft hare plaats ingenomen; de liefde is gevlucht, en de ontucht zit met nijd aan tafel; en waar vroeger rechtvaardigheid heerschte, heerscht nu het zwaard. Allen zijn slaven, de lieden van hunne heeren van nijd, booze lusten en begeerlijkheid. Hadden zij nu maar ne taal uitgevonden, mogelijk was het dan nog eene wijle goed gegaan. Maar zij hebben zoo vele talen uitgevonden als er staten zijn. Daardoor kan het eene volk het andere volk even min verstaan als de koe den hond of de wolf het schaap. Dit kunnen de zeelieden betuigen. Doch daar van daan is het nu gekomen, dat alle slavenvolken elkander als andere menschen beschouwen, en dat zij tot straf van hunne onbezonnenheid en vermetelheid elkander zoo lang moeten beoorlogen en bestrijden tot dat zij alle verdelgd zijn. [p. 219]

 

Hier is nu mijn raad.

Zijt gij alzoo begeerig, dat gij de aarde alleen wilt berven, zoo behoort gij nimmer meer eene andere taal over uwe lippen te laten komen als godestaal, en dan behoort gij te zorgen, dat uw eigen taal vrij blijft van uitheemsche klanken. Wilt gij nu dat er sommige van Lydas kinderen en van Findas kinderen blijven, dan doet gij even zoo. De taal der Oost Schoonlanders is door de vuile Magyaren verdraaid; de taal der Keltana volgers is door de smerige Golen verdorven. Nu zijn wij zoo mild geweest om de terugkeerende Hellenia volgers weder in ons midden te nemen, maar ik schroom en ben zeer bezorgd, dat zij onze mildheid zullen vergelden met verontreiniging van onze zuivere taal. Veel hebben wij wedervaren, maar van alle burgten die door de booze tijd verstoord en verdelgd zijn, heeft Irtha Fryasburgt onverlet behouden; ook mag ik daar bij vermelden dat Fryas of Gods taal hier even ongeschonden behouden is. Hier op Texland moest men dus scholen stichten; van alle staten, die het met de oude zeden houden, moest het jong volk hier heen gezonden worden; daarna mochten zij die volleerd waren, de anderen helpen die te huis verbeiden. Willen de andere volken ijzerwaren van u koopen en daarover met u spreken en dingen, dan moeten zij tot godestaal terugkeeren. Leeren zij Godstaal, dan zullen de woorden vrij zijn en recht hebben tot hen inkomen, in hun brein zal het dan beginnen te glimmen en te gloren tot dat alles tot eene vlam wordt. Deze vlam zal alle slechte vorsten verteeren en alle schijnvrome en smerige priesters. De inlandsche en uitlandsche zendboden hadden genoegen van dat geschrift, doch er kwamen geene scholen. Toen stichtte Adel zelf scholen, na hem deden de andere vorsten hetzelfde. Jaarlijks gingen Adel en Ifkja de scholen in oogenschouw nemen. Bevonden zij dan onder de inlanders of bui- [p. 221] tenlanders zoodanige, die elkander vriendschap toedroegen, dan lieten zij beide groote blijdschap blijken. Hadden sommige zoodanige elkander vriendschap gezworen, dan lieten zij alle menschen bij elkander komen, en met groote staatsie lieten zij dan hunne namen in een boek schrijven, door hun het boek der vriendschap genoemd: daarna werd feest gevierd. Al deze gebruiken werden onderhouden om de afzonderlijke takken van Fryas stam weder te zamen te snoeren. Doch de maagden die op Adel en Ifkja afgunstig waren zeiden, dat zij het nergens anders om deden, dan om een goeden roep en om allengs te heerschen over een anders staat. Bij mijn vaders schriften heb ik een brief gevonden geschreven door Luidgert den Geertman, behalve sommige zaken die mijn vader alleen aangaan, geef ik hier het andere ten beste. Pangab, dat is vijf wateren, en waar nevens wij weg komen, is eene rivier van bijzondere schoonheid, en vijf wateren genoemd, omdat vier andere rivieren door zijn mond in zee stroomen. Heel verre oostwaarts is nog eene groote rivier, de heilige of vrome Ganges geheeten. Tusschen deze beide rivieren is het land der Hindos. De beide rivieren loopen van de hooge bergen naar de laagte neer. Die bergen, waar zij van afstroomen, zijn zoo hoog, dat zij tot den hemel reiken (laia) , daarom wordt het gebergte Himmellaia gebergte genoemd. Onder de Hindos en andere uit die landen zijn er sommige lieden die in stilte bij elkander komen. Zij gelooven dat zij onverbasterde kinderen van Finda zijn. Zij gelooven dat Finda van uit het Himmellaia gebergte geboren is, van waar zij met hare kinderen naar de delte of de laagte getrokken is. Sommigen onder hen gelooven, dat zij met hare kinderen op het schuim van de heilige Ganges naar beneden gegaan is. Daarom zoude die rivier de heilige Ganges heeten. Maar de priesters die uit een ander land weg komen lieten die menschen opsporen en verbranden; daarom durven [p. 223] zij voor hunne zaak niet openlijk uitkomen. In dit land zijn alle priesters dik en rijk. In hunne kerken worden allerlei gedrochtelijke beelden gevonden, daaronder zijn vele van goud. Bewesten Pangab zijn de Yren (Iraniers) of wrangen (Drangianen) , de Gedrosten (Gedrosiers) of weggeloopenen, en de Urgetten of vergetenen. Al deze namen zijn hun door de nijdige priesters gegeven, omdat zij hen ontvlieden wegens de zeden en het geloof. Bij hunne komst hadden onze voorouders zich ook aan den oostelijken oever van den Pangab neergezet, maar om der priesteren wille zijn zij ook naar den westelijken oever gevaren. Daardoor hebben wij de Yren en anderen leeren kennen. De Yren zijn geen wilden, maar goede menschen, die geen beelden toelaten noch aanbidden: ook willen ze geen kerken noch priesteren dulden, en even als wij het heilige licht van Fasta aanhouden, zoo houden zij allerwege vuur in hunne huizen brandende. Komt men later heel westelijk, zoo komt men bij de Gedrosten. Van de Gedrosten: deze zijn met andere volken verbasterd, en spreken alle afzonderlijke talen. Deze menschen zijn wezenlijk wilde moordenaren, die altijd met hunne paarden over de velden dwalen, die altijd jagen en rooven, en die zich als soldaten verhuren aan de omwonende vorsten, ter wier wille zij alles neder houwen, wat zij kunnen bereiken. Het land tusschen den Pangab en de Ganges is even vlak als Friesland aan de zee, afgewisseld met velden en wouden, vruchtbaar in alle deelen; maar dit kan niet beletten dat daar bijwijlen duizenden bij duizenden van honger bezwijken. Deze hongersnood mag daarom noch aan Wralda, noch aan Irtha geweten worden: maar alleen aan de vorsten n priesters. De Hindos zijn even bloode en vervaard voor hunne vorsten als de hinden voor de wolven zijn. Daarom hebben de Yren en anderen hen Hindos genoemd, dat hinden beteekent. Maar van hunne blooheid wordt afschuwelijk misbruik gemaakt. Komen er uitheemsche kooplieden om koren te koopen, dan wordt alles te gelde [p. 225] gemaakt, en door de priesters wordt het niet geweerd, want deze nog listiger en hebzuchtiger als alle vorsten te zamen, weten heel goed, dat al het geld eindelijk in hunne buidels komt. Buiten en behalve dat de menschen daar veel van hunne vorsten lijden, moeten zij ook nog veel van het vergiftige en wilde gedierte lijden. Daar zijn groote olifanten, die bij geheele kudden loopen, die soms geheele koornvelden vertrappen en geheele dorpen. Daar zijn bonte en zwarte katten, tijgers geheeten, die zoo groot als groote kalveren zijn, die mensch en dier verslinden. Buiten vele andere kruipende dieren zijn er slangen van de grootte van een worm af tot de grootte van een boom. De grootste kunnen eene geheele koe verslinden, maar de kleinste zijn nog vreeselijker als die. Zij houden zich tusschen bloemen en vruchten verscholen om de menschen te overrompelen, die ze willen afplukken. Is men daardoor gebeten zoo moet men sterven, want tegen haar vergif heeft Irtha geene kruiden gegeven, alzoo dat de menschen zich hebben schuldig gemaakt aan afgoderij. Voorts zijn daar allerlei soort van hagedissen, schildpadden en krokodillen; al deze disken zijn evenals de slangen van een worm tot een boomstam groot; naar dat zij groot of vreeselijk zijn, zijn hunne namen, die ik alle niet noemen kan, de allergrootste adisken heeten alligators omdat zij even gretig bijten in het verrotte vee, dat met de stroom van boven naar de laagte drijft, als in het levende gedierte, dat zij kunnen overrompelen. Aan de westzijde van Pangab, waar wij van daan komen, en waar ik geboren ben, bloeijen en groeijen dezelfde vruchten en granen als aan de oostzijde. Te voren werden er ook dezelfde kruipende dieren gevonden, maar onze voorvaderen hebben alle kreupelbosschen verbrand, en al zoo vaak achter het wilde gedierte gejaagd, dat er slechts weinige meer over zijn. Komt men heel westelijk van Pangab, dan vindt men nevens vetten kleigrond ook dorre geestlanden, die eindeloos schijnen, bij wijlen afgewisseld met liefelijke streken, waaraan het oog geboeid blijft. Onder de vruchten van het land zijn er vele, die ik hier niet gevonden heb. Onder allerlei koorn is er ook goudgeel; ook goudgeele appelen, van welke sommige zoet zijn als honing, en andere zoo wrang als azijn. Bij ons worden noten gevonden zoo groot als kinderhoofden; daar zit kaas en melk in; worden ze oud dan maakt men er olie van; van de bast maakt men touw, en van de kernen maakt men kelken en ander huisraad. Hier in de wouden heb ik kruip- en steekbessen gezien. Bij ons zijn bessenboomen zoo groot als uwe lindeboomen, waarvan de bessen veel zoeter en driewerf grooter zijn als uwe doornbessen zijn. Wanneer de dagen op het langste zijn en de zon uit het toppunt schijnt, dan schijnt ze lijnrecht op uw hoofd neder. Is men dan met zijn schip heel ver zuidelijk gevaren, en men des middags met zijn gelaat naar het oosten gekeerd, zoo schijnt de zon tegen uwe linkerzijde, gelijk zij anders aan uwe rechterzijde doet. Hiermede wil ik eindigen, maar na mijn schrijven zal het u licht genoeg vallen, om de leugenachtige verhalen te kunnen schiften van de ware berichten. Uw Liudgert.

[p. 227]

 

Het geschrift van Beeden.

Mijn naam is Beeden, zoon van Hachgane. Konereed mijn oom is nooit getrouwd geweest en alzoo kinderloos gestorven. Mij heeft men in zijne plaats gekozen. Adel, de derde koning van dezen naam, heeft die keuze goedgekeurd, mits ik hem als mijn meester erkennen wilde. Behalve het volle erf van mijn oom, heeft hij mij eene plek gronds gegeven, die aan mijn erf paalde, onder voorwaarde, dat ik daarop menschen zoude stellen, die zijne lieden nimmer zouden...daarom wil ik dit hier eene plaats vergunnen. [p. 229]

 

Brief van Rika de oudmaagd, voorgelezen te Staveren bij het juulfeest.

Gij allen wier voorvaderen met Friso hier kwamen, mijne eerbiedenis tot u. Gelijk gij meent, zijt gij niet schuldig aan afgoderij. Daar wil ik heden niet over spreken, maar heden wil ik u op een gebrek wijzen, dat weinig beter is. Gij weet het of gij weet het niet, hoe Wralda duizend eernamen heeft. Doch dat weet gij allen, dat hij Alvoeder wordt genoemd, uit oorzaak dat alles uit hem wordt en wast tot voeding van zijne schepselen. Het is waar, dat Irtha bijwijlen ook Alvoedster genoemd wordt, omdat zij alle vruchten en granen baart, waarmede mensch en dier zich voeden. Doch zij zoude geene vruchten en granen baren, bijaldien Wralda haar geene krachten gaf. Ook vrouwen, die hare kinderen zogen aan hare borsten, worden voedsters genoemd. Doch gaf Wralda daar geene melk in, zoo zouden de kinderen daar geen baat bij vinden. Zoodat bij slot van rekening Wralda alleen de voeder blijft. Dat Irtha bijwijlen Alvoedster geheeten wordt, en eene mem (moeder) voedster, kan nog door eene wending (overdrachtelijke spreekwijze) : maar dat een taat (vader) zich voeder laat noemen, omdat hij taat is, strijdt tegen alle reden. Doch ik weet, waar deze dwaasheid van daan komt. Hoor hier, zij komt van onze vijanden (ltha) en wanneer die gevolgd worden, zoo zult gij daardoor slaven worden tot smart van Frya en tot straf van uwen hoogmoed. Ik zal u melden, hoe het bij de slavenvolken toegegaan is, daaruit moogt gij leeren. De vreemde koningen, die naar willekeur leven, steken Wralda naar de kroon; uit nijd dat Wralda Alvader heet wilden zij ook vaderen der volken genoemd worden. Nu weet iedereen dat een koning niet over den [p. 231] wasdom heerscht, en dat hem zijne voeding door het volk gebracht wordt; maar toch wilden zij volharden bij hunne vermetelheid. Opdat zij tot hun doel mochten komen, zoo zijn zij in het eerst niet voldaan geweest met de vrije giften, maar hebben het volk eene schatting opgelegd. Voor de schat, die daarvan kwam, huurden zij buitenlandsche soldaten, die zij rondom hunne hoven legden. Vervolgens namen zij zoo vele vrouwen, als hun lustte, en de kleine vorsten en heeren deden eveneens. Toen naderhand twist en tweespalt in de huishouding sloop, en daarover klachten kwamen, hebben zij gezegd: ieder man is de vader (voeder) van zijn huisgezin, daarom zal hij ook meester en rechter daarover wezen. Toen kwam de willekeur, en even als die met de mannen over het huisgezin heerschte, ging zij ook met de koningen over de volken doen. Toen de koningen het zoo ver gebracht hadden, dat zij vaderen der volken heetten, gingen zij heen en lieten beelden naar hunne gedaante maken; deze beelden lieten zij in de kerken stellen naast de beelden der afgoden, en degene die daar niet voor buigen wilde, werd omgebracht of in ketenen gedaan. Uwe voorvaderen en de Twisklanders hebben met de vreemde koningen omgegaan, daarvan hebben zij deze dwaasheid geleerd. Doch niet alleen dat sommige uwer mannen zich schuldig maken aan roof van eernamen, ook moet ik mij over vele uwer wijven beklagen. Worden bij u mannen gevonden, die zich met Wralda op eene lijn willen stellen, er worden bij u ook wijven gevonden, die dit met Frya willen doen. Omdat zij kinderen gebaard hebben, laten zij zich moeder noemen. Doch zij vergeten, dat Frya kinderen baarde zonder toegang eens mans. Ja, niet alleen hebben zij Frya en de Eeremoeders van hare eervolle namen willen berooven, met welke zij toch niet zich gelijk kunnen stellen; zij doen het even zoo met de eernamen van hare naasten. Er zijn wijven, die zich vrouwe laten noemen,

ENDE FON RIKAS BRF. (*)

(*) Hier eindigde het schrijven van Beeden. In het H.S ontbreken twee bladzijden volgens de paginatuur. Maar zonder twijfel ontbreekt er meer. De afgebroken aanhef van het volgende wijst aan, dat de aanvang van het volgende geschrift verloren gegaan is en daarmede ook de aanduiding van den naam des schrijvers, die een zoon of kleinzoon van Beeden kan geweest zijn. [p. 233]

ofschoon zij weten, dat deze naam alleen aan vrouwen van vorsten toebehoort. Ook laten zij hare dochters maagden noemen, ondanks zij weten, dat geene jonge dochter zoo heeten mag, tenzij zij tot eene burgt behoort. Gij allen waant, dat gij door dat naam stelen beter wordt, doch gij vergeet, dat er afgunst aankleeft, en dat elk kwaad zijne tuchtroede zaait. Keert gij niet terug, zoo zal de tijd daar wasdom aangeven, zoo sterk, dat men er het eind niet van kan zien. Uwe nakomelingen zullen daarmede gegeeseld worden; zij zullen niet begrijpen, waar die slagen van daan komen. Maar ofschoon gij de maagden geene burgten bouwt en aan het lot overlaat, toch zullen er blijven, zij zullen uit wouden en holen komen, zij zullen uwe nakomelingen bewijzen, dat gij daar moedwillig schuldig aan zijt. Dan zal men u verdoemen, uwe schimmen zullen vervaard uit hunne graven oprijzen, zij zullen Wralda, zij zullen Frya en hare maagden aanroepen, doch niemand zal er iets aan kunnen verbeteren, bevorens het Juul een anderen loopkring intreedt, maar dat zal eerst gebeuren als drie duizend jaren verloopen zijn na deze eeuw.

EINDE VAN RIKAS BRIEF.

[p. 235]

daarom wil ik eerst over zwarte Adel schrijven. Zwarte Adel was de vierde koning na Friso. In zijne jeugd heeft hij op Texland geleerd, naderhand heeft hij te Staveren geleerd en vervolgens heeft hij door alle staten gereisd. Toen hij vier en twintig jaar oud was, heeft zijn vader gemaakt dat hij tot Asega Asker gekozen is. Toen hij eenmaal Asker was, eischte hij altijd in het voordeel van de armen. De rijken, zeide hij, plegen genoeg ongerechte dingen door middel van hun geld, daarom behooren wij te zorgen, dat de armen naar ons omzien. Door deze en andere redeneringen, was hij de vriend der armen en de schrik der rijken. Het is zoo erg gekomen, dat zijn vader hem naar de oogen zag. Toen zijn vader gestorven was, heeft hij diens zetel beklommen, toen wilde hij even goed zijn ambt behouden gelijk de koningen van het oosten plegen te doen. De rijken wilden dat niet dulden, maar nu liep al het andere volk te hoop, en de rijken waren blijde dat zij heelhuids van de vergadering afkwamen. Van toen aan hoorde men nimmer meer over gelijkheid van recht praten. Hij veroordeelde de rijken en hij vleide de armen, met wier hulp hij alle zaken eischte, daar hij bestek op had. Koning Askar, gelijk hij altijd genoemd werd, was bij de zeven aardvoet lang, en zoo groot zijne gestalte was, waren ook zijne krachten. Hij had een helder verstand, zoodat hij alles verstond, waarover gesproken werd, doch in zijn doen kon men geene wijsheid bespeuren. Bij een schoon gelaat had hij eene gladde tong, maar nog zwarter als zijn haar is zijne ziel bevonden. Toen hij een jaar koning was, noodzaakte hij alle jongelingen uit zijn staat, om jaarlijks in het kamp te komen en daar een schijnoorlog te maken. In het eerst had hij daar moeite mede, maar ten laatste werd het zoo manierlijk, dat oud en jong uit alle oorden weg kwamen, om te vragen, of zij mochten mede doen. Toen hij het zoo ver gebracht had liet hij krijgscholen stichten. De rijken kwamen te klagen en [p. 237] zeiden, dat hunne kinderen geen lezen of schrijven meer leerden. Askar sloeg er geen acht op, maar toen er kort daarop weer schijnoorlog gehouden werd, ging hij op een gestoelte staan en sprak luidde. De rijken zijn tot mij gekomen te klagen, dat hunne knapen geen lezen of schrijven genoeg leeren; ik heb daar niets op gezegd; doch hier wil ik mijne meening zeggen, en de algemeene vergadering laten beslissen. Toen elk nu nieuwsgierig tot hem op zag zeide hij verder: Naar mijn begrip moet men tegenwoordig het lezen en schrijven aan de maagden en wijze lieden overlaten. Ik wil geen kwaad spreken van onze voorvaderen, ik wil alleen zeggen, in die tijden, waarop door sommigen zoo hoog geroemd wordt, hebben de Burgtmaagden tweespalt over onze landen gebracht en de Moeders voor en na konden de tweespalt niet weder uit het land drijven. Nog erger, terwijl zij praatten en keuvelden over noodelooze gewoonten, zijn de Golen gekomen en hebben al onze schoone zuiderlanden geroofd. Heden ten dage zijn zij met onze verbasterde broeders en hunne soldaten reeds over de Schelde gekomen, er schiet ons dus over te kiezen tusschen het dragen van een juk of een zwaard. Willen wij vrij zijn en vrij blijven, zoo behooren de jongelieden het lezen en schrijven voorhands achterwege te laten, en in stede dat zij op hun gezelschappen wip en zwik spelen, moeten zij met zwaard en speer spelen. Zijn wij in allen deele geoefend, en de knapen groot genoeg om helm en schild te dragen en de wapenen te hanteeren, dan zal ik mij met uwe hulp op de vijanden werpen. De Golen mogen dan de nederlagen van hunne helpers en soldaten op onze velden schrijven met het bloed dat uit hunne wonden druipt. Hebben wij den vijand eenmaal voor ons uitgedreven, zoo moeten wij daarmede voortgaan, tot dat er geen Golen, noch Slaven, noch Tartaren meer van Fryas erf te verdrijven zijn. - Dat is recht, riepen de meesten, en de rijken durfden hunne monden niet open doen.

Afbeelding van een Schip met voor-en achterplecht, bewaard op een oud zegel van Staveren.

[p. 239]

Deze toespraak had hij zeker te voren bedacht en laten overschrijven, want des avonds van dien zelfden dag waren de afschriften daarvan in wel twintig handen; en die alle waren eensluidend. Naderhand beval hij de scheepslieden, zij moesten dubbele voorstevens maken, waaraan men eene stalen kraanboog kon bevestigen. Die hierin achterwege bleef werd beboet; kon iemand zweeren, dat hij geene middelen bezat, dan moesten de rijken van het dorp het betalen. Nu zal men zien, waarop al dat boha uitgeloopen is. Aan het noordeinde van Brittannia dat vol met hooge bergen is, daar zit een Schotsch volk, voor het meerendeel uit Fryas bloed gesproten; voor het eene deel zijn zij uit de Keltana-volgers, voor het ander gedeelte uit Britten en vluchtelingen, die allengs met der tijd uit de tinlanden derwaarts vluchtten. Die uit de tinlanden kwamen, hebben al te gader buitenlandsche vrouwen of van buitenlandsch ras. Zij zijn alle onder de heerschappij der Golen, hunne wapenen zijn houten bogen en sprieten met punten van hertshoornen, of ook van flinten. Hunne huizen zijn van zoden en stroo, en sommigen wonen in de holen der bergen. Schapen, die zij geroofd hebben, is hun eenige schat. Onder de afstammelingen van de Keltanavolgers hebben sommigen nog ijzeren wapenen, die zij van hunne voorvaderen gerfd hebben. Om nu goed verstaan te worden, moet ik mijn verhaal over het Schotsche volk laten rusten, en iets van de heinde Krekalanden (Italie) schrijven. De heinde Krekalanden hebben te voren ons alleen toebehoord, maar sedert onheugelijke tijden hebben zich daar ook nakomelingen van Lyda en Finda nedergezet, van deze laatsten kwamen eindelijk een heele hoop van Troje. Troja alzoo heeft eene stad geheeten, die het volk van de verre Krekalanden (Griekenland) heeft ingenomen en verwoest. Toen de Trojanen in de heinde Krekalanden genesteld waren, toen hebben zij daar met tijd en vlijt eene sterke stad met wallen en burgten gebouwd, Rome, [Etym.] dat [p. 241] is Ruim, geheeten. Toen dat gedaan was, heeft het volk zich door list en geweld van het geheele land meester gemaakt. Het volk, dat aan de zuidzijde der Middellandsche zee huist, is voor het meerendeel uit Phoenicie weg gekomen. De Phoeniciers (Puniers) zijn een basterd volk, zij zijn van Fryas bloed en van Findas bloed en van Lydas bloed. Het volk van Lyda is daar als slaven, maar door de ontucht der vrouwen hebben deze zwarte menschen al het andere volk verbasterd en bruin geverfd. Dit volk en die van Rome kampen gestadig om het meesterschap van de Middellandsche Zee. Voorts leven die van Rome in vijandschap met de Phoeniciers. En hunne priesteren, die het rijk alleen beheerschen willen over de aarde, mogen de Golen niet zien. Eerst hebben zij den Phoeniciers Missellia afgenomen, daarna alle landen die zuidwaarts, westwaarts en noordwaarts liggen, ook het zuiderdeel van Brittannia, en allerwege hebben zij de Phoenicische priesters, dat is de Golen, verjaagd; daarop zijn duizende Golen naar Noordbrittannia getogen. Kort verleden was daar de opperste der Golen gezeten op de burgt, die geheeten is Kerenak, dat is hoek, van waar hij zijne bevelen gaf aan alle Golen. Ook was daar al hun goud te zamen gebracht. Keeren herne (uitverkoren hoek) of Kerenak is eene steenen burgt, die aan Kalta behoorde. Daarom wilden de Maagden van de nakomelingen der Kaltana-volgers de burgt weder hebben. Alzoo was door de vijandschap der Maagden en der Golen veete en twist over het Bergland gekomen met moord en brand. Onze zeelieden kwamen daar dikwijls wol halen, die zij kochten voor bereide huiden en linnen. Askar was dikwijls mede geweest; in stilte had hij met de Maagden en met sommige vorsten vriendschap gesloten, en zich verbonden, om de Golen te verjagen uit Kerenak. Toen hij daarna weder terug kwam, gaf hij de vorsten en krijgshaftigste mannen ijzeren helmen en stalen bogen. De oorlog was mede gekomen en kort daarna vloeiden stroomen bloed bij [p. 243] de hellingen der bergen neder. Toen Askar meende, dat de kans hem toelachte, ging hij met veertig schepen heen, en nam Kerenak en den opperste der Golen met al zijn goud. Het volk waarmede hij tegen de soldaten der Golen had gestreden, had hij uit de Saksenmarken gelokt met beloften van grooten krijgsbuit en roof. Dus werd den Golen niets gelaten. Naderhand nam hij twee eilanden tot bergplaats voor zijne schepen, en vanwaar hij later uitging, om alle Phoenicische schepen en steden te berooven, die hij beloopen konde. Toen hij terug kwam bracht hij bijna zeshonderd der grootste knapen van het Schotsche bergvolk mede. Hij zeide, dat zij hem tot borgen gegeven waren, opdat hij zeker wezen mocht, dat de ouders hem getrouw zouden blijven; doch dat was onwaar, hij hield die als eene lijfwacht aan zijn hof, waar zij dagelijks les kregen in het rijden en in het hanteeren van allerlei wapenen. De Dennemarkers, die zich sinds lang boven alle andere zeelieden, trotschelijk zeekampers noemen, hadden zoodra niet van Askars glorierijke daden gehoord, of zij werden daarop afgunstig, dermate dat zij oorlog wilden brengen over de zee en over zijne landen. Zie hier, hoe hij een oorlog konde vermijden. Tusschen de bouwvallen van de verwoeste burgt Stavia was nog een schandere Burgtmaagd met eenige Maagden gevestigd. Haar naam was Reintja en er ging een groote roep van hare wijsheid uit. Deze Maagd bood Askar hare hulp aan, onder beding, dat Askar de burgt Stavia weder zoude laten opbouwen. Toen hij zich hiertoe verbonden had, ging Reintja met drie Maagden naar Hals; 's nachts ging zij reizen, en bij dag sprak zij op alle markten en in alle gezelschappen. Wralda, zeide zij, had haar door donder laten toeroepen, dat al het Fryas volk vrienden moest worden, als zusters en broeders vereenigd; anders zoude Findas volk komen en hen alle van de aarde verdelgen. Na dien donder waren Fryas zeven waakmaagden haar in den droom verschenen, zeven nachten achtereen; zij hadden ge- [p. 245] -zegd: boven Fryas landen zwabbert ramp met juk en ketenen. Daarom moeten alle volken, die uit Fryas bloed gesproten zijn, hunne toenamen wegwerpen en zich alleen Fryaskinderen of Fryas volk noemen. Voorts moeten allen opstaan en Findas volk van Fryas erf verdrijven. Willen ze dat niet doen, zoo zullen zij slavenbanden om hunne halzen krijgen; zoo zullen de buitenlandsche heeren hunne kinderen misbruiken en laten geesselen, totdat het bloed zijgt in uwe graven. Dan zullen de schimmen uwer voorvaderen u komen wekken en u bekijven over uwe lafheid en onbezonnenheid. Het domme volk, dat door toedoen der Magyaren reeds aan zoo veel dwaasheid gewend was, geloofde alles wat zij zeide, en de moeders klemden hare kinderen tegen hare borsten aan. Toen Reintja den koning van Hals en alle andere menschen tot eendracht had overgehaald, zond zij boden naar Askar en toog zelve langs de Baltische zee; van daar ging zij bij de Lithauers, alzoo genoemd omdat zij hunne vijanden altijd naar het aangezicht houwen. De Lithauwers zijn voortvluchtigen en verbannenen van ons eigen volk, dat in de Twisklanden zit en omdwaalt. Hunne vrouwen hebben zij meest alle van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een deel van Findas geslacht, en aldus door de Twisklanders genoemd, omdat zij nimmer geen vrede willen, maar de menschen altijd uittarten tot strijden. Voorts ging zij achter de Saksenmarken, dwars door de andere Twisklanden heen, om allerwege dat zelfde te verkondigen. Nadat twee jaren om waren, kwam zij langs den Rijn te huis. Bij de Twisklanders had zij zich zelve voor Moeder uitgegeven, en gezegd, dat zij mochten als vrije en franke menschen terugkomen; maar dan moesten zij over den Rijn gaan, en de Gola volgers uit Fryas zuiderlanden verjagen. Als zij dat deden, dan zoude haar koning Askar over de Schelde gaan en daar het land afwinnen. Bij de Twisklanders zijn vele kwade gewoonten van de Tartaren en Magyaren binnengeslopen, maar er zijn ook vele van onze [p. 247] zeden gebleven. Daardoor hebben zij ook nog Maagden, die de kinderen onderwijzen en de ouden raad geven. In den beginne waren zij Reintja vijandig, maar ten laatste werd zij door haar gevolgd en gediend en allerwege geprezen, waar het nuttig en noodig was. Zoodra Askar van Reintjas boden vernam, hoe de Jutten gezind waren, zond hij terstond boden van zijnentwege naar den koning van Hals. Het schip, waarmede de boden gingen, was vol geladen met vrouwen sieraden, en daarbij was een gouden schild, waarop Askars gedaante kunstig was afgebeeld. Deze boden moesten vragen of Askar des konings dochter Frethogunsta tot zijne vrouw mocht hebben. Frethogunsta kwam een jaar later te Staveren; bij haar gevolg was ook een Magy, want de Jutten waren sedert lang verdorven. Kort nadat Askar met Frethogunsta getrouwd was, werd er te Staveren eene kerk gebouwd; in de kerk werden booze gedrochtelijke beelden gegesteld, met goud doorwevene kleederen. Ook is er beweerd dat Askar bij nacht en bij ontijde met Frethogunsta zich daar voor nederboog. Maar zooveel is zeker, de burgt Stavia werd niet weder opgebouwd. Reintja was reeds teruggekomen, en ging nijdig naar Prontlik de Moeder te Texland zich beklagen. Prontlik ging heen en zond allerwege boden, die verkondigden: Askar is overgeven aan afgoderij. Askar deed alsof hij het niet merkte, maar onverwacht kwam er een vloot uit Hals. Des nachts werden de Maagden uit de burgt gedreven, en des ochtens konde men van de burgt slechts eene gloeijende puinhoop zien. Prontlik en Reintja kwamen bij mij om eene schuilplaats; toen ik daar later over nadacht, scheen het mij toe dat het kwaad voor mijne staat bedijen konde. Daarom hebben wij te zamen eene list verzonnen, die ons allen moest baten. Zie hier hoe wij te werk gegaan zijn. Midden in het Krijlwoud beoosten Liudwerd ligt onze vlied of weerburg, die men alleen langs doolpaden kan genaken. Op deze burgt had ik sints langen [p. 249] tijd jonge wachters gesteld, die alle een afschuw van Askar hadden en alle andere menschen daar vandaan hielden. Nu was het bij ons al zoo ver gekomen, dat vele vrouwen en ook mannen al praatten over spoken, witte wijven en kabouter mannekes even als de Denemarkers. Askar had al deze dwaasheden tot zijn voordeel aangewend, en dat wilden wij nu ook tot ons voordeel doen. Bij eene duistere nacht bragt ik de Maagden naar de burgt en daarna gingen zij met hare dienaressen langs de doolpaden spoken in witte kleederen gehuld, zoo dat er naderhand geen mensch meer durfde komen. Toen Askar meende dat hij de handen ruim had, liet hij de Magjaren onder allerlei namen door zijne staten reizen en behalve mijne staat werden zij nergens geweerd. Nadat Askar alzoo met de Jutten en de andere Denemarkers was verbonden gingen zij alle te zamen rooven; doch dat heeft geene goede vruchten gebaard. Zij brachten allerhande buitenlandsche schatten te huis. Maar juist daardoor wilden de jonge mannen geen ambacht leeren, noch op het veld arbeiden; zoodat hij ten laatste wel slaven nemen moest. Maar dat was geheel tegen Wraldas wil en tegen Fryas raad. Daarom konde de straf niet achterwege blijven. Zie hier hoe de straf gekomen is. Eens hadden zij te zamen eene geheele vloot gewonnen, deze kwam uit de Middellandsche zee. Deze vloot was geladen met purperen kleederen en andere kostbaarheden, die uit Phoenicie kwamen. Het zwakke volk der vloot werd bezuiden de Seine aan wal gezet, maar het sterke volk werd gehouden. Dat moest hun als slaven dienen. De schoonsten werden gehouden om op het land te blijven, en de leelijkste en zwartste werden aan boord gehouden om op de banken te roeijen. In het Fly werd de boedel gedeeld, maar zonder hun weten werd ook de straf gedeeld. Van de menschen, die op de buitenlandsche schepen gesteld waren, werden zes door buikpijn gedood. Men dacht dat het eten en [p. 251] drinken vergiftigd waren, daarom werd alles over boord gegooid. Doch de buikpijn bleef en allerwege, waar slaven of goederen kwamen, kwam ook de buikpijn binnen. De Saksmannen brachten ze over hunne marken; met de Jutten voer zij naar Schoonland en langs de kusten van de Baltische zee; met Askar zijne zeelieden voer zij naar Brittannia. Wij en die van Grenega lieten geene goederen noch menschen over onze landpalen komen, en daarom bleven wij van de buikpijn bevrijd. Hoevele menschen de buikpijn heeft weggeraapt, weet ik niet te schrijven, maar Prontlik die het naderhand van de andere Maagden hoorde heeft mij gemeld, dat Askar duizendmaal meer vrije menschen uit zijne staten geholpen heeft, als hij er vuile slaven in bracht. Toen de pest voor goed geweken was, kwamen de vrij geworden Twisklanders naar den Rijn, maar Askar wilde met de vorsten van dat vuile verbasterde volk niet op eene lijn staan. Hij wilde niet dulden dat zij zich Fryas kinderen zouden noemen, gelijk Reintja aangeboden had; maar hij vergat daarbij dat hij zelf zwart haar had. Onder de Twisklanders waren er twee volken, die zich zelve geen Twisklanders noemden. Het eene volk kwam heel ver uit het zuidoosten weg, ze noemden zich Allemannen. Dezen naam hadden zij zich gegeven, [Etym.] toen zij nog zonder vrouwen in de wouden als bannelingen omdwaalden. Later hebben zij van het Slavenvolk vrouwen geroofd, evenals de Lithauwers, maar zij hebben hun naam behouden. Het andere volk, dat meer in de nabijheid omdwaalde, noemde zich Franken, niet omdat zij vrij waren, maar Frank zoo had de eerste koning geheeten, die zich zelf met hulp van de ontaarde Maagden tot erflijk koning over zijn volk gemaakt had. De volken, die aan hem grensden, noemden zich Thioth-his zonen dat is volkszonen, zij waren vrije menschen gebleven, naardien zij nimmer een koning, noch vorst, noch meester erkennen wilden, als dengene die bij algemeene wil gekozen was op de algemeene vergadering. Askar had [p. 253] reeds van Reintja vernomen, dat de Twisklander vorsten meest altijd met elkander in vijandschap en veete waren. Nu stelde hij hun voor, dat zij n hertog van zijn volk zouden kiezen, omdat hij bang was, gelijk hij zeide, dat zij met elkander zouden twisten om het meesterschap. Ook zeide hij dat zijne vorsten met de Golen konden spreken. Dat zeide hij was ook de meening der Moeder. Toen kwamen de vorsten der Twisklanders bij elkander, en na driemalen zeven etmalen kozen zij Alrik tot hertog. Alrik was Askars neef, hij gaf hem tweehonderd Schotten en honderd van de grootste Saksmannen mede tot eene lijfwacht. De vorsten moesten driemaal zeven van hunne zonen naar Staveren zenden tot borg van hunne trouw. Tot nu toe was alles naar zijn wensch gegaan, maar toen men over den Rijn zoude varen, wilde de koning der Franken niet onder Alriks bevelen staan. Daardoor liep alles in de war. Askar, die meende, dat alles goed ging, landde met zijne schepen aan de overkant der Schelde, maar daar was men reeds van zijne komst ingelicht en op zijne hoede. Zij moesten even haastig vluchten als zij gekomen waren, en Askar werd zelf gevangen genomen. De Golen wisten niet, wien zij gevangen hadden, en zoo werd hij naderhand uitgewisseld voor een aanzienlijken Gole, dien Askars volk had medegevoerd. Terwijl dit alles gebeurde, liepen de Magyaren nog stoutmoediger over de landen onzer naburen heen. Bij Egmuda, waar te voren de burgt Forana gestaan had, lieten zij eene kerk bouwen nog grooter en rijker als Askar te Staveren gedaan had. Naderhand zeiden zij, dat Askar den strijd had verloren tegen de Golen, omdat het volk niet wilde gelooven, dat Wodan hen konde helpen, en dat zij hem daarom niet wilden aanbidden. Voorts gingen zij heen en schaakten jonge kinderen, die zij bij zich hielden en opvoedden in de geheimenissen van hunne verfoeijelijke leer. Waren er menschen, die ... 

Rest ontbreekt.

[p. 255]

 

 

Aquarellen van Annie Overbeeke (Atelier '54)

 

De aquarellen, die bij deze vertaling van het Oera Linda Boek zijn afgedrukt, zijn van de hand van Annie Overbeeke van Atelier '54 in Vinkeveen. De keuze voor deze aquarellen is gemaakt, omdat die qua sfeer uitstekend passen bij de mystieke sfeer van het Oera Linda Boek, waarin burchtvrouwen zo'n belangrijke rol spelen. Zij zijn het, die de foddik (lamp) brandend houden en daarmee de Friese identiteit doorgeven aan volgende generaties. Annie Overbeeke schildert al vele jaren met regelmaat vrouwen, die haar bezighouden, inspireren of op een hoger plan trekken. Ze richt zich daarbij in het bijzonder op mythologie en mystiek. Het Oera Linda Boek is haar jongste inspiratiebron. Dat betekent ongetwijfeld, dat zij nog meer van deze bijzondere vrouwen gaat schilderen.

Website. Voor contact: annie.overbeeke@atelier54.eu

 

 

 

 

breedte 1506 px

 

  

Rodinbook